Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4567

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
NL18.4174
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Zwitserland. Eritrea. Illegale grensoverschrijding. Verschil in beleid. Minderjarigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4174


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).


Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4175, plaatsgevonden in Breda op 21 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen T. Ezega, tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 19 oktober 2017 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen, als op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan, omdat eiser eerder in dat land asiel had aangevraagd en die aanvraag is afgewezen. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland risico loopt van refoulement. Hij wijst erop dat uit de afwijzende beschikking van Zwitserland blijkt dat eiser kan worden uitgezet naar het land van herkomst indien hij Zwitserland niet tijdig vrijwillig verlaat, en dat de asielprocedure volgens de Zwitserse autoriteiten is afgesloten. Volgens eiser is hij ten onrechte aangemerkt als meerderjarige. Verweerder gaat ten onrechte uit van een geboortedatum waarmee hij in Zwitserland staat geregistreerd, [geboortedatum 1] , nu hij geboren zou zijn op [geboortedatum 2] . Eiser voert aan dat zijn leeftijd onder dubieuze omstandigheden is vastgesteld in Zwitserland, en dat de Zwitserse registratie niet eenduidig is. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gestelde geboortedatum een kopie van zijn doopakte, een verklaring van zijn oom, alsmede een verklaring van Nidos overgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat eiser eerder in Zwitserland asiel heeft aangevraagd. Om die reden is om terugname verzocht aan Zwitserland en is Zwitserland met dat verzoek akkoord gegaan. Wel in geschil is of eiser minderjarig is. Als dat zo zou zijn, dan zou op grond van artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening niet Zwitserland, maar Nederland verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag.

Is eiser minderjarig, ja of nee?

5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder hem ten onrechte aanmerkt als meerderjarige. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling2 volgt dat informatie uit één andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Verder volgt uit de uitspraken van de Afdeling dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat die registratie onjuist is3.

6. In het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat eiser hier niet in is geslaagd. De enkele omstandigheid dat Nidos eiser als minderjarige kwalificeert, maakt niet dat eiser als minderjarige moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat Nidos beschikt over de vereiste deskundigheid om uitspraak te kunnen doen over eisers leeftijd. De overgelegde doopakte vormt evenmin een bewijs van de gestelde minderjarigheid, nu deze akte niet is afgegeven door de overheid van Eritrea en geen pasfoto van eiser bevat. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2591). De in beroep overgelegde verklaring van eisers oom van 9 maart 2018 kan evenmin gelden als objectief bewijs waaruit eisers identiteit blijkt. Eiser heeft met zijn stellingen dat zijn leeftijd in Zwitserland onder dubieuze omstandigheden is vastgesteld en dat de Zwitserse registratie niet eenduidig is evenmin aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gehanteerde geboortedatum onjuist is. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat eiser – zoals ook opgemerkt door verweerder ter zitting – wisselend heeft verklaard over zijn identificerende documenten. Bij zijn aanmeldgehoor heeft eiser immers verklaard dat zijn identiteitskaart zoek is geraakt in Libië4, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat hij slechts beschikte over een schoolpas. Deze laatste verklaring is weer niet in overeenstemming met zijn tegenover de politie afgelegde verklaring dat hij nooit in het bezit is geweest van een dergelijke pas5. Voor het oordeel dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening, zoals bepleit door eiser, bestaat gezien het voorgaande geen aanleiding.

7. Omdat eiser terecht niet als minderjarig is aangemerkt, is Zwitserland terecht verantwoordelijk geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag. In dat land heeft eiser immers eerder asiel aangevraagd.

8. Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder de verantwoordelijkheid voor de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

Gevaar voor refoulement?

9. Eisers betoog dat hij bij terugkeer naar Zwitserland te vrezen heeft voor refoulement, slaagt niet. Zwitserland heeft zich met het expliciete claimakkoord verplicht om eisers asielverzoek inhoudelijk te behandelen. Dit volgt uit artikel 18 van de Dublinverordening. Nu ook op Zwitserland de verplichtingen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM6 en de verschillende richtlijnen voor asielzoekers rust, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat bij overdracht van eiser aan Zwitserland ook geen sprake is van (indirect) refoulement. Net als Nederland is Zwitserland gebonden aan de Opvangrichtlijn7, de Kwalificatierichtlijn8 en de Procedurerichtlijn9. Die richtlijnen gelden niet alleen voor de procedure in Zwitserland, maar ook voor eventuele terugkeer naar Eritrea. Uit de uitspraak van het Zwitserse Bundesverwaltungsgericht (BVG) van 17 augustus 2017, waarnaar ter zitting is verwezen, blijkt ook dat Eritrese asielzoekers niet naar Eritrea kunnen worden uitgezet10. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat er gevaar dreigt van refoulement, waartegen artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest11 bescherming bieden.

10. Eisers stelling dat zijn asielaanvraag in Zwitserland reeds is afgewezen en dat de asielprocedure inmiddels is beëindigd, laat onverlet dat hij een effectief rechtsmiddel had: hij had beroep kunnen instellen bij de Zwitserse rechter. Bij ongegrondverklaring van zijn beroep had hij voorts een klacht kunnen indienen bij het EHRM12. Voor zover daadwerkelijk uitzetting naar Eritrea zou dreigen, had de weg van de voorlopige maatregel (interim measure) kunnen worden gevolgd. De gestelde omstandigheid dat eiser in Zwitserland geen beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag omdat hij pas in Nederland erachter zou zijn gekomen dat dit mogelijk was, doet aan het voorgaande niet af. Nu Zwitserland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag heeft aanvaard, staat de hiervoor beschreven rechtsgang voor eiser (opnieuw) open. Er zijn geen indicaties die erop wijzen dat eiser bij overdracht aan Zwitserland geen eerlijk proces zou krijgen en dat hij geen effectief rechtsmiddel zou hebben, als bedoeld in artikel 6 en 13 van het EVRM. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het EHRM in de zaak M.O. tegen Zwitserland. Uit dat arrest blijkt niet dat de Zwitserse asielprocedure niet deugdelijk is. Daarin is voorts overwogen dat twijfels over de effectiviteit van de nationale rechtsgang niet voldoende zijn om deze niet te benutten13.

Hardheid?

11. Nu eiser ook voor het overige geen bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening heeft ingeroepen die maken dat de overdracht van eiser naar Zwitserland van een onevenredige hardheid getuigt, concludeert de rechtbank dat verweerder in wat eiser heeft aangevoerd niet ten onrechte geen grond heeft gevonden de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser aan zich te trekken.

Slotsom

12. Het beroep is ongegrond.

13. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Verordening (EU) nr. 604/2013.

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:780), 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:881), 30 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1454) en 14 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1911).

3 Zie onder meer de uitspraken van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2159) en 15 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2219).

4 Pagina 2 van het verslag van het aanmeldgehoor van 19 oktober 2017.

5 Pagina 3 van het proces-verbaal van de politie van 19 oktober 2017.

6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

7 Richtlijn 2013/33/EU.

8 Richtlijn 2011/95/EU.

9 Richtlijn 2013/32/EU.

10 Rechtsoverweging 19 van de uitspraak van 17 augustus 2017 van het BVG, nummer D-2311/2016.

11 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

12 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

13 EHRM 20 september 2017, nr. 41282/16, par. 92 (JV 2017/176).