Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4397

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8861
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vermindert de aan eiseres opgelegde aanslag Vpb, omdat 1) verweerder ten onrechte renteaftrek ter zake van een lening van een (voormalig) aandeelhouder heeft geweigerd en 2) verweerder de door eiseres gevormde milieuvoorziening tot een te hoog bedrag heeft laten vrijvallen in de winst. De correctie betreffende de willekeurige afschrijving op een zestal investeringen in airco-installaties, een overheaddeur en een demonteerbare keuken is naar het oordeel van de rechtbank terecht toegepast. (Beroep gegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1033
V-N 2018/32.2.1
Viditax (FutD), 16-05-2018
FutD 2018-1317 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/8861

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[B.V. X] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.A. Dresen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst van € 1.651.124 en, na verrekening van verliezen ten bedrage van € 268.291, een belastbaar bedrag van € 1.382.833 (de aanslag). Daarbij is voor € 6.188 een aftrek elders belast toegepast en bij separate beschikking € 25.253 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2016 de aanslag en daarbij gegeven beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.

Eiseres is vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigde en [persoon 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] .

Na afloop van de zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Eiseres heeft desgevraagd nadere stukken en inlichtingen verstrekt. Verweerder heeft op die nadere stukken gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens op 9 januari 2018 [getuige] als getuige gehoord. Van het getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op het van het getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal. Van de zijde van eiseres is geen reactie ontvangen. Geen van beide partijen heeft verzocht om een nadere zitting.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

Renteaftrek (Correctie I)

1. Eiseres maakt als houdstermaatschappij onderdeel uit van [groep] , een familiebedrijf gespecialiseerd in de ontwikkeling, productie en verkoop van aluminiumprofielen. Tot 18 december 2007 hield [persoon 7] ( [persoon 7] ), thans woonachtig in [buitenland] , via zijn (indirecte) houdstervennootschap [B.V. 1] 100% van de aandelen in [B.V. 2] ( [B.V. 2] ), destijds de houdstermaatschappij van [groep] .

2. Eind 2007 heeft [persoon 7] in het kader van bedrijfsopvolging een belangrijk gedeelte van zijn belang in [groep] overgedragen aan zijn neef, [neef] ( [neef] ). In verband met deze overname is eiseres opgericht. De aandelen in eiseres worden (al dan niet indirect) gehouden door [B.V. 3] (76%) en [B.V. 4] (24%).

3. Eiseres heeft op 18 december 2007 alle aandelen in [B.V. 2] gekocht. Deze overname werd gefinancierd door middel van een agiostorting, bankleningen en een lening van [B.V. 1] . De lening van [B.V. 1] betreft een 4,5% rentedragende achtergestelde lening van € 10.000.000 (de Lening).

4. De Lening is op 1 september 2008 door [B.V. 1] gecedeerd aan [persoon 7] in privé.

5. In 2008 is het resultaat van eiseres ten opzichte van voorgaande jaren sterk verminderd en in 2009 en 2010 heeft zij aanzienlijke verliezen geleden. Hierdoor is de liquiditeitspositie van eiseres verslechterd, wat tevens consequenties had voor het nakomen van de renteverplichtingen. Door deze verslechterde positie is eiseres vanaf het jaar 2009 onder toezicht van de afdeling bijzonder beheer bij ABN AMRO komen te staan.

6. Na afloop van het boekjaar 2009 heeft [persoon 7] de over dat jaar op de Lening verschuldigde rente kwijtgescholden.

7. Op 6 december 2010 hebben [persoon 7] en eiseres een allonge (de Allonge) bij de leningsovereenkomst ondertekend op basis waarvan de rente winstafhankelijk is gemaakt. Op grond van artikel B van de Allonge wordt de rente over de Lening als volgt bepaald:

“a. over de hoofdsom van de lening of hetgeen daarvan na aflossing nog resteert zal rente worden vergoed naar tijdsgelang. Met ingang van 7 januari 2010 zal de hoogte van het rentepercentage jaarlijks opnieuw worden vastgesteld en zal afhankelijk zijn van de winst van [eiseres] over het boekjaar waarop de rente betrekking heeft en zal als volgt worden bepaald:

i. 0% (nul procent) bij een ‘Winst’ lager dan of gelijk aan € 500.000 (vijfhonderdduizend euro).

ii. 4,5% (vier en half procent) bij een ‘Winst’ van meer dan € 500.000 (vijfhonderdduizend euro).

iii. 6% (zes procent) bij een ‘Winst’ van meer dan of gelijk aan € 2.000.000 (twee miljoen euro).”

