Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4635

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6865
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing en (disciplinair) ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/6865

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. F. Aarts),

en

het college van burgemeesters en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Speel).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser geschorst in het belang van de dienst en hem de toegang tot de gebouwen ontzegd (hierna: het schorsingsbesluit).

Bij besluit van 25 april 2017 heeft verweerder de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd (het ontslagbesluit).

Bij besluit van 29 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, gericht tegen het schorsingsbesluit, gegrond verklaard, dit besluit herroepen en eiser geschorst met ingang van 8 februari 2017. Het bezwaar, gericht tegen het ontslagbesluit, heeft verweerder ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is namens verweerder verschenen

[manager], manager.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is sinds 1 oktober 2000 werkzaam bij verweerder, in de functie van [functie]. Op 29 maart 2010 heeft verweerder eiser aangesproken op het feit dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot 1 april 2010 te weinig uren heeft gewerkt. In het personeelsdossier van eiser is een memo opgenomen waarin is vermeld dat eiser heeft erkend dat hij te laat is begonnen en te vroeg is vertrokken, en dat hij dit gedrag zou beëindigen. Op 28 november 2016 en 12 december 2016 heeft de leidinggevende van eiser hem aangesproken op zijn werktijden, pauzetijden en afschrijving van te weinig verlofuren.

2.1

Aan het schorsingsbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser te weinig verlofuren heeft afgeschreven in 2016, dat hij een formulier inzake fiscale verrekening woon/werkverkeer onjuist heeft ingevuld en dat hij zijn werk- en pauzetijden niet correct in acht heeft genomen. Verweerder heeft eiser geschorst in het belang van de dienst (artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, CAR/UWO) en hem de toegang tot de gebouwen ontzegd in afwachting van besluitvorming omtrent disciplinaire maatregelen.

2.2

Aan het ontslagbesluit heeft verweerder dezelfde feiten ten grondslag gelegd als in het schorsingsbesluit. Verder heeft verweerder aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek naar het e-mailgebruik van eiser is gebleken dat hij in een tijdsbestek van zestien maanden ruim 3500 nieuwsbrieven heeft ontvangen van bedrijven en instellingen die niet relevant zijn voor de uitoefening van zijn functie. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat hij een e-mail met een link van een website met pornografisch dan wel seksueel getint materiaal heeft verzonden naar zijn privé-emailaccount, dat hij op zijn werkaccount overvloedige privé-emailcorrespondentie onderhield met onder meer zijn vrouw en dat hij een privé-aankoop heeft gedaan met zijn gemeentelijke emailadres. Verder is gebleken dat eiser niet bewust met de gemeentelijke voorzieningen is omgegaan door te proberen wiskunde-materiaal voor zijn dochter te printen.

Verweerder heeft bij het vaststellen van de strafmaat meegewogen dat de verweten gedragingen over een periode van jaren hebben plaatsgevonden, dat hij is doorgegaan met het werkverzuim ondanks dat hij hierover in 2010 al was aangesproken en dat de hoeveelheid werktijd die hij kwijt is geweest aan zijn privé-emailgebruik, in combinatie met het gegeven dat hij ook al minder uren werkte dan de bedoeling was, buitenproportioneel veel was.

2.3

In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaaradviescommissie gevolgd en het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. In dat advies is onder meer opgenomen dat verweerder het plichtsverzuim tijdens de hoorzitting voldoende heeft onderbouwd.

Het bezwaar gericht tegen het schorsingsbesluit heeft verweerder gegrond verklaard, omdat het instellen van een nader onderzoek niet noodzakelijk was om een besluit te kunnen nemen over het opleggen van een disciplinaire maatregel. Verweerder heeft het schorsingsbesluit herroepen en eiser alsnog geschorst met ingang van 8 februari 2017 in verband met het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag (artikel 8:15:1, aanhef en onder a CAR/UWO).

