Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4410

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
C/09/548470 KG ZA 18-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; gedaagde is in België veroordeeld voor een gevangenisstraf en is op eigen verzoek overgebracht naar Nederland; de vordering tot invrijheidstelling wordt afgewezen nu niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat gedaagde in Belgie na het uitzitten van eenderde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/548470 / KG ZA 18-181

Vonnis in kort geding van 11 april 2018

in de zaak van

[eiser] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. K. Spee te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 28 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

[eiser] is bij vonnis van 17 oktober 2016 van de Correctionele rechtbank Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar, wegens onder andere diefstal met geweld in vereniging, het als leider deelnemen aan een criminele organisatie, valsheid in geschrifte en oplichting. [eiser] is voorts veroordeeld om aan diverse burgerlijke partijen bedragen aan schade te vergoeden. Het vonnis is op 22 oktober 2016 onherroepelijk geworden.

2.3.

Bij brief van 4 januari 2017 heeft [eiser] via een Belgische advocaat aan de Minister van Justitie in België verzocht zijn straf verder in Nederland te mogen ondergaan. De Belgische Minister heeft dit verzoek bij brief van 15 maart 2017 doorgeleid aan het Nederlandse ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarbij is meegezonden het certificaat als bedoeld in artikel 4 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.

2.4.

Op 15 mei 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leewarden onder meer geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van de uitspraak te weigeren en er geen wettelijke gronden zijn tot aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf.

2.5.

Bij brief van 26 mei 2017 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel bericht het vonnis van 17 oktober 2016 te erkennen. In deze brief is onder meer het navolgende bericht:

“Naar Nederlands recht komt een veroordeelde in beginsel in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, nadat hij tweederde deel van de aan hem opgelegde straf heeft ondergaan. Vrijlating vindt plaats onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van zijn proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast kunnen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke vrijlating worden gesteld.

De Nederlandse wetgeving kent de mogelijkheid om van bovenstaande regel af te wijken als de buitenlandse datum van voorwaardelijke invrijheidstelling vóór de Nederlandse datum ligt en deze met zekerheid of een grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat.

In dit geval heeft u aangegeven dat de datum voor voorwaardelijke vrijlating in uw land niet zeker is of met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat. Ik kan daarom geen buitenlandse datum honoreren. In dit geval is de reguliere Nederlandse regeling van toepassing.

Bij de brief was een uitreikingsblad ten behoeve van [eiser] gevoegd, met het verzoek dit aan hem uit te reiken. Hierin is onder meer vermeld dat voor [eiser] , nadat hij naar Nederland is overgebracht, de Nederlandse regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna ook: v.i.) geldt, hetgeen betekent dat hij vrij zou komen als tweederde van de straf is ondergaan. Meegedeeld is verder dat op grond van de Belgische wet- en regelgeving blijkt dat de v.i.-datum van [eiser] niet of niet met een grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat, hetgeen betekent dat hij vrij komt als hij tweederde van zijn straf heeft uitgezeten.

2.6.

Bij brief van 29 mei 2017 heeft de Minister de toenmalige Nederlandse advocaat van [eiser] op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen en is een kopie gevoegd van de hiervoor bedoelde aan [eiser] uit te reiken brief.

2.7.

Bij brief van 6 juni 2017 hebben de Belgische autoriteiten aangegeven in te stemmen met voortzetting van de procedure inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling.

2.8.

Bij besluit van 12 juni 2017 heeft de Minister beslist dat het vonnis van 17 oktober 2016 van de Correctionele rechtbank Antwerpen wordt erkend. Ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling is in het besluit opgenomen dat uit de stukken blijkt dat bij voortzetting van de tenuitvoerlegging van de sanctie in de staat van veroordeling niet zeker is bij welk deel van de straf de veroordeelde voorwaardelijk of vervroegd in vrijheid zou worden gesteld. Verder is overwogen dat, behoudens de eventuele toepassing van artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht (Sr), de veroordeelde in Nederland daarom volgens het Nederlandse recht met twee derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.

2.9.

[eiser] is op 26 juni 2017 feitelijk overgedragen en overgebracht naar de Penitentiaire Inrichting [locatie] .

2.10.