In de Allonge zijn partijen ook overeengekomen dat onder het begrip ‘Winst’ het volgende moet worden verstaan:

“b. Onder “Winst” als hiervoor bedoeld wordt verstaan het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening van [eiseres] na belastingen over een bepaald boekjaar als blijkende uit de vastgestelde geconsolideerde jaarrekening van [eiseres] over het betreffende boekjaar maar vóór aftrek van de rente over de (10 mio-)lening verschuldigd over dat betreffende boekjaar.”

8. Tijdens het opstellen van de conceptjaarrekening 2011 werd uitgegaan van een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening voor belastingen van € 466.000 en een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen van € 826.000. In het resultaat na belastingen was mede begrepen een incidentele bate vennootschapsbelasting ten bedrage van € 360.000. Deze incidentele bate had betrekking op een toekomstige belastingvermindering die zou ontstaan door verliesverrekening met verwachte toekomstige resultaten van eiseres (toevoeging latentie € 65.000) en haar dochtervennootschap [dochtervennootschap 1] ( [dochtervennootschap 1] ) (toevoeging latentie € 295.000).

9. Omdat de onder 8 genoemde incidentele belastingbate pas in een toekomstig jaar tot een daadwerkelijke belastingvermindering zou leiden, hebben eiseres en [persoon 7] na onderling overleg besloten dat deze incidentele bate niet tot het begrip ‘Winst (na belasting)’ moest worden gerekend voor het bepalen van de verschuldigde rente op basis van de Allonge. Daarom zijn [persoon 7] en eiseres overeengekomen dat de rentevergoeding over 2011 dient te worden gebaseerd op het resultaat exclusief deze incidentele bate. [persoon 7] heeft dit in een aan eiseres gericht faxbericht van 2 juli 2012 (het faxbericht) vastgelegd. Het faxbericht luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

“Hierbij bevestig ik onze afspraken met betrekking tot de rente 2011 over de lening van € 10.000.000 die ik heb verstrekt aan [eiseres]:

[Eiseres] en ik zijn destijds overeengekomen dat [eiseres] rente betaalt volgens een staffel die is vastgelegd in een door ons ondertekende overeenkomst. Dat betekende dat voor het

jaar 2011 bij een resultaat van € 466.000 voor belastingen geen rente verschuldigd zou zijn. Nu doet zich het feit voor dat vanwege boekhoudkundige regels, dat wil zeggen betere

toekomstperspectieven voor [ [dochtervennootschap 1] ] en [eiseres], een incidentele bate vennootschapsbelasting is opgenomen van € 360.000. Dat zou betekenen dat er volgens het door ons opgestelde contract, op basis van een winst na belastingen van € 826.000, over het jaar 2011 toch rente verschuldigd zou zijn. Wij zijn het er over eens dat deze incidentele bate niet een bate is die wij bij het opstellen van ons contract voor ogen hadden. Daarom hebben [eiseres] en ik met betrekking tot de rentebetaling over het jaar 2011 in goed onderling overleg besloten dat deze incidentele bate niet meetelt voor de hoogte van de rentevergoeding over het jaar 2011. De rente 2011 bedraagt derhalve nihil.

Nu wordt de incidentele bate van 2011 in de komende jaren waarschijnlijk gevolgd door hogere belastinglasten, te weten in de jaren dat [eiseres] en/of [ [dochtervennootschap 1] ] de fiscale verliezen daadwerkelijk compenseren. Dat is dus als zij fiscale winst maken.

