Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
R.15.877 en R.15.878
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging schuldsanering op grond van artikel 350 lid 3 onder f Fw. Terugvordering bijstandsuitkering. De schuld wegens ten onrechte ontvangen bijstand bestond al op het moment van toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

Vonnis van 12 maart 2018

in de schuldsaneringsregeling van:

[schuldenaar]
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
wonende te [adres, postcode en woonplaats],

schuldenaar,

en

[schuldenares],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
wonende te [adres, postcode en woonplaats],

schuldenares.

1 Verloop van de procedure

1.1

Ten aanzien van schuldenaren is bij vonnis van 8 december 2015 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. W.J. Don tot rechter-commissaris. M.L.H. Blok (GKB), kantoorhoudende te 's-Gravenhage, is benoemd tot bewindvoerder.

1.2

Op 17 januari 2018 heeft de bewindvoerder een verzoek ingediend strekkende tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregelingen als bedoeld in artikel 350 van de Faillissementswet (Fw).

1.3

De bewindvoerder heeft haar verzoek gegrond op de volgende feiten en omstandigheden.

“Op 5 oktober 2017 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan in het beroep tegen het besluit van de Dienst sociale Zaken inzake een terugvordering voor een bedrag van € 73.922,23.

Het beroep is (gedeeltelijk) gegrond verklaard. De terugvordering over de periode december 2012 tot en met december 2013 blijft bestaan. De Dienst Sociale Zaken heeft daarop een nieuw besluit op het bezwaar genomen d.d. 27-11-2017 en de terugvordering gewijzigd in € 20.382,79. Schuldenaren hebben te kennen gegeven geen hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Op 8 december 2015 zijn schuldenaren toegelaten tot de WSNP. De terugvordering van de uitkering betreft de periode december 2012 tot december 2013. Als deze vordering ten tijde van de toelatingszitting bekend was geweest had dit de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg gestaan.

De vordering wordt zowel op de heer [schuldenaar] als mevrouw [schuldenares] verhaald omdat er een gemeenschap van goederen was en de terug te vorderen bijstand op beider naam is verstrekt. (…)

Gezien het bovenstaande verzoek ik u zowel de regeling voor de heer [schuldenaar] als voor mevrouw [schuldenares] te beëindigen op grond van art. 350 lid 3 onder f.”

1.4

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft de bewindvoerder de rechtbank bij brief van 14 februari 2018 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- schuldenaren,

- mr. O. Huisman, advocaat,
- de bewindvoerder.

1.6

De rechtbank heeft hierna vonnis bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Ingevolge artikel 350 lid 3 sub f Fw geschiedt een beëindiging van de schuldsaneringsregeling indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw.

2.2

Ter beoordeling staat of hetgeen schuldenaren wordt tegengeworpen gegrond is en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de bewindvoerder verzochte beëindiging van de schuldsaneringsregelingen. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.3

Uit de overgelegde stukken en het ter terechtzitting verhandelde is het volgende gebleken. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna het college van B&W) heeft:
- bij besluit van 6 juli 2016 het recht op bijstand van schuldenaren in gevolge de Participatiewet herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 december 2014 en een bedrag van € 63.034,26 teruggevorderd;
- bij besluit van 8 juli 2016 het bedrag van de terugvordering verhoogd tot een totaal bedrag van € 73.922,23 en
- bij besluit van 5 december 2016 de bezwaren van schuldenaren ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben schuldenaren beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 oktober 2017 van de rechtbank Den Haag is het besluit van 5 december 2016 vernietigd voor zover daarbij het recht op bijstand van eisers is ingetrokken over de periodes voorafgaand aan december 2012 en na december 2013 en voor zover het betreft de terugvordering. De rechtbank overweegt in rechtsoverweging (r.o.) 6.8: “Nu het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de werkzaamheden van [schuldenaar] voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, hebben zij, door van die werkzaamheden geen melding te maken bij verweerder, de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb geschonden.”. Onder r.o. 7 van de uitspraak overweegt de rechtbank “Naar vaste rechtspraak is de schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan de betrokkene om feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenplicht zou zijn voldaan, over de betreffende periode, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Gelet op bovenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eisers in de periode van december 2012 tot en met december 2013 – nu het recht op bijstand per maand wordt vastgesteld en in de maand december nog werkzaamheden zijn verricht door [schuldenaar] – niet vast te stellen is”.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college van B&W bij besluit op bezwaar van 27 november 2017 de terugvordering van de uitkering vastgesteld op een bedrag van € 20.382,79.

