Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.4885
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, herhaalde asielaanvraag afgewezen, verzoek om heroverweging eerdere asielprocedure afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4885


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. G.E.M. Later),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4886, plaatsgevonden op 3 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H.C. Khanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft op 16 juni 2017 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 15 november 2015 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 23 juni 2016 afgewezen. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 25 juli 2016 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak op 15 augustus 2016 bevestigd. Het besluit van 23 juni 2016 staat daarmee in rechte vast.

3. Eiser heeft, naast de indiending van de herhaalde asielaanvraag op 16 juni 2017, bij brief van 2 maart 2017 verzocht om heroverweging van het besluit van 23 juni 2016. Volgens eiser is die procedure, kort samengevat, onzorgvuldig verlopen en heeft verweerder onder andere bij het horen van eiser geen rekening gehouden met zijn psychische klachten en het feit dat het toen Ramadan was. Er is voorts een klacht ingediend tegen de betreffende hoormedewerker van de IND. De IND heeft deze klacht ongegrond verklaard. De klacht ligt nu bij de kinderombudsman. Volgens eiser was er onvoldoende kennis bij de hoormedewerker over Afghanistan en was er geen inzicht in problemen van minderjarigen. Ook is eiser niet goed voorbereid op het verloop van de procedure en had hij destijds een advocaat die kennelijk te weinig tijd had om zijn zaak goed te behandelen. Ten aanzien van zijn herhaalde asielaanvraag stelt eiser zich op het standpunt dat de artsen van het Bureau Medische Advisering (BMA) niet geschoold zijn in de psychiatrie of in trauma. Bij eiser is door dr. Kouratovsky een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) als gevolg van meervoudige trauma vastgesteld. Dit is onder meer van belang voor de vraag of er bij uitzetting sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij eiser was dit trauma ook al aanwezig tijdens de eerste procedure maar verweerder heeft daar niet adequaat op gereageerd. Nu dit is vastgesteld dient dit te worden aangemerkt als een nieuw feit. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij bewijzen levert van wat hij als asielrelaas naar voren brengt. Hij hoeft zijn relaas slechts aannemelijk te maken. Verweerder verlangt derhalve onterecht van eiser dat hij originele documenten overlegt ter ondersteuning van zijn relaas. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat eiser vanwege de situatie in Afghanistan in het algemeen en omdat zijn vader tot een risicogroep behoorde, en eiser daarom ook, in het bijzonder, niet teruggestuurd kan worden naar Afghanistan.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Eiser heeft uitgebreid weergegeven op welke punten de vorige asielprocedure volgens hem onzorgvuldig is verlopen en waarom hij een klacht heeft ingediend tegen de hoormedewerker van de IND destijds. De rechtbank heeft hier kennis van genomen. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn standpunt dat de klachten van eiser over de zorgvuldigheid van de vorige asielprocedure geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren omdat deze klachten in die procedure ook besproken zijn en die asielprocedure in de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling niet onzorgvuldig is bevonden. Ook de verklaring van dr. Kouratovsky en de door eiser overgelegde documenten met betrekking tot de dood van zijn vader kunnen, met verwijzing naar wat hierna is overwogen onder 4.2.1 bij de bespreking van de opvolgende aanvraag, geen nieuwe feiten opleveren. Dit betekent dat verweerder het verzoek om een heroverweging niet ten onrechte heeft afgewezen. Dat eiser daarbij destijds een andere gemachtigde had die wellicht niet de benodigde tijd aan eiser heeft besteed, betreurt de rechtbank maar dit heeft geen gevolg voor dit oordeel.

4.2.1

De rechtbank begrijpt de herhaalde asielaanvraag aldus dat eiser als nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw naar voren brengt de verklaringen over de verwondingen waarmee eisers vader het ziekenhuis is binnengebracht en vervolgens is overleden en het rapport van psycholoog Kouratovsky van 22 februari 2017 waarin eiser is gediagnosticeerd met PTSS, veroorzaakt door meervoudige trauma. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verklaringen en het rapport van dr. Kouratovsky niet leiden tot een ander oordeel dan is verwoord in het eerdere besluit van 23 juni 2016. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verweerder heeft terecht verwezen naar de jurisprudentie van de Afdeling (zoals de uitspraken van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0709 en 23 mei 2011,

ECLI:NL:RVS:2011:4709) waarin is geoordeeld dat indien de authenticiteit van overgelegde documenten (zoals in deze zaak de verklaringen over de verwondingen van eisers vader) niet kan worden vastgesteld, deze documenten niet worden aanvaard als een objectieve bron die de stellingen uit het asielrelaas bevestigen. Daarvan is in deze zaak sprake. Ook blijkt uit de verklaringen dat stukken tekst en data ontbreken. Daarnaast onderbouwen de verklaringen eisers standpunt, dat zijn vader door de Taliban is vermoord, niet. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze documenten eerder in de asielprocedure in had kunnen dienen, gelet op het feit dat eiser sinds november 2015 in Nederland verblijft.

Met betrekking tot het rapport van dr. Kouratovsky van 22 februari 2017 met daarin de diagnose PTSS, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat met dat rapport niet aannemelijk is gemaakt dat eiser ten tijde van de vorige asielprocedure ook (dusdanig) leed aan PTSS dat hij daardoor niet adequaat gehoord kon worden. Het rapport levert daarom geen nieuw element of bevinding op als bedoeld in artikel 30a van de Vw. Verweerder heeft zich vervolgens eveneens terecht op het standpunt gesteld dat de herhaalde asielprocedure zich er niet voor leent om de medische toestand van eiser te onderzoeken. Daarbij heeft verweerder met juistheid gewezen op het feit dat een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM wegens medische redenen niet meer kan leiden tot het verlenen van een asielvergunning op grond van artikel 29 van de Vw, zoals is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733). Eiser kan op basis van zijn medische toestand een aanvraag indienen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Gelet hierop behoeven eisers gronden ten aanzien van het BMA-advies van 23 november 2017 geen verdere bespreking.

4.3

Voort is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in Afghanistan in het algemeen geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915). Daarin heeft de Afdeling de veiligheidssituatie in Afghanistan tot januari 2018 beoordeeld. Bij haar oordeel heeft de Afdeling zestien rapporten en documenten van internationale en Nederlandse organisaties betrokken, waaronder het UNAMA rapport van juli 2017 en het rapport van Amnesty International van 5 oktober 2017. Uit deze informatie volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan zorgelijk is en in sommige provincies verder is verslechterd. Er is echter geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Dat een aantal EU-landen de veiligheidssituatie in Afghanistan anders beoordeelt, maakt volgens de Afdeling niet dat het standpunt van de staatssecretaris niet deugdelijk is. Evenmin is in het geval van eiser sprake van het behoren tot extra kwetsbare groepen als omschreven in rechtsoverweging 5.5. van het arrest van 21 maart jl. Nu eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht is niet onderbouwd dat hij als zoon van een leraar voor specifiek geweld te vrezen zou hebben zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.5 van voornoemde uitspraak. De rechtbank ziet in eisers standpunt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in voornoemde uitspraken van de Afdeling.

5. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.