Ik verbind aan de goedkeuring de volgende voorwaarde:

de last vennootschapsbelasting voor de berekening van de hoogte van de rente (derhalve niet de aflossing) in een volgend jaar, wordt dan als volgt berekend:

een belastinglast bij [eiseres] tot aan een bedrag van € 65.000 maximaal en hij [ [dochtervennootschap 1] ] tot aan een bedrag van € 295.000 maximaal, wordt niet als last in aanmerking genomen bij de berekening van de netto winst voor de bepaling van de hoogte van de rente.”

10. Na de vastlegging van de afspraak op 2 juli 2012, maar nog voor het vaststellen van de jaarrekening 2011, is gebleken dat een herrekening van de belastingpositie over voorgaande jaren leidde tot een hogere incidentele belastingbate over 2011. Het ‘resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen’ kwam daarmee uit op € 973.000.

11. In de commerciële jaarrekening 2011 is geen rente over de lening van [persoon 7] ten laste van het resultaat gekomen.

12. Met dagtekening 8 augustus 2016 hebben eiseres en [persoon 7] een verklaring ondertekend (de Verklaring) waarin het volgende is opgenomen:

“De Overeenkomst is onder de volgende overweging tot stand gekomen:

o De eerste overweging was dat het vooruit nemen van toekomstige baten o.b.v. een verwachte winst in het volgende boekjaar, niet als een resultaat in de zin van de totstandkoming van de afspraken omtrent de rentevergoeding d.d. 6 december 2010 dient te worden gezien, mede daar deze een ‘verwachte winst’ weergeven, en geen ‘harde’ realisatie is.

o De tweede overweging was, dat de fiscale correctie over de voorgaande openstaande jaren/posities tot en met 2011, i.t.t, de eerste overweging, betrekking heeft op ‘harde’ realisatie, ofwel realisatie/afwikkeling van gedane zaken.

• Deze twee overwegingen hebben geleid tot de overeenstemming tussen partijen dat

1. de in de eerste overweging uiteengezette bate van € 295.000 NIET tot het tot renteplicht gerekende resultaat gezien behoort te worden,

2. de in de tweede overweging uiteengezette fiscale correctie van € 212.000 daarentegen WEL.

• Tevens zijn de Leninggever en Leningnemer overeengekomen in bovenstaand overleg, dat ondanks de onderlinge vaststelling dat het 2011 jaarresultaat inclusief de fiscale correctie van € 212.000 wel zou leiden tot de verplichting om over 2011 een bedrag van € 450.000 te betalen, deze rente, kwijtgescholden wordt. De reden hiervoor is enerzijds dat de druk op de liquiditeit van de Groep te groot zou worden, alsmede dit nu ‘opeisen’ van de rentevergoeding niet zou stroken met de eerst genoemde verklaring van partijen omtrent m.n. het ‘bedrijfsbelang’. Het in 2011 een duidelijk winstcijfer tonen werd op langere termijn gezien als een zakelijker groter belang voor zowel de onderneming als de Leninggever.

• Leninggever en Leningnemer verklaren, dat ten tijde van de vaststelling van de jaarrekening 2011 de situatie betreffende de bepaling van het tot stand komen van het bedrijfsresultaat na belastingen en de bovenstaande gemaakte afspraken omtrent renteverplichtingen onderling nogmaals zijn besproken, waarna de Jaarrekening 2011 is bekrachtigd door de AvA.”

13. In de aangifte vennootschapsbelasting 2011 van eiseres is ter zake van de Lening een renteaftrek in aanmerking genomen van € 450.000 met daartegenover in verband met de kwijtschelding voor hetzelfde bedrag een (informele) kapitaalstorting. Verweerder heeft deze renteaftrek niet geaccepteerd.

