Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4433

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
NL18.3584
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvraag, Burundese, geen nova, niet aannemelijk gemaakt dat hij nu wel in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten staat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3584


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).


Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de verlengde asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.3585, plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is
S. Mukankusi als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Burundese nationaliteit. Hij heeft op 14 juni 2016 de onderhavige aanvraag ingediend.

Eiser is bij besluit van 21 juni 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 1 december 2006 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 6 maart 2008 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 1 juni 2010 is het door eiser ingediende beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2010 is het door eiser ingediende hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

Op 23 maart 2011 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluit van 12 mei 2011 is afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 9 december 2011 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2012 is het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 maart 2013 is het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2013 is het hiertegen ingediende hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar Burundi. Als gevolg van zijn desertie in 2003 zal hij vervolgd worden. De situatie in de Burundese gevangenissen ligt onder de internationale standaard. Zo zijn de gevangenissen overbevolkt en vindt marteling structureel plaats. Voorts is de algemene veiligheidssituatie in Burundi ernstig verslechterd. Er zijn oplopende spanningen tussen de oppositie en de regering, er vinden willekeurige arrestaties en doodseskaders plaats die in relatie staan tot etniciteit, de veiligheidsmaatregelen aan de grens zijn opgeschroefd en 250.000 mensen zijn het land ontvlucht. Vanwege zijn gemengde Tutsi/Hutu afkomst, zijn jarenlange verblijf in het Westen in samenhang met de algemene veiligheidssituatie in Burundi loopt eiser in het bijzonder een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd: brieven van [persoon 1] van 11 maart 2014 en 26 november 2014; een e-mail van [persoon 2] van 12 februari 2015; Amnesty International, ‘Just tell me what to confess to. Torture and other ill-treatment by Burundi’s police and intelligence service since april 2015’, van 24 augustus 2015; brieven van VluchtelingenWerk Nederland met bijbehorende bijlagen van 14 april 2016 over de dienstplicht, desertie en gevangenisomstandigheden in Burundi, over de veiligheidssituatie in Burundi, en over mogelijke problemen wegens de Tutsi-afkomst.

3. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. In de eerdere asielprocedures die eiser heeft doorlopen, is geoordeeld dat eiser zijn vrees voor de militaire autoriteiten vanwege zijn desertie niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de informatie die eiser bij zijn huidige aanvraag heeft overgelegd, blijkt niet dat de autoriteiten of derden specifiek naar hem op zoek zijn maar enkel dat desertie in Burundi strafbaar is gesteld en dat sprake zou zijn van actieve vervolging van deserteurs. Eiser heeft nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat juist hij in de negatieve belangstelling van de Burundese autoriteiten staat.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij wel nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit de landeninformatie en de door hem verstrekte gegevens blijkt dat de Burundese overheid meer repressief optreedt tegen deserteurs, in het bijzonder als deze naar het buitenland zijn vertrokken. Eiser heeft hiertoe mede een op zijn persoon en situatie toegespitste verklaring van een deskundige ingebracht. Ten onrechte laat verweerder de verklaring van [persoon 1] buiten beschouwing. Dat de organisatie van [persoon 1] eiser eerder heeft geholpen, maakt nog niet dat [persoon 1] dit persoonlijk heeft gedaan of dat hij onbetrouwbaar is. Eiser wijst ook op zijn gemengde etnische achtergrond hetgeen in de nieuwe situatie in Burundi tot groter gevaar leidt. Eiser verwijst voorts naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 oktober 2017, in de procedure met zaaknummers NL17.8827 en NL17.5894, waarin is overwogen dat de stelling uit het ambtsbericht dat er geen aanwijzingen zijn dat personen die terugkeren uit Europa problemen krijgen, op grond van meer recente documenten niet houdbaar is. Tot slot voert eiser aan dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in Burundi en de specifieke kenmerken van eiser, te weten zijn gemengde etnische achtergrond, zijn dienstplichtige leeftijd en de terugkeer uit Europa. Tegen die achtergrond is voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Burundi een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

6.2.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

6.3.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer bestaat om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet de bestuursrechter toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6.4.

Bij besluiten van 6 maart 2008 en 12 mei 2011 heeft verweerder overwogen dat geloofwaardig is dat eiser in 2003 is gedeserteerd, maar dat eiser zijn vrees voor de militaire autoriteiten vanwege zijn desertie niet aannemelijk heeft gemaakt en dat niet is gebleken dat juist eiser vanwege zijn gemengde Tutsi/Hutu afkomst een reëel risico op ernstige schade loopt. Deze besluiten zijn in rechte vast komen te staan.

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Door middel van de overgelegde documenten heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk in de bijzondere negatieve aandacht van de Burundese autoriteiten staat. Wat betreft de gestelde vrees voor vervolging verwijst eiser naar algemene informatie over Burundi die door verweerder reeds in de eerdere besluitvorming is betrokken, zoals de omstandigheid dat desertie strafbaar is en tot een gevangenisstraf kan leiden. Uit de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Burundi van 22 maart 2017, waarin op pagina 46 staat dat na de mislukte staatsgreep op 13 mei 2015 door generaal [generaal] deserterende militairen zijn verdwenen en vermoord, blijkt ook niet dat ten tijde van de besluitvorming in zijn algemeenheid meer repressief wordt opgetreden jegens deserteurs. Deze verdwijningen zijn concreet gelinkt aan een specifieke gebeurtenis, te weten de mislukte staatsgreep op 13 mei 2015. Hiermee heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij nu wel een reëel risico loopt om vervolgd te worden vanwege zijn desertie in 2003. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging, kan de door hem overgelegde informatie die ziet op de situatie in gevangenissen ook niet als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts onvoldoende dat de veiligheidssituatie ten tijde van de besluitvorming dermate verslechterd is dat eiser nu wel te vrezen heeft als gevolg van zijn etnische afkomst. Uit de stukken blijkt dat geweld tussen de Tutsi en de Hutu plaatsvindt en dat de veiligheidssituatie in Burundi kwetsbaar is, maar blijkt niet dat mensen met een gemengde Tutsi/Hutu afkomst in het bijzonder gevaar lopen. Wat betreft het verhoogde risico dat eiser stelt te lopen als gevolg van zijn terugkeer na een jarenlang verblijf in het Westen, overweegt de rechtbank dat de enkele verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 oktober 2017 en de bronnen die in deze uitspraak door de vreemdeling naar voren zijn gebracht, onvoldoende concreet is om een dergelijk risico te kunnen aannemen. Bij het indienen van een herhaalde aanvraag is het aan de vreemdeling zelf om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen. Uit het enkele citaat uit deze uitspraak blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat de situatie voor alle terugkeerders vanuit het Westen verslechterd is, nu het in die uitspraak slechts om één specifieke groep van terugkeerders ging. Met de overgelegde stukken heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn gemengde etnische afkomst in samenhang met de algemene veiligheidssituatie en zijn jarenlange verblijf in het Westen een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

griffier

Rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.