Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.4765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Bosnië, afgewezen, geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4765


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, b en h van de Vw. Daarnaast heeft verweerder aan eiser geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw in samenhang met artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) verleend. Voorts heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd en heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4766, plaatsgevonden op 3 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Bosnische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 30 januari 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft, kort samengevat, aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij medische klachten heeft. Eiser heeft PTSS-klachten en hij heeft last van een zenuwbeschadiging in zijn rechterbeen. In Bosnië-Herzegovina zal het voor hem met deze klachten onmogelijk zijn om werk te vinden. Daardoor zal hij ook geen ziektekostenverzekering kunnen afsluiten. Eiser heeft in Bosnië-Herzegovina geen netwerk en geen vaste woonplaats.

3. Verweerder heeft alleen de gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser als relevant element aangemerkt. De overige verklaringen van eiser leveren volgens verweerder geen relevante elementen op voor deze asielprocedure omdat deze verklaringen niet zijn te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft de door eiser gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder aangegeven dat Bosnië-Herzegovina aangemerkt wordt als een veilig land van herkomst. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat Bosnië-Herzegovina ten opzichte van eiser haar verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij voorkomende problemen zich niet zou kunnen wenden tot de bevoegde autoriteiten, of dat zij hem niet zouden willen helpen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de door eiser beschreven klachten geen aanleiding geven om hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Verweerder verwijst daarvoor naar de eerdere procedure omtrent de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.

4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat in het kader van de artikel 64 Vw-procedure op 24 april 2017 door Bureau Medische Advisering (BMA) een advies is uitgebracht. Eiser stelt dat zijn medicatie sinds dit advies echter is gewijzigd en dat hij nu ook depressieve klachten heeft. Verweerder is hier in deze procedure ten onrechte aan voorbij gegaan door naar het oude BMA-advies te verwijzen. Eiser wijst erop dat het BMA-advies een beperkte geldigheidsduur heeft van zes maanden en dat deze niet meer gebruikt mag worden als sprake is van een gewijzigde medische omstandigheid. Daarvan is volgens eiser sprake. Ook uit het FMMU-verslag van 6 februari 2018, dat is opgesteld ten behoeve van de asielprocedure, volgt dat er medische klachten zijn. Eiser voert voorts nog aan dat het enkele feit dat hij afkomstig is uit een veilig derde land niet betekent dat verweerder de door hem in het kader van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 64 van de Vw aangevoerde medische omstandigheden niet inhoudelijk diende te beoordelen. Ten aanzien van het inreisverbod stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet betwist dat eisers zus in Zweden woont en dat verweerder niet heeft aangegeven waarom verweerder twijfelt aan de door eiser op dit punt afgelegde verklaringen. Eiser betwist ten slotte dat de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen had mogen worden op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Eiser heeft op 14 maart 2017 een aanvraag ingediend voor het verlenen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. In dat kader heeft het BMA op 24 april 2017 een advies uitgebracht. In het BMA-advies is onder andere aangegeven dat eiser last heeft van een angst- en paniekstoornis en van PTSS en dat hij hiervoor medicijnen krijgt (citalopram en amitriptyline). Volgens het BMA zou geen medische noodsituatie ontstaan bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina. Eisers aanvraag is op grond hiervan afgewezen. Het door eiser daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 3 november 2017 ongegrond verklaard.

Eiser voert aan dat hij sinds het BMA-advies van 24 april 2017 ook depressieve klachten heeft en daarvoor het antipsychoticum quetiapine gebruikt. Gedurende de besluitvorming heeft eiser hier geen bewijsstukken van ingediend. Kort voor de zitting heeft eiser een uitdraai van zijn medische gegevens overgelegd. Met verweerder is de rechtbank hierover van oordeel dat eiser dit onredelijk laat heeft ingebracht, terwijl verweerder eiser er eerder in de procedure al op had gewezen dat hij zijn stellingen omtrent zijn gestelde gewijzigde gezondheidssituatie diende te onderbouwen. De opmerking van eiser ter zitting dat hij het niet nodig vond om eerder medische stukken te overleggen omdat verweerder zijn medische situatie niet zou hebben betwist maakt het voorgaande niet anders. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de uitdraai niet blijkt dat het BMA-advies van 24 april 2017 niet meer actueel zou zijn. De omstandigheid dat uit het FMMU-onderzoek van 6 februari 2018 blijkt dat er sprake is van medische klachten, is naar het oordeel van de rechtbank voorts onvoldoende om niet meer uit te kunnen gaan van het BMA-advies van 24 april 2017. Het FMMU-onderzoek beschrijft de klachten verder niet en is slechts bedoeld om te kunnen vaststellen of eiser gehoord kon worden in deze asielprocedure, hetgeen het geval bleek. Verweerder was, gelet op het bovenstaande, dan ook niet gehouden om een nieuw BMA-advies aan te vragen voor eiser.

5.2

Verweerder heeft daarnaast terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733) waarin is overwogen dat artikel 29, eerste lid, van de Vw een limitatieve opsomming bevat van gronden voor verlening van een asielvergunning en dat, gelet op deze opsomming, dit artikel geen grondslag biedt voor de verlening van een asielvergunning wegens de medische toestand van een vreemdeling. Dat uitzetting van de vreemdeling in sommige gevallen strijd kan opleveren met artikel 3 EVRM, doet hier niet aan af.

5.3

Verweerder heeft zich in het kader van het inreisverbod verder terecht op het standpunt gesteld dat eisers enkele verklaring dat een zus van hem in Zweden woont en dat het inreisverbod daardoor onevenredig is, niet slaagt. Het is aan eiser om zijn band met zijn zus in Zweden aan te tonen en om aan te tonen waarom hij haar niet buiten de Europese Unie zou kunnen bezoeken. Dit heeft eiser echter niet gedaan, terwijl verweerder eiser erop heeft gewezen dat hij zijn stellingen met betrekking tot zijn zus diende te onderbouwen.

5.4

Verweerder heeft eisers aanvraag eveneens terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw. Anders dan eiser betoogt, is sub h niet van toepassing omdat eiser Nederland onrechtmatig zou zijn binnengekomen, maar omdat eiser zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd - door eerst twee andere procedures te doorlopen om weer rechtmatig verblijf te krijgen, terwijl er meerdere terugkeerbesluiten waren opgelegd – en pas asiel aan te vragen toen eiser in bewaring werd geplaatst. Dat eiser met behulp van een visum naar Nederland is gekomen, staat derhalve niet ter discussie en is niet de aanleiding geweest voor toepassing van sub h van artikel 30b van de Vw, zoals blijkt uit de besluitvorming.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.