Milieuvoorziening (Correctie II)

14. Eiseres is sinds 1973 eigenaar van het perceel [adres] in [plaats] . Deze locatie is de bedrijfslocatie van [dochtervennootschap 2] ( [dochtervennootschap 2] ), een dochtervennootschap die is gevoegd in de fiscale eenheid met eiseres. In 1995 is een bodemonderzoek verricht op deze locatie (de bedrijfslocatie). Tijdens het onderzoek zijn zowel in de grond als in het grondwater sterke verontreinigingen met minerale oliën aangetoond. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport op 21 juni 1995, dat is ingediend bij stichting [stichting] ( [stichting] ). [stichting] heeft naar aanleiding van dit onderzoek bepaald dat een nader bodemonderzoek diende te worden uitgevoerd vóór 24 augustus 2010.

15. Eiseres heeft naar aanleiding van dit bodemonderzoek in 1997 wegens toekomstige milieukosten in de jaarrekening en aangifte vennootschapsbelasting een voorziening opgenomen (de milieuvoorziening). Ultimo 2000 bedroeg de milieuvoorziening ƒ 530.220.

16. Eiseres en de Belastingdienst hebben met dagtekening 1 november 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin met betrekking tot de milieuvoorziening het volgende is opgenomen:

“[Eiseres] heeft in 1995 een bodemonderzoek laten uitvoeren op [de bedrijfslocatie] (bedrijfsterrein van [eiseres]). Het onderzoek is uitgevoerd door [bedrijf] conform de richtlijnen van [stichting] en was gericht op het eventueel aanwezig zijn van verontreiniging van grond en grondwater. Er is vastgesteld dat de aanwezige persen olie lekken en dat hierdoor de bodem ernstig is verontreinigd, maar dat geen sprake is van urgentie. De conclusie die [stichting] heeft getrokken is dat binnen 15 jaar (dus uiterlijk in 2010) een nader onderzoek moet plaatsvinden. Door [eiseres] is een milieuvoorziening gevormd. Deze bedraagt ultimo 2000 ƒ 530.220. Bij brief van 10 juli 2002 heeft [eiseres] verzocht de milieuvoorziening ultimo 1999 op ƒ 2.250.000 te stellen.

Met [eiseres] is afgesproken dat de milieuvoorziening vanaf 2000 wordt bevroren op ƒ 250.000.

Onder de volgende voorwaarden kan de milieuvoorziening in de toekomst worden gemuteerd:

- indien door de bevoegde overheidsinstanties aan [eiseres] de verplichting (saneringsbevel) is opgelegd om te saneren of

- indien uit gedragingen van [eiseres] is gebleken dat zij het stellige voornemen tot saneren heeft.

Indien [eiseres] de milieuvoorziening muteert zal dit uitdrukkelijk en duidelijk worden aangegeven

bij de betreffende aangifte vennootschapsbelasting.

Indien echter duidelijk is dat er niet gesaneerd hoeft te worden (bijvoorbeeld naar aanleiding

van het nader onderzoek in 2010 of eerder) zal de milieuvoorziening vrijvallen ten gunste van

het resultaat.”

17. In de jaren 2006 en 2007 is in opdracht van eiseres een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is uitgevoerd door ‘ [bedrijf] ’ ( [bedrijf] ), een bedrijf dat is aangesloten bij de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn in een onderzoeksrapport van 26 januari 2007 uiteengezet (het Rapport 2007).

18. Vervolgens heeft [bedrijf] op verzoek van eiseres een plan tot bodemsanering opgesteld, gedagtekend 19 juni 2007 (het Saneringsplan). In het Saneringsplan is een viertal saneringsvarianten met bijbehorende kostenberamingen uiteengezet, oplopende van € 82.000 (goedkoopste variant) tot € 504.000 (duurste variant).

19. Naar aanleiding van het Rapport 2007 en het saneringsplan heeft eiseres besloten de milieuvoorziening te muteren en deze te baseren op de duurste saneringsvariant uit het saneringsplan, zijnde de variant die volgens eiseres de meeste kans van slagen heeft. Als gevolg daarvan heeft eiseres in zowel haar jaarrekening 2007 als in de aangifte vennootschapsbelasting 2007 de milieuvoorziening verhoogd van € 113.000 (per 1 januari 2007) naar € 504.000 (per 31 december 2007).