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ten tijde van het uitbrengen van het voornemen, mede gelet op de mogelijkheid van eiser om een zienswijze in te brengen en de daaropvolgende heroverweging, nog niet zeker was dat eiser zou worden ontslagen. Vervolgens is het onrechtmatige internetgebruik van eiser boven water gekomen. Deze factoren tezamen hebben geleid tot het disciplinaire ontslag.

3. Eiser betoogt dat conclusies van de bezwaaradviescommissie, die verweerder in het bestreden besluit heeft overgenomen, ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Verweerder is niet ingegaan op hetgeen hij in zijn zienswijzen en in bezwaar naar voren heeft gebracht omtrent

het fiscale formulier voor verrekening reiskosten woon-werkverkeer, de tegenwerping dat hij zich niet zou hebben gehouden aan de dagelijkse werktijden, dat hij te weinig verlof zou hebben afgeschreven en dat hij onrechtmatig wiskundemateriaal geprobeerd heeft te printen voor zijn dochter. Verweerder heeft zich volgens eiser onterecht toegang verschaft tot zijn gemeentelijke emailaccount. Het geconstateerde vermeende onrechtmatige internetgebruik had niet aan het ontslag ten grondslag mogen worden gelegd. Aangezien het vermeende onrechtmatige internetgebruik niet aan het voornemen ten grondslag is gelegd, is volgens eiser onduidelijk waarom hij niet op grond van het voornemen is ontslagen. Het strafontslag is volgens eiser disproportioneel. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke situatie.

Ten slotte betoogt eiser dat verweerder het schorsingsbesluit in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft herroepen.

4. Ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO kan de ambtenaar, onverminderd het bepaalde in art 16:1:2 door het college worden geschorst wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, kan de ambtenaar voorts worden geschorst in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In het advies van de bezwaaradviescommissie, dat door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is verwezen naar de motivering van verweerder op de hoorzitting. Daarmee maakt die motivering, waarin is ingegaan op de bezwaargronden, deel uit van het bestreden besluit. De grond dat verweerder helemaal niet is ingegaan op hetgeen eiser in zijn zienswijze- en bezwaarschrift naar voren heeft gebracht, faalt.

Werktijden en verlofuren.

5.2

Verweerder verwijt eiser dat hij in totaal 80,5 verlofuren te weinig heeft afgeschreven.

5.2.1

Eiser heeft een aanstelling waarbij hij 40 uur per week behoort te werken.

Verweerder gaat uit van vier dagen per week 8,5 uur werken en op donderdag 6 uur werken, zodat hij bij een vrije dag op donderdag niet 4 maar 6 verlofuren diende op te nemen. Eiser stelt dat hij echter vier dagen 9 uur per dag werkt en op donderdag 4 uur. Ook heeft eiser gesteld dat hij in de praktijk meer uren werkte en dat hij ook begon vóór 7 uur ’s ochtends. Deze uren heeft hij niet geregistreerd.

5.2.2.

De rechtbank stelt vast dat uit de printscreen van het werktijdenrooster blijkt dat eiser op maandag, dinsdag, woensdag en vrijdag 8,5 uur per dag behoorde te werken en op donderdag 6 uur. Eiser heeft de stelling van verweerder in het ontslagbesluit, dat hij het rooster eerst na te zijn aangesproken op zijn werktijden heeft aangepast, niet bestreden. Eiser heeft evenmin de stellingen van verweerder bestreden dat hij geen toestemming had om buiten het dagvenster (beginnende om 7 uur ’s ochtends) te werken en hierom ook niet heeft gevraagd, en dat hij nooit het verzoek heeft gedaan of toestemming heeft gekregen om over te werken. Evenmin heeft eiser de stelling van verweerder dat hij iedere dag uiterlijk om 16 uur naar huis vertrok en dus op die dagen niet zou hebben kunnen overwerken, bestreden. Met betrekking tot de stelling dat eiser structureel te lange pauzes heeft genomen, heeft verweerder in de pleitnota bij de hoorzitting in bezwaar verwezen naar het gespreksverslag van 28 november 2016. Eiser heeft in het gesprek van 28 november 2016 verklaard dat hij meer uren maakt, die hij niet schrijft ter compensatie van zijn langere pauzetijden, waarmee hij erkent dat hij langere pauzes neemt dan de bedoeling is.