2.4

Schuldenaren zijn niet in beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 oktober 2017 en het besluit op bezwaar van het college van B&W van 27 november 2017. Hierdoor kan als vaststaand worden aangenomen dat schuldenaren over de periode van december 2012 tot en met december 2013 hun inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb hebben geschonden en dat zij daardoor van de genoten uitkering een bedrag van € 20.382,79 dienen terug te betalen. Als deze omstandigheden, die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden, ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling (op 8 december 2015) bekend waren geweest, zouden schuldenaren niet zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling omdat artikel 288 lid 1 sub b Fw daaraan in de weg staat. De periode waarin de inlichtingenplicht is geschonden valt immers binnen de vijfjaarstermijn van artikel 288 lid 1 sub b Fw en de schuld van € 20.382,79 die daardoor is ontstaan kan door het schenden van de inlichtingenplicht van de Wet werk en bijstand (Wwb) niet als te goeder trouw worden aangemerkt.

2.5

Met betrekking tot het moment van bestaan van de schuld van € 20.382,79 wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1693. In dit arrest ging het om de vraag of de vordering tot terugbetaling van bijstand die ten onrechte is genoten in de periode voorafgaand aan het van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling, onder de schone lei van artikel 358 lid 1 Fw valt. Die vraag heeft de Hoge Raad bevestigend beantwoord. De Hoge Raad oordeelde: “Voor zover het intrekkingsbesluit meebrengt dat aan het beluit tot toekenning werking wordt ontnomen met ingang van een tijdstip in het verleden, moet vanaf dat tijdstip ten onrechte genoten bijstand worden aangemerkt als onverschuldigd betaald. (…) Een besluit tot intrekking van ten onrechte genoten bijstand met ingang van een in het verleden gelegen tijdstip dient, wat betreft de daaruit voortvloeiende verplichting tot terugbetaling, op één lijn dient te worden gesteld met de vernietiging van een overeenkomst met terugwerkende kracht. Daarom dient daarop het bepaalde in artikel 299, eerste lid, aanhef en onder b, van de Fw overeenkomstig te worden toegepast.” Op basis van voormeld arrest moet ook in het onderhavige geval worden aangenomen dat door het intrekkingsbesluit de ontvangen uitkering vanaf de periode van december 2012 tot en met december 2013 onverschuldigd is betaald. De schuld van € 20.382,79 wegens ten onrechte ontvangen bijstand bestond dus al op het moment van toelating tot de schuldsaneringsregeling.

2.6

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat inderdaad sprake is van feiten of omstandigheden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest de verzoeken af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw. Het verzoek van de bewindvoerder dient dan ook te worden toegewezen en de onderhavige schuldsaneringsregelingen dienen te worden beëindigd.

2.7

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en het bedrag van de door deze gemaakte kosten vaststellen. Het is de rechtbank gebleken dat er geen baten beschikbaar zijn om vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, zodat verificatie van vorderingen en het opmaken van een uitdelingslijst achterwege blijft.

3 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregelingen van [schuldenaar] en van [schuldenares], voornoemd;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 2.465,08 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting) voor zover het boedelactief dit toelaat;

- geeft opdracht aan de bewindvoerder om het resterende actief -na voldoening van het salaris van de bewindvoerder en de kosten- te verdelen onder de crediteuren.

Gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2018 in aanwezigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.