20. In opdracht van eiseres heeft [B.V. 5] , een internationaal advies- en ingenieursbureau gespecialiseerd in onder andere milieuadvies, vanaf 2007 meerdere metingen uitgevoerd aan de bodem. Met dagtekening 24 april 2015 heeft [B.V. 5] in dit verband een onderzoeksrapport opgesteld (het Rapport 2015).

21. Het Rapport 2015 heeft eiseres bij de Omgevingsdienst Haaglanden ingediend. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft naar aanleiding van dit rapport op 26 mei 2015 vastgesteld dat een nader onderzoek diende plaats te vinden om te kunnen vaststellen of een acute sanering noodzakelijk is.

22. Vervolgens heeft [B.V. 5] een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft naar aanleiding van dit onderzoek in haar brief van 30 mei 2016 vastgesteld dat (nog steeds) sprake is van ernstige bodemvervuiling en heeft eiseres geadviseerd een beschikking aan te vragen waarin de spoedeisendheid tot sanering formeel wordt vastgelegd. Dat eiseres een dergelijke beschikking heeft aangevraagd is niet gebleken.

23. Vanaf het jaar 2007 heeft eiseres tevens onderzoek verricht om haar twee extrusiepersen te vervangen. In verband daarmee heeft eiseres vervolgens diverse partijen, waaronder [B.V. 5] , gevraagd een stappenplan op te stellen voor het gelijktijdig met de vervanging van de extrusiepersen uit te voeren saneringstraject. Op verzoek van eiseres heeft [B.V. 5] vervolgens met dagtekening 15 april 2011 een plan van aanpak opgesteld voor eiseres waarin de verschillende saneringsstappen zijn uiteengezet (het stappenplan 2011). In het stappenplan 2011 wordt een gefaseerde aanpak voorgesteld voor het vervangen van de extrusiepersen en sanering van de grond.

24. [dochtervennootschap 2] heeft op 5 april 2011 een bod uitgebracht op een (gebruikte) extrusiepers en in diezelfde maand een offerte opgevraagd voor een andere (gebruikte) extrusiepers. Tot aanschaf van een (of meer) vervangende extrusiepers(en) is het niet gekomen.

25. Eiseres heeft de milieuvoorziening nadat deze in 2007 was verhoogd tot € 504.000, jaarlijks geïndexeerd op basis van de door het CBS gepubliceerde inflatiecijfer consumentenprijzen. Als gevolg daarvan bedraagt de voorziening ultimo 2011 € 542.000. In de aangifte vennootschapsbelasting 2011 is het bedrag van de indexatie, te weten € 38.000 aan de milieuvoorziening gedoteerd. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de milieuvoorziening ten onrechte is gevormd en in 2011 geheel dient vrij te vallen. Daarvan uitgaande heeft verweerder een winstcorrectie toegepast van € 542.000.

Willekeurige afschrijving (Correctie III)

26. Eiseres heeft in 2011 op een aantal van haar investeringen van dat jaar willekeurige afschrijving toegepast. Verweerder heeft bij de aanslagregeling over negen van de investeringen waarover eiseres willekeurig heeft afgeschreven, het standpunt ingenomen dat dit onderdelen van het gebouw betreft die op grond van de uitzondering opgenomen in artikel 13, tweede lid, letter a, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, niet in aanmerking komen voor willekeurige afschrijving. Dit betreft investeringen in airco-installaties, elektra-groepenkasten, een overheaddeur, een erkerdak en een demonteerbare keuken. In verband hiermee is bij de aanslagregeling een correctie toegepast van € 25.979.

Geschil

27. In geschil is of verweerder terecht:

  • -

    renteaftrek ter zake van de Lening heeft geweigerd;

  • -

    de milieuvoorziening tot een bedrag van € 542.000 heeft laten vrijvallen in de winst;

  • -

    de willekeurige afschrijving op een zestal investeringen in airco-installaties, een overheaddeur en een demonteerbare keuken heeft geweigerd.

Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend, verweerder bevestigend.

