Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.3608
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verschoonbare reden voor overschrijding termijn indienen beroepsgronden vanwege onderhoud aan het digitale systeem van de rechtspraak, zwaar inreisverbod eerder uitgevaardigd, asielaanvraag, relaas geloofwaardig, Macedonië veilig land van herkomst,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3608


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).


Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.3609, plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1957 en heeft de Macedonische nationaliteit. Hij heeft op 6 februari 2018 de onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft in 1994 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen, welke in 2001 is omgezet naar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Op 21 maart 2013 is eisers verblijfsvergunning (met terugwerkende kracht) ingetrokken vanwege openbare orde aspecten en is aan eiser een inreisverbod van 10 jaar opgelegd. Eiser is in 2014 teruggekeerd naar Macedonië.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Macedonië bij de grenspolitie en de Nederlandse ambassade heeft geprobeerd te achterhalen waarom hij door Nederland is teruggestuurd naar Macedonië. Aangezien eiser geen antwoord kreeg, heeft hij de hulp van de grootste Albanese politieke partij in Macedonië, [partij 1], ingeschakeld. In die tijd heeft eiser ook regelmatig telefoontjes ontvangen van de politieke partij van [persoon 1], [partij 2], die banden had met de geheime dienst. Deze politieke partijen wilden dat eiser met hen zou samenwerken, hetgeen hij steeds heeft geweigerd. Eiser is door [persoon 2] onder druk gezet om voor hem te komen werken. Dit heeft hij ook geweigerd. Eiser was bang dat de Albanezen zouden denken dat hij voor [persoon 2] werkte. Uit angst om met de Albanezen geconfronteerd te worden, durfde hij zijn huis niet meer te verlaten. De Albanezen dachten dat eiser een spion van [persoon 2] was geworden. Tot slot heeft eiser ook telefonisch en per e-mail contact gezocht met de IND om de reden van zijn gedwongen terugkeer te achterhalen. Met een e-mail van de IND is eiser uiteindelijk naar Nederland gekomen.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en j, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2) eiser wordt onder druk gezet door politieke partijen om met hen samen te werken.

Verweerder heeft de bovenstaande relevante elementen geloofwaardig geacht.

De door eiser ondervonden problemen worden echter onvoldoende zwaarwegend geacht. Macedonië kan bovendien worden beschouwd als veilig land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in afwijking van de algehele situatie in Macedonië, er aanleiding is om aan te nemen dat Macedonië ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en derhalve in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat, indien er zich problemen voordoen in Macedonië, er voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen deze problemen de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Eiser kan dan ook niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (het Vluchtelingenverdrag) en heeft ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding voor het indienen van de beroepsgronden verschoonbaar is, nu in de avond van 1 maart 2018 wegens onderhoudswerkzaamheden de digitale diensten van rechtspraak.nl niet beschikbaar waren. Voorts is het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning destijds niet op de juiste wijze aan hem uitgereikt, waardoor het niet in werking is getreden. In eisers geval is Macedonië ten onrechte als veilig land van herkomst aangemerkt. Verweerder heeft hierbij niet in aanmerking genomen dat eiser eerder een asielprocedure heeft doorlopen en dat de problemen die hij in Macedonië heeft ondervonden, geloofwaardig zijn geacht. Eiser dient dan ook te worden aangemerkt als een verdragsvluchteling dan wel loopt bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Nu het inreisverbod is opgelegd vanwege misdrijven die zijn gepleegd in de periode 1995 - 2001, is geen sprake van een daadwerkelijk en actueel gevaar in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 in de zaak C-554/13, Z. Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377). Tot slot is het terugkeerbesluit ondeugdelijk gemotiveerd. Nu de vreemdelingenbewaring reeds is opgeheven, kan niet enkel verwezen worden naar het besluit inzake de toegangsweigering. In beroep heeft eiser nog een eigen verklaring en per post tevens een afschrift van zijn strafrechtelijke dossier in Nederland overgelegd.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

b. de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;

j. de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

7. De rechtbank overweegt als volgt omtrent de ontvankelijkheid van het beroep.

7.1.

Het beroepschrift van 21 februari 2018 bevatte niet de gronden van het beroep. Bij bericht van 22 februari 2018 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op het verzuim gewezen en verzocht dit uiterlijk op 1 maart 2018 te herstellen. In deze brief staat tevens vermeld dat de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk kan verklaren indien dit niet op tijd geschiedt. De gegeven termijn is verstreken zonder dat de gronden van het beroep zijn ingediend. Eerst op 2 maart 2018 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep aan het digitale dossier toegevoegd.

7.2.

