Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4570

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
19-04-2018
Zaaknummer
17/14344
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. Geen nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Geen beroep tegen inreisverbod nu eerst bezwaar openstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/14344


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).


Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Op 6 maart 2015 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw1 onder de beperking 'arbeid als zelfstandige bij [naam kapsalon] '. Op 6 juli 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 25 maart 2016 zijn eisers bezwaren daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 augustus 2016, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 16/8326, is eisers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft op 22 december 2016 opnieuw een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Bij besluit van 20 maart 2017 (primair besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb2. Bij het bestreden besluit zijn eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Ook heeft verweerder bij het bestreden besluit eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de door eiser overgelegde stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden (hierna: nova) vormen. Volgens verweerder bestaat geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een inreisverbod.

4. Eiser stelt dat verweerders besluitvorming onzorgvuldig is. Volgens hem is zijn aanvraag ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen, omdat hij nieuwe stukken met nieuwe cijfers heeft overgelegd. Het opgelegde inreisverbod is in strijd met de standstill-bepaling zoals neergelegd in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, aldus eiser.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Afwijzing van de aanvraag.

5. Niet in geschil is dat het bestreden besluit betrekking heeft op een herhaalde aanvraag. In geschil is of verweerder deze herhaalde aanvraag heeft mogen afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank stelt daarbij voorop – onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling3 van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) en 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131) – dat zij aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en het eventueel door verweerder gevoerde beleid toetst of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder tot uitgangspunt neemt dat slechts sprake is van nova, indien die op het moment waarop de eerdere aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn én aanleiding geven tot heroverweging van de afwijzing van de eerdere aanvraag. Gelet op de aangehaalde rechtspraak van de Afdeling zal de rechtbank dit uitgangspunt bij haar beoordeling van het bestreden besluit betrekken.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder goed onderbouwd waarom de stukken die eiser bij de aanvraag heeft overgelegd – ook al bevatten deze (nieuwe) cijfers – onvoldoende zijn om te kunnen spreken van nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Eiser heeft niet betwist dat het door hem overgelegde ondernemingsplan reeds is overgelegd bij zijn vorige aanvraag, en dat een op zijn onderneming toegespitste markt- en concurrentieanalyse daarin ontbreekt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het ondernemingsplan daarom (nog steeds) onvoldoende is onderbouwd, waarbij de rechtbank verwijst naar wat is overwogen in rechtsoverweging 9 van haar uitspraak van 18 augustus 2016. De door eiser gestelde omstandigheid dat zijn onderneming reeds drie jaar actief is op de markt, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder heeft terecht in de overige stukken ook geen aanleiding gezien om terug te komen op het eerdere afwijzende besluit. Een deel van deze stukken zijn het gevolg van tijdverloop doordat eiser zijn bedrijfsactiviteiten heeft voortgezet. Andere stukken zijn weliswaar nieuw, maar laten onverlet dat eiser nog steeds geen markt- en concurrentieanalyse heeft aangeleverd. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte niet kenbaar heeft gemaakt welke stukken exact ontbreken, slaagt niet. Het ligt immers op zijn weg om, als aanvrager van een begunstigend besluit, met stukken aannemelijk te maken waarom hij voldoet aan de voorwaarden voor het inwilligen van zijn aanvraag. Daarbij wijst de rechtbank erop dat reeds in de vorige aanvraagprocedure, alsmede in de uitspraak van de rechtbank van 18 augustus 2016, concreet is aangegeven waarom eisers ondernemingsplan onvoldoende was onderbouwd.

Inreisverbod.

7. Naar het oordeel van de rechtbank staat geen beroep open tegen het inreisverbod. Het inreisverbod is immers vervat in een besluit betreffende een verblijfsvergunning. Daarom staan tegen het inreisverbod dezelfde rechtsmiddelen open als tegen het besluit betreffende de verblijfsvergunning. Tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moest eerst bezwaar worden gemaakt, gelet op artikel 7:1 van de Awb. Dat betekent dat ook eerst bezwaar moest worden gemaakt tegen het opgelegde inreisverbod. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 15 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:BW9111) en 15 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3349). De rechtbank zal het beroep tegen het inreisverbod daarom met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan verweerder om als bezwaar te worden behandeld.

Slotsom.

8. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod. Het beroep is voor het overige ongegrond.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het in het bestreden besluit opgenomen inreisverbod;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Algemene wet bestuursrecht.

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.