28. Voor de standpunten en conclusies van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Renteaftrek (Correctie I)

29. Vast staat dat het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen blijkens de vastgestelde geconsolideerde jaarrekening 2011 van eiseres € 973.000 bedraagt en is opgebouwd uit:

- een regulier bedrijfsresultaat van € 466.000 (bate I);

- een actieve belastinglatentie van € 295.000 als gevolg van een positieve winstinschatting van [dochtervennootschap 1] voor toekomstige jaren (bate II);

- een bedrag van € 212.000 als gevolg van een toename van de berekende post “te ontvangen belasting” (bate III).

30. Verweerder stelt onder verwijzing naar het faxbericht (zie onder 9), dat eiseres over 2011 geen rente aan [persoon 7] is verschuldigd geworden over de Lening. Verweerder legt het faxbericht aldus uit dat partijen hebben afgesproken dat een incidentele bate ten gevolge van boekhoudkundige regels niet wordt meegenomen in het resultaat waarop de rentevergoeding zou worden gebaseerd. Daarvan uitgaande moeten zowel bate II als bate III buiten beschouwing worden gelaten. Alsdan bedraagt de ‘Winst (na belasting)’ als bedoeld in de Allonge op grond waarvan de verschuldigdheid van de rente moet worden beoordeeld, € 466.000 en dus minder dan € 500.000, zodat eiseres geen rente is verschuldigd. Verweerder vindt voor deze uitleg van het faxbericht ondersteuning in het feit dat er in de jaarrekening 2011 ook geen rente op de Lening in aanmerking is genomen.

31. De rechtbank volgt verweerder hier niet in. Daarbij overweegt de rechtbank dat de afspraak die partijen hebben gemaakt zoals die blijkt uit het faxbericht, gelet op de letterlijke bewoording in het faxbericht, slechts betrekking heeft op de incidentele bate “wegens betere toekomstperspectieven voor [dochtervennootschap 1] en eiseres. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat die afspraak daarmee enkel ziet op bate II en, anders dan verweerder dus stelt, niet ook op bate III. Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel bate II worden gekoppeld aan de passage uit het faxbericht zoals hiervóór aangehaald. Voor de conclusie dat ook bate III daaronder dient te vallen, vindt de rechtbank, gelet ook op het verschil in aard tussen bate II en bate III die, naar eiseres onweersproken heeft aangevoerd, betrekking heeft op de Nederlandse belastbare winst over voorafgaande jaren en dus anders dan bate II betrekking heeft op gerealiseerde voordelen, onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat bij de bepaling van het resultaat waarop de rentevergoeding moet worden gebaseerd, enkel bate II buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat resultaat bedraagt alsdan € 678.000 (bate I + bate III) en dus méér dan € 500.000, zodat eiseres op basis van de leningsovereenkomst en de Allonge € 450.000 rente verschuldigd is geworden.

32. Dat in de jaarrekening 2011 van eiseres ter zake van de Lening geen rentelast is opgenomen, maakt het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft aangevoerd dat de rente niet in de jaarrekening is opgenomen, omdat die door [persoon 7] is kwijtgescholden. Ter ondersteuning van die stelling wijst eiseres onder meer op de Verklaring (zie onder 12), waarin zulks door [persoon 7] is bevestigd. Ter zitting heeft eiseres in dit verband nader verklaard dat de kwijtschelding niet expliciet is vermeld of inzichtelijk is gemaakt in de jaarrekening 2011 om, gegeven de moeilijke financiële omstandigheden waarin eiseres destijds verkeerde, een toch zo positief mogelijk beeld te schetsen voor financiers, zoals de bank, en leveranciers waarvan eiseres sterk afhankelijk is. Na afloop van de zitting heeft eiseres op verzoek van de rechtbank nog een verklaring van haar accountant overgelegd waarin deze, kort gezegd, de door eiseres geschetste gang van zaken heeft bevestigd. Tijdens het getuigenverhoor op 9 januari 2018 heeft de accountant onder ede zijn eerdere schriftelijke verklaring gestand gedaan en nader toegelicht. Hij heeft daarbij verklaard dat hem vóórdat de jaarrekening werd vastgesteld, door de directie van eiseres was meegedeeld dat de rente wel was verschuldigd, maar dat was besloten in afwijking van het faxbericht de rente kwijt te schelden. Gelet op alles wat eiseres in dit verband heeft aangevoerd en overgelegd, en de verklaringen tijdens het getuigenverhoor, acht de rechtbank de door eiseres geschetste gang van zaken aannemelijk.

33. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de renteaftrek van € 450.000 ten onrechte heeft geweigerd en Correctie I dus ten onrechte is toegepast.

Milieuvoorziening (Correctie II)

34. Vaststaat dat partijen met betrekking tot de milieuvoorziening een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (zie onder 16). Naar het oordeel van de rechtbank zijn zowel eiseres die zich ook beroept op deze vaststellingsovereenkomst, als verweerder die zulks in zijn verweerschrift ook heeft erkend, gebonden aan deze vaststellingsovereenkomst. Daarvan uitgaande overweegt de rechtbank met betrekking tot de milieuvoorziening als volgt.

35. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de milieuvoorziening vanaf het jaar 2000 wordt bevroren op ƒ 250.000 (€ 113.445) en deze in de toekomst kan worden gemuteerd, indien i) de bevoegde overheidsinstanties aan eiseres de verplichting (een saneringsbevel) hebben opgelegd om te saneren of ii) indien uit gedragingen van eiseres is gebleken dat zij het stellige voornemen daartoe heeft.

36. Niet in geschil is dat niet aan voorwaarde i) is voldaan. Er is geen saneringsbevel aan eiseres opgelegd. Partijen houdt verdeeld of is voldaan aan voorwaarde ii). Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

37. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat uit haar gedragingen (zie de hiervóór onder 14 t/m 24 weergegeven feiten) blijkt dat zij het stellige voornemen tot saneren heeft. Weliswaar blijkt uit de gedragingen van eiseres dat zij zeer actief bezig is (geweest) met het in kaart brengen van de bodemverontreiniging met mogelijke (sanerings)oplossingen. Maar de rechtbank acht de gedragingen onvoldoende om te kunnen spreken van een stellig voornemen tot saneren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres al vanaf 1995 op de hoogte is van de bodemverontreiniging en inmiddels al zo’n 22 jaar is verstreken zonder dat concreet is overgegaan tot (de opdrachtverstrekking tot) bodemsanering. Daar komt bij dat naar eiseres ter zitting heeft verklaard, zij niet beschikt over voldoende financiële middelen om de sanering te laten uitvoeren zonder dat de continuïteit van de onderneming in het gedrang komt. Gelet op dit alles acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat in 2011 of in eerdere jaren eiseres een stellig voornemen tot sanering heeft (gehad).

38. Het vorenstaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, uitgaande van het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst, de milieuvoorziening niet heeft mogen verhogen naar een bedrag boven het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van ƒ 250.000 (€ 113.445).

39. Eiseres heeft nog gesteld dat verweerder bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de milieuvoorziening akkoord is bevonden. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling. Een dergelijk vertrouwen is niet gewekt doordat de in 2007 toegepaste verhoging van de milieuvoorziening is opgenomen in de - overigens verzorgde - aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2007 en die aangifte zonder vragen van de zijde van verweerder is gevolgd. Dit geldt eveneens met betrekking tot de verzorgde aangiften Vpb voor de jaren 2008 t/m 2010 waarin de geïndexeerde voorziening was opgenomen en die ook zonder onderzoek door verweerder zijn gevolgd. Ook heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank aan de brief van verweerder van 24 november 2015 niet dat vertrouwen mogen ontlenen, reeds omdat verweerder in die brief voor wat betreft de (correctie van de) milieuvoorziening een afdoende voorbehoud heeft gemaakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in die brief niet meer kan worden gelezen dan een voorlopige standpuntbepaling door verweerder en dus niet, zoals eiseres stelt, een concrete toezegging. Gelet op het vorenstaande verwerpt de rechtbank het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

40. Gelet op wat hiervóór is overwogen kan de voorziening per ultimo 2011 niet meer bedragen dan het bedrag waarop deze in de vaststellingsovereenkomst per ultimo 2000 is bevroren, te weten € 113.445 (ƒ 250.000). Het surplus van de milieuvoorziening van € 428.555 (= € 542.000 -/- € 113.445) heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht in 2011 laten vrijvallen.