In artikel 8 van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht (hierna: het Besluit) is bepaald dat, indien op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties, een daardoor veroorzaakte overschrijding van die termijn verschoonbaar is indien het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken van een verschoonbare reden als bedoeld in artikel 8 van het Besluit voor het overschrijden van de termijn. De rechtbank stelt vast dat op 1 maart 2018 inderdaad sprake is geweest van een verstoring van het digitale systeem van de rechtspraak, te weten onderhoud aan het digitale loket Rechtspraak van
1 maart 2018, 19.00u tot 2 maart 2018, 08:18u en onderhoud aan Mijn Rechtspraak-Bestuursrecht van 1 maart 2018, 18.30u tot 2 maart 2018, 08.26u. De verstoring, waaronder onderhoud aan het digitale systeem van de rechtspraak is begrepen, is dan ook niet aan eiser toe te rekenen. Bovendien heeft de verstoring plaatsgevonden op de laatste dag van de voor eiser geldende termijn en heeft eiser de eerstvolgende dag, te weten op 2 maart 2018, het bericht met daarin de gronden van het beroep alsnog ingediend.

7.4.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroepschrift ontvankelijk.

7.5.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013: 298), heeft de vreemdeling tegen wie een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Dat beroep kan immers nimmer leiden tot het door die vreemdeling beoogde rechtmatig verblijf. Belang bij toetsing in rechte van het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is eerst aan de orde, indien het besluit tot het uitvaardigen van het inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen of vernietigd, dan wel wanneer het inreisverbod wordt opgeheven. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1789) dient de asielaanvraag van een vreemdeling tegen wie eerder een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd dat ten tijde van die aanvraag voortduurt, mede te worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van dat inreisverbod. Vervolgens moet een afwijzing van die asielaanvraag dan mede worden begrepen als een afwijzing van het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod. De beoordeling of de vreemdeling voldoet aan de vereisten voor vergunningverlening wordt in dit geval ten volle aan de orde gesteld in het kader van de toetsing van het besluit op het verzoek om opheffing van het zware inreisverbod.

7.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepsgronden die zijn gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, betrekken bij de beoordeling van het besluit tot weigering van het verzoek om opheffing van het inreisverbod.

8.1.

Uit het uitreikingsblad behorende bij het besluit van 21 maart 2016 blijkt dat dit besluit in persoon aan de (toenmalige) advocaat van eiser is uitgereikt op 2 april 2013 omstreeks 10.15u. Voor ontvangst is getekend. De rechtbank volgt dan ook niet dat het besluit niet op de juiste wijze aan eiser is uitgereikt noch dat eiser niet bekend is met de inhoud van dit besluit. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 februari 2014 op zijn beroepschrift heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2014 is dit besluit in rechte vast komen te staan. Ter zitting is voorts gebleken dat eiser in persoon bij de zitting van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, aanwezig was.

8.2.

Bij uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:62) heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder Macedonië terecht heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. Er bestaat derhalve een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Macedonië geen internationale bescherming nodig hebben. Het ligt vervolgens op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat Macedonië in zijn specifieke omstandigheden toch niet veilig is. Eiser is hierin niet geslaagd. Dat eiser in Nederland eerder een asielprocedure heeft doorlopen en in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, maakt nog niet dat Macedonië voor hem niet veilig is, te meer nu aan eiser destijds een verblijfsvergunning is verleend op de grond dat de termijn van drie jaren om een beslissing op zijn asielaanvraag te nemen, was overschreden. Ook de omstandigheid dat eiser in Macedonië problemen heeft ondervonden die door verweerder geloofwaardig zijn geacht, maakt op zichzelf beschouwd nog niet dat Macedonië in zijn geval niet veilig is. Hierbij is van belang dat eiser geen aangifte heeft gedaan tegen de door hem ondervonden problemen noch anderszins de bescherming heeft ingeroepen van de Macedonische autoriteiten of andere instanties. Eiser heeft gesteld dat hij de bescherming van de autoriteiten niet kan inroepen, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Derhalve is niet gebleken dat de Macedonische autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden en dat het indienen van een klacht bij voorbaat kansloos zou zijn. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat Macedonië ten aanzien van hem persoonlijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

8.3.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen of maken dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Weliswaar is geloofwaardig bevonden dat eiser meerdere keren onder druk is gezet door politieke partijen en hij een keer door [persoon 2] is bedreigd, maar verder heeft hij geen problemen ondervonden met de autoriteiten in zijn land van herkomst. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft eiser ten aanzien van de door hem ondervonden problemen geen bescherming van de autoriteiten ingeroepen en is ook niet gebleken dat het vragen van bescherming bij voorbaat kansloos zou zijn. Gelet op het tijdsverloop tussen de problemen die reeds in 2015 zijn ontstaan en eisers komst naar Nederland en zijn verzoek om asiel, kan ook niet worden geconcludeerd dat deze problemen voor eiser een directe reden zijn geweest om het land te verlaten.

8.4.

De rechtbank overweegt dat nu verweerder reeds op grond van het voorgaande eisers aanvraag als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen, de vraag of verweerder in dit kader ook artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 aan zijn oordeel ten grondslag heeft kunnen leggen buiten beschouwing kan blijven.

8.5.

Op grond van artikel 62a van de Vw 2000 wordt de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis gesteld van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen. De rechtbank overweegt dat de afwijzing van de asielaanvraag tot gevolg heeft dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft het bestreden besluit dan ook mede als terugkeerbesluit mogen aanmerken. De stelling dat het terugkeerbesluit onvoldoende zou zijn gemotiveerd, volgt de rechtbank dan ook niet.

9. Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag is dan ook niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.