[eiser] heeft de Staat verzocht hem in vrijheid te stellen, aangezien hij in België voor vervroegde invrijheidstelling in aanmerking zou zijn gekomen. Dit verzoek is door de Minister afgewezen bij brief van 27 juli 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:

- primair: de Staat te bevelen om [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen en te houden;

- subsidiair: de Staat te bevelen om [eiser] onmiddellijk in vrijheid te stellen en te laten onder de voorwaarden als genoemd in punt 27 van de inleidende dagvaarding;

- primair en subsidiair: de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding aan [eiser] van € 80,-- per dag dat de detentie voortduurt.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

[eiser] verbleef onder zeer erbarmelijke omstandigheden in de gevangenis te [plaats] . Om die reden heeft hij verzocht over te worden gebracht naar Nederland. Op grond van de Belgische regeling ‘Voorlopige Invrijheidstelling met het oog op Landsverwijdering of Overlevering’ (VILO) zou [eiser] na eenderde van zijn straf te hebben uitgezeten voor vervroegde invrijheidstelling in aanmerking zijn gekomen. [eiser] voldoet aan alle voorwaarden voor VILO, nu hij zich heeft ingespannen voor resocialisatie en is begonnen met termijnbetalingen voor de schadevergoedingen waartoe hij is veroordeeld. Voorts heeft te gelden dat een juiste toepassing van de Wet Wederzijdse Erkenning en Tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) en het Wetboek van Strafrecht (Sr) meebrengt dat [eiser] na eenderde van zijn straf zou zijn vrijgelaten. Dit kan tevens worden afgeleid uit artikel 15 lid 7 Sr. Het is immers zeer waarschijnlijk dat [eiser] zonder voorwaarden zou zijn vrijgelaten, mits hij België zou verlaten. Er zijn geen contra-indicaties die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in de weg zouden staan. De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] gedetineerd te houden. Hij vordert daarom een voorschot op een schadevergoeding van € 80,-- per dag dat hij gedetineerd blijft.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

In de kern komt het betoog van [eiser] erop neer dat de Staat ten onrechte heeft geweigerd om de Belgische v.i.-regeling op hem toe te passen. Op grond van deze regeling dient volgens [eiser] aan hem vervroegde invrijheidstelling te worden toegekend na het ondergaan van een derde deel van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf, in het geval van [eiser] op 31 oktober 2017. In dit betoog wordt [eiser] niet gevolgd. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.3.

Op de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen binnen de Europese Unie is het Kaderbesluit van toepassing, dat in Nederland met de WETS is geïmplementeerd. Op grond van artikel 17 van het Kaderbesluit wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie, waaronder begrepen de gronden voor voorwaardelijke invrijheidstelling, beheerst door het recht van de staat waar de straf ten uitvoer wordt gelegd. De tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf wordt derhalve beheerst door het Nederlandse recht, hetgeen met zich brengt dat de Nederlandse v.i.-regeling van toepassing is.

4.4.

In artikel 17, vierde lid, van het Kaderbesluit is bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van een in een ander EU-land opgelegde vrijheidsbenemende sanctie rekening kan worden gehouden met het tijdstip waarop de veroordeelde in dat land in aanmerking zou zijn gekomen voor vervroegde invrijheidstelling. Deze bepaling heeft geleid tot de invoering van artikel 15, zevende lid, Sr, waarin is bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie kan bepalen dat de vervroegde invrijheidstelling op een eerder tijdstip plaatsvindt in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen.

4.5.

Uitgangspunt bij de toepassing van artikel 15, zevende lid, Sr is dat in Nederland slechts rekening kan worden gehouden met de v.i.-datum van het land dat de vrijheidsbenemende sanctie heeft opgelegd als 1) die datum gunstiger is dan de v.i.-datum volgens de Nederlandse regeling en 2) eerstgenoemde datum zeker is of met een grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat. Met de Staat is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat aan deze tweede voorwaarde niet is voldaan.

4.6.

[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat hij op grond van de VILO nadat hij een derde deel van zijn straf heeft uitgezeten zou zijn vrijgelaten. In dat kader verwijst [eiser] naar artikel 26 lid 2 van de Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (WER). Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:

“§2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt, voorzover de veroordeelde:

a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan

(…)

en indien hij voldoet aan de in artikel 47, §2, bedoelde voorwaarden.”

Artikel 47 § 2 van de WER luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :

1° (…)

2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;

3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;

4° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, [rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is].”

4.7.

