Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4450

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.3741
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, als meerderjarige geregistreerd in Duitsland, geen authentieke identificerende documenten overgelegd, geboorteakte, naam geregistreerd in Duitsland niet overgenomen, geen cherry picking door verweerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3741


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.3742, plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is M.N. Njie als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2000 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 november 2017 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hier niet tijdig op gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte als meerderjarig heeft aangemerkt op grond van de geregistreerde gegevens in Italië en/of Duitsland. In zijn positie is het voor hem haast onmogelijk om met documenten uit zijn thuisland aan te tonen dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Voorts voert eiser aan dat sprake is van ‘cherry picking’ in die zin dat de in Duitsland geregistreerde geboortedatum van zijn alias is gekoppeld aan de geregistreerde naam in Nederland. Ten onrechte heeft verweerder geen onderzoek ingesteld naar de verschillen tussen de beide personalia.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 oktober 2016 op illegale wijze via Italië het EU-gebied is ingereisd en op 24 november 2016 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Vervolgens is eiser doorgereisd naar Duitsland en heeft ook hier een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening is gebleken dat eiser in Duitsland staat geregistreerd als [naam] (en alias), geboren op [geboortedatum 2] 1998 en van Guinee-Bissause nationaliteit. Duitsland heeft Italië op 7 september 2017 gevraagd eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Door niet te reageren, is Italië hiermee akkoord gegaan. Op 25 september 2017 hebben de Duitse autoriteiten het asielverzoek van eiser afgewezen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Deze beslissing is op 7 oktober 2017 rechtsgeldig geworden. Tot op heden heeft Duitsland eiser echter niet overgedragen aan Italië.

5.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:134) overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van de registratie in Duitsland eiser als meerderjarige heeft mogen aanmerken. Dat eiser bij zijn asielverzoek in Nederland een andere geboortedatum heeft opgegeven, doet daaraan niet af. Eiser heeft immers geen authentieke identificerende documenten overgelegd waaruit de door hem gestelde geboortedatum blijkt. Ter zitting heeft eiser evenwel aangeven in het bezit te zijn van een geboorteakte. Nog daargelaten dat hij de originele akte niet heeft overgelegd omdat hij hem naar eigen zeggen vergeten is mee te nemen naar de zitting, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder zoals ter zitting ingenomen dat een geboorteakte niet kan worden aangemerkt als een identificerend document. Dit document voldoet niet aan de vereisten zoals neergelegd in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waarin is bepaald dat documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten moeten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. Ter zitting heeft eiser immers aangegeven dat de geboorteakte niet voorzien is van een pasfoto. De rechtbank acht het overigens opmerkelijk dat eiser voor het eerst ter zitting naar voren brengt dat hij het bezit is van een geboorteakte en dat hij hierover niet eerder in zijn gehoren heeft verklaard. De verklaring van eiser ter zitting dat de geboorteakte bij zijn zus in Senegal lag, strookt bovendien niet met hetgeen hij tijdens het Aanmeldgehoor AMV heeft verklaard. Tijdens dit gehoor heeft eiser verklaard dat alle documenten die hij bezat als gevolg van een brand zijn vernietigd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser in de gelegenheid te stellen het betreffende document alsnog in het geding te brengen.

5.3.

In de omstandigheid dat de geboortedatum naar aanleiding van de bij Duitsland opgevraagde informatie is gewijzigd maar de door eiser bij zijn aanmelding in Nederland opgegeven naam niet, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van ‘cherry picking’ door verweerder. Voor de beoordeling van de vraag of Nederland moet worden aangemerkt als de verantwoordelijke lidstaat om eisers verzoek om internationale bescherming te behandelen, is blijkens artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening van belang of eiser minderjarig is. Hierbij is niet relevant onder welke naam de vreemdeling geregistreerd staat. Zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, geven vreemdelingen bij hun registratie vaak een alias op. In een dergelijk geval is het aan het land dat de asielaanvraag inhoudelijk zal beoordelen, om te bezien of de naam van de vreemdeling wordt gewijzigd of niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.