Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4456

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.4818
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3012, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Jordanië, herhaalde asielaanvraag, christelijke tatoeage, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4818


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M. Veld),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).


Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4819, plaatsgevonden op 3 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw S. Alsabti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Jordaanse nationaliteit. Eiser heeft op 20 februari 2018 een asielverzoek ingediend.

2. Eiser heeft eerder asielverzoeken ingediend. Het eerste asielverzoek dateert van
18 juli 2014. Bij besluit van 9 oktober 2014 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 23 oktober 2014 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard (AWB 14/23085). Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep aangetekend. Op 12 november 2014 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Bij

besluit van 25 november 2014 is de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen

rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit in rechte onaantastbaar is. Op 15 april 2015 heeft eiser nog een herhaalde aanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 21 april 2015 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard bij uitspraak verzonden op 22 mei 2015 (AWB 15/8277). De uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 7 juli 2015 (201504281/1/V2). Op 16 mei 2017 heeft eiser nogmaals een herhaalde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 18 mei 2017 afgewezen. Het hiertegen ingediende beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 juni 2017 ongegrond verklaard (AWB 17/10832). De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd in haar uitspraak van 17 juli 2017 (201705222/1/V2).

3. Verweerder heeft deze herhaalde aanvraag afgewezen omdat er volgens verweerder geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser tijdens het gehoor op 2 maart 2018 heeft aangegeven geen nieuw asielrelaas te hebben ten opzichte van de vorige procedure. Verweerder verwijst daarnaast naar zijn eerdere overwegingen over de gestelde bekering in de vorige procedure waarin de bekering tot het christendom ongeloofwaardig is geacht.

4. Eiser stelt zich, ten aanzien van zijn tatoeage op zijn hals achter zijn oor, op het standpunt dat verweerder deze ten onrechte niet heeft onderzocht tijdens het nader gehoor. Het betreft een christelijke tatoeage die niet te bedekken is, nog los van de vraag of dit van hem verwacht mag worden. De tatoeage is voor eiser een zeer belangrijke uiting van zijn geloof. Eiser verwijst, ten aanzien van zijn bekering, naar een uitspraak van de Afdeling van 10 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1307) waarin staat dat een eerder ongeloofwaardige bevonden bekering alsnog geloofwaardig kan worden geacht indien er alsnog inzicht in de motieven voor en het proces van bekering worden gegeven en inzichtelijk gemaakt wordt waarom iemand tot voortzetting van de bekering is gekomen. Eiser heeft tijdens zijn gehoor van 2 maart 2018 aangegeven dat zijn geloof verankerd is en dat hij zijn dagelijkse leven inricht volgens zijn geloof. Ook heeft eiser zijn kanaal op YouTube uitgebreid, ook nog na de vorige procedure. Eiser geeft daarmee inzicht in de voortzetting van zijn bekering. Ook geeft eiser inzicht in zijn motieven, namelijk dat hij zichtzelf heeft teruggevonden met Jezus. Verweerder is daar volgens eiser ten onrechte aan voorbij gegaan. Ondanks dat verweerder zijn bekering eerder als ongeloofwaardig heeft bestempeld, is eiser in het AC [plaats] mishandeld omdat hij daar wel werd gezien als bekeerling. Eiser loopt hierdoor gevaar.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Verweerder heeft terecht verwezen naar jurisprudentie waarin is geoordeeld dat het enkele hebben van tatoeages niet maakt dat de vreemdeling als christen dient te worden beschouwd en dat van zo’n persoon mag worden verwacht dat hij een dergelijke tatoeage bedekt bij terugkeer naar het land van herkomst. Eiser stelt dat hij een christelijke tatoeage in zijn hals, achter zijn oor heeft. De rechtbank stelt echter vast dat eiser deze tatoeage tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 2 maart 2018 niet heeft genoemd. Dit mocht wel van eiser verwacht worden, vooral omdat deze tatoeage voor hem een zeer belangrijke uiting van zijn geloof is en zijn bekering eerder ongeloofwaardig is bevonden. Nu eiser dit niet heeft gedaan, heeft hij met deze enkele, christelijke tatoeage niet aannemelijk gemaakt dat de tatoeage verband houdt met een oprechte bekering. Dat verweerder zelf had moeten kijken bij eiser volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, voorts geen aanleiding om de uitspraak van de Afdeling inzake het hebben van religieuze tatoeages af te wachten.

5.2

Daarnaast heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan het gestelde in de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2014. Eisers stelling dat hij zijn YouTube-kanaal heeft uitgebreid, ook nog na de vorige procedure, heeft eiser niet (met concrete voorbeelden daarvan) onderbouwd.

5.3

Eiser heeft voorts niet aangetoond dat hij is mishandeld vanwege zijn bekering. Eisers stelling dat hij in Nederland alsnog als bekeerling kan worden beschouwd ondanks dat de bekering ongeloofwaardig is bevonden en dat hij daardoor gevaar loopt, is niet onderbouwd.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.