Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2119
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verblijfsvergunning regulier 8 EVRM, geen machtiging voorlopig verblijf, geen reden voor vrijstelling, eerder rechtmatig verblijf in NL, gezinsleven geïntensiveerd nadat rechtmatig verblijf al was verlopen. Echtgenote in verwachting. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid bij [referente] (referente)’ afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook referente is ter zitting verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij is in de periode van 14 februari 2013 tot 11 februari 2014 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘zoekjaar afgestudeerde in Nederland’.

Eiser heeft na het verlopen van deze verblijfsvergunning getracht rechtmatig verblijf in Nederland te krijgen op grond van een vergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ respectievelijk ‘arbeid als zelfstandige’, doch beide aanvragen zijn afgewezen, welke afwijzingen in (hoger) beroep hebben standgehouden.

Na 11 februari 2014 is eiser niet meer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Op [trouwdatum] 2014 is eiser gehuwd met referente.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Niet in geschil is dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referente. Er is geen sprake van een inmenging in het recht op respect voor dit gezinsleven. Op verweerder rust geen positieve verplichting om het gezinsleven hier te lande toe te staan. Verweerder acht van belang dat eiser het gezinsleven is aangegaan en heeft geïntensiveerd toen hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Voorts beschikt referente niet over voldoende middelen van bestaan en is niet gebleken van een onmogelijkheid om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Eiser wordt niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 van het mvv-vereiste vrijgesteld. Evenmin leidt toepassing van het mvv-vereiste tot een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, aldus verweerder.

3. In zijn beroepschrift en ter zitting voert eiser aan dat hij zich primair beroept op de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Gezinsherenigingsrichtlijn). Daarnaast is het besluit strijdig met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het stellen van het mvv-vereiste is in dit geval excessief formalistisch en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

4.1.

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het de vreemdeling betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

4.2.

Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.3.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en zijn gezinsleven.

Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4.4.

Volgens artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, voor zover hier van belang, houden de lidstaten in geval van afwijzing van een verzoek terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1.

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn partner op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser is niet in het bezit van een geldige mvv. Ter beantwoording van de vraag of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM recht heeft op vrijstelling van het mvv-vereiste dient de rechtbank te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en of hij zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiser. De rechtbank toetst het standpunt van verweerder dienaangaande enigszins terughoudend.

Niet in geschil is dat tussen eiser en referente sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Van inmenging in het recht op respect voor dat recht is geen sprake, aangezien de weigering eiser hier te lande verblijf toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfsvergunning te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in staat stelde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit niet ten onrechte geweigerd eiser op grond van artikel 8 van het EVRM vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder heeft daartoe redengevend kunnen achten dat eiser in Nederland een gezin heeft gesticht zonder in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning. Eiser heeft daarmee bewust het risico genomen dat hij het gezinsleven niet in Nederland zou kunnen blijven uitoefenen. Daarnaast beschikt referente ten tijde van verweerders besluitvorming niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

5.2.

Het beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn faalt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat uit deze richtlijn volgt dat hij ondanks hetgeen hiervoor is overwogen moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eisers standpunt dat uit artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verdergaande bescherming voortvloeit van het gezinsleven dan uit artikel 8 van het EVRM, volgt de rechtbank niet. Eisers stelling dat bij de totstandkoming van het besluit niet alle omstandigheden betrokken zijn, slaagt al niet omdat eiser niet heeft aangegeven welke omstandigheden niet bij verweerders beoordeling zouden zijn betrokken.

5.3.

Dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste aan eiser excessief formalistisch zou zijn, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. In het geval van eiser is immers beoordeeld of hij op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Vw 2000 en in artikel 3.71 van het Vb 2000 in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. De door eiser aangevoerde individuele omstandigheden zijn derhalve door verweerder in het bestreden besluit betrokken. Ook de beroepsgrond dat het mvv-vereiste in strijd is met artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7683) overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan alle materiële vereisten voor uitoefening van het recht op gezinshereniging voldoen, te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het mvv-vereiste. Hierdoor wordt ook geen afbreuk gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn of het nuttig effect ervan.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.