E-mailgebruik

5.3

Verweerder heeft gesteld dat de emailaccount van eiser is geopend, omdat het in verband met de schorsing van eiser noodzakelijk was te bezien of er e-mailberichten waren binnengekomen die beantwoording behoefden. Bij het openen van de e-mailbox heeft de leidinggevende direct gezien dat zich een groot aantal e-mailberichten in de inbox van eiser bevonden met een onderwerp aanduiding dat niet als zakelijk kon worden beschouwd, waarop hij de e-mailbox heeft gesloten en verweerder op de hoogte heeft gesteld. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar het internetgedrag van eiser.

5.3.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4095) geldt in het ambtenarenrecht dat het gebruik van bewijsmiddelen slechts dan niet is toegestaan indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

De enkele omstandigheid dat in het bestreden besluit ten aanzien van de schorsing is vastgesteld dat nader onderzoek niet noodzakelijk was om een besluit te kunnen nemen over het opleggen van een disciplinaire maatregel, maakt nog niet dat het openen van zijn e-mailbox en het daaropvolgende onderzoek naar het e-mailgedrag van eiser onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Voor zover eiser betoogt dat verweerder hem op grond van de in het voornemen verweten gedragingen had kunnen ontslaan en hij dus het e-mailgedrag van eiser niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, overweegt de rechtbank dat er geen rechtsregel is die verbiedt dat aan een besluit feiten ten grondslag worden gelegd die niet aan het voornemen ten grondslag hebben gelegen.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich reeds gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.2 tot en met 5.3.1 is overwogen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de omstandigheden dat eiser heeft geprobeerd wiskundemateriaal voor zijn dochter te printen, en de omstandigheid dat eiser volgens verweerder het formulier fiscale verrekening onjuist heeft ingevuld.

De zwaarte van de straf

5.5.

Verweerder heeft zich in het primaire besluit en in de pleitnota bij de hoorzitting in bezwaar op het standpunt gesteld de verweten gedragingen over een periode van jaren hebben plaatsgevonden, dat eiser ondanks de waarschuwing in 2010 zijn gedrag niet conform de regels heeft laten zijn en dat het gedrag veel verschillende aspecten raakt. Voorts heeft verweerder bij de strafmaat de hoeveelheid werktijd meegewogen die eiser met zijn privé e-mailgebruik kwijt is geweest, in combinatie met het gegeven dat eiser ook niet het aantal uren werkte dat hij conform zijn aanstelling zou moeten. Verweerder heeft geconcludeerd dat het vertrouwen in eiser, gezien de aard, ernst en lange duur waarbinnen het plichtsverzuim heeft plaatsgevonden dermate ernstig is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat eiser zijn werkzaamheden weer gaat verrichten. Om die reden acht verweerder het belang van eiser om een minder zware disciplinaire maatregel opgelegd te krijgen niet te prevaleren.

5.5.1.

De rechtbank overweegt dat het structureel registreren van onvoldoende verlofuren als buitengewoon ernstig moet worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat het disciplinaire ontslag gelet op die omstandigheid, in combinatie met het internetgebruik van eiser, evenredig is. Verweerder heeft, gelet op de in rechtsoverweging 5.5 weergegeven motivering, in de belangenafweging voldoende rekening gehouden met de belangen van eiser.

De schorsing

5.6.

Verweerder heeft het schorsingsbesluit naar aanleiding van de in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb voorgeschreven heroverweging in bezwaar, krachtens het tweede lid van dat artikel herroepen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn niet nader onderbouwde betoog dat de herroeping van het primaire schorsingsbesluit in strijd is met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.