Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4474

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1438
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning 8 EVRM buiten behandeling gesteld wegens niet betalen leges. Geen reden voor vrijstelling. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, mede namens haar kinderen:

[kind 1] ,

[kind 2] ,

[kind 3] ,

tezamen eisers,

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel privéleven op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) buiten behandeling gesteld. Eiseres heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Namens eiseres is bij brief van 11 februari 2017 verzocht om nihilstelling van het griffierecht. Het griffierecht voor onderhavige zaak is voldaan op 23 januari 2018. De rechtbank oordeelt gelet op de beschikbare gegevens dat aannemelijk is gemaakt dat eiseres niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. Het reeds betaalde griffierecht zal aan eiseres worden terugbetaald.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1975. Zij heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij is moeder van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Alle kinderen zijn minderjarig. [kind 2] en [kind 3] zijn geboren in Nederland. Eiseres heeft op 15 juli 2016 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM ingediend.

4. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiseres de verschuldigde leges niet heeft betaald. Eiseres heeft een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand ten aanzien van haarzelf en haar kinderen overgelegd. Eiseres heeft echter geen andere bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op korte termijn niet in het bezit kan komen van geld waarmee de leges kunnen worden betaald. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij geen beroep kan doen op familieleden of andere in aanmerking komende derden. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om vrijstelling van leges te verlenen aan eiseres.

5. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen. Eiseres en haar kinderen hadden vrijgesteld moeten worden van de verschuldigde leges, omdat zij aantoonbaar niet over een inkomen beschikken. Eiseres heeft dit aangetoond door inkomensverklaringen van de Raad voor Rechtsbijstand van haar en haar kinderen te overleggen.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is de vreemdeling, in door verweerder te bepalen gevallen en volgens door verweerder te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag. Daarbij kan verweerder tevens bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. Artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet van toepassing.

6.1

Artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bepaalt dat vreemdelingen ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier leges verschuldigd zijn.

6.2

Onder bepaalde voorwaarden kan een vrijstelling van het legesvereiste worden gegeven. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in paragraaf B1/8.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (B). Eén van de voorwaarden is dat eisers met bewijsstukken aannemelijk moeten maken dat zij op korte termijn geen geld hebben om de leges te betalen. Daarbij moeten zij ook aannemelijk maken dat zij voor de leges geen geld kunnen krijgen van familieleden of andere in aanmerking komende derden.

Oordeel van de rechtbank

7. Op grond van artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 is eiseres leges verschuldigd voor de aanvraag.

8. Ten aanzien van de vraag of eiseres, zoals zij stelt, moet worden vrijgesteld van het betalen van leges, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand overgelegd, waaruit blijkt dat zij niet over een inkomen beschikt. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op korte termijn geen geld heeft om de leges te betalen en geen geld kan verkrijgen (lenen) via familieleden of andere in aanmerking komende derden. Nu eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het legesvereiste, heeft verweerder de aanvraag op goede gronden buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van de leges.

9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.