De Staat heeft in dit kader verwezen naar een brief van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel aan de Minister, waarin een toelichting is gegeven op de wijze waarop de WER in de praktijk wordt toegepast. Op pagina 5 van deze brief is onder meer bericht dat het Belgische systeem van voorwaardelijke invrijheidstelling geen automatische invrijheidstelling kent en dat het in geen geval zo is dat een gedetineerde na het ondergaan van een bepaald deel van zijn straf in vrijheid zal worden gesteld. Bericht is voorts dat de procedure voor vervroegde invrijheidstelling pas opstart indien de veroordeelde voor de zogenaamde toelaatbaarheidsdatum (in het geval van [eiser] 31 oktober 2017) zelf een schriftelijk v.i.-verzoek heeft ingediend. De uiteindelijke beslissing om de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen is steeds een rechterlijke beslissing en een gedetineerde heeft dus geen zekerheid over het exacte tijdstip waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling een feit is, aldus de inhoud van deze brief. Op pagina 8 van de betreffende brief is aangegeven dat voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering dezelfde procedure geldt en vrijwel dezelfde voorwaarden dienen te zijn vervuld als bij de v.i.-regeling. Uit dit alles blijkt dat voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering geen automatisme is en dat de toekenning daarvan is voorbehouden aan de Belgische strafuitvoeringsrechtbank, waarbij wordt getoetst aan diverse persoons- en dossiergebonden voorwaarden. [eiser] stelt weliswaar dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 47 § 2 van de WER is voldaan, maar nu de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf verder in Nederland ten uitvoer wordt gelegd en de Belgische strafuitvoeringsrechtbank zich niet meer door middel van een toetsing aan bedoelde voorwaarden kan uitspreken, kan dit niet zonder meer worden aangenomen. De enkele stelling van [eiser] dat hij bereid zou zijn aan de voorwaarden te voldoen en hij zich inmiddels heeft ingespannen om de schadevergoeding te voldoen is onvoldoende om aan te nemen dat hij voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld. Het is niet aan de Staat om zelf inhoudelijk te toetsen of aan de betreffende voorwaarden is voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat [eiser] na een derde van het uitzitten van zijn straf zou zijn vrijgesteld op grond van de Belgische regeling inzake verwijdering van buitenlandse gedetineerden.

4.8.

Subsidiair beroept [eiser] zich op de Belgische v.i.-regeling. Zoals is overwogen onder 4.5 geldt hierbij onder meer als uitgangspunt dat de Belgische v.i.-datum met een grote mate van waarschijnlijkheid moet vaststaan. Dit uitgangspunt is aan [eiser] ook kenbaar gemaakt door middel van het zogenaamde uitreikingsblad, bedoeld onder 2.5. [eiser] heeft ter zitting weliswaar te kennen gegeven dat hij dit uitreikingsblad niet heeft ontvangen, maar dit komt de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk voor. Niet alleen gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel aan dergelijke verzoeken voldoet, maar de toenmalige advocaat van [eiser] heeft eveneens een afschrift van het uitreikingsblad toegezonden gekregen. [eiser] wordt derhalve geacht op de hoogte te zijn gesteld van de mogelijke gevolgen van de overbrenging naar Nederland met betrekking tot de datum van voorlopige invrijheidstelling.

Ook ten aanzien van de Belgische v.i.-regeling geldt dat voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van een derde deel van de straf geen automatisme is, maar dat de strafuitvoeringsrechtbank op basis van de concrete omstandigheden van het individuele geval beslist of daarvoor aanleiding bestaat. De door [eiser] aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de v.i.-datum in België met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststaat. Ook hier geldt immers dat het aan de strafuitvoeringsrechtbank is daarover te oordelen en dat een voorwaardelijke invrijheidstelling pas wordt verleend na een rechterlijke toetsing. Het feit dat [eiser] in verband met de door hem gestelde zeer slechte detentieomstandigheden heeft verzocht om verdere tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland plaats te laten vinden, maakt dit niet anders. Nu overigens niet uit berichtgeving van de Belgische autoriteiten is gebleken dat het waarschijnlijk is dat [eiser] na het ondergaan van eenderde van zijn straf zou zijn vrijgelaten, kan daar niet van worden uitgegaan. Dit brengt met zich dat niet kan worden gezegd dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt door de detentie van [eiser] voort te zetten.

4.9.

Gelet op het oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eiser] , komt het door hem gevorderde voorschot op schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking.

4.10.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.442,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

hf