41. Wel is, nu verweerder ter zake van de milieuvoorziening bij de aanslagregeling een correctie van € 542.000 heeft toegepast (Correctie II) en daarmee de gehele voorziening heeft laten vrijvallen, die correctie € 113.445 te hoog.

Willekeurige afschrijving (Correctie III)

42. In beroep betwist eiseres Correctie III enkel voor zover die samenhangt met de investeringen in airco-installaties, de overheaddeur en de demonteerbare keuken (zie onder 26). Eiseres stelt zich op het standpunt dat op die investeringen wel willekeurig kan worden afgeschreven. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

43. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de investeringen in airco-installaties, de overheaddeur en de demonteerbare keuken naar hun aard investeringen zijn in de bedrijfsgebouwen van eiseres omdat ze daarin zijn opgegaan. Nu op grond van artikel 13, tweede lid, letter a van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 gebouwen niet tot de bedrijfsmiddelen behoren waarop willekeurige afschrijving mogelijk is, kan naar het oordeel van de rechtbank op de in geschil zijnde investeringen niet willekeurig worden afgeschreven. Voor zover eiseres meent dat met betrekking tot deze investeringen sprake is van ‘werktuigen’ als bedoeld in art. 3.30a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zodat daarop de werktuigenvrijstelling van toepassing is en als gevolg daarvan daarop toch willekeurig kan worden afgeschreven, volgt de rechtbank haar daarin niet. Dergelijke investeringen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard dienstbaar aan het gebouw, waarin zij opgaan en niet aan het productieproces, zodat van werktuigen in vorenbedoelde zin naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is.

44. Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor de onderhavige investeringen geen recht bestaat op toepassing van de willekeurige afschrijving. Verweerder heeft voor dat geval onweersproken aangevoerd dat de ter zake toegepaste correctie te laag is, hetgeen verweerder cijfermatig als volgt heeft uitgewerkt:

  • -

    Willekeurige afschrijving op de 9 investeringen € 36.258,97

  • -

    ‘Normale’ afschrijving op de 9 investeringen € 4.851,96

  • -

    Te corrigeren willekeurige afschrijving € 31.407,01

  • -

    Toegepaste correctie (Correctie III) € 25.979,00

  • -

    Te weinig gecorrigeerd (afgerond) € 5.428

45. Nu voor deze stelling van verweerder en de cijfermatige uitwerking daarvan steun is te vinden in de gedingstukken en eiseres zich ter zitting heeft aangesloten bij deze cijfermatige uitwerking van verweerder, houdt de rechtbank deze voor juist. De rechtbank volgt derhalve verweerder in zijn stelling dat de ter zake van de ten onrechte geclaimde willekeurige afschrijving toegepaste correctie € 5.428 te laag is en honoreert daarom het in dit verband door verweerder gedane beroep op interne compensatie.

Cijfermatige conclusie

46. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de aanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld en als volgt dient te worden verminderd.

  • -

    Vastgestelde belastbare winst € 1.651.124

  • -

    Af: ten onrechte gecorrigeerde renteaftrek € 450.000 -/-

  • -

    Af: te hoge correctie milieuvoorziening € 113.445 -/-

  • -

    Bij: te lage correctie willekeurige afschrijving € 5.428 +

  • -

    Nieuwe belastbare winst € 1.093.107

  • -

    Af: verrekenbare verliezen € 268.291 -/-

  • -

    Nieuwe belastbaar bedrag € 824.816

47. Met betrekking tot de heffingsrente, waartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd, overweegt de rechtbank dat deze overeenkomstig de vermindering van de aanslag dient te worden verminderd.

48. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient te worden beslist als hieronder vermeld.

Proceskosten

49. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen (de van eiseres gevraagde inlichtingen van haar accountant), 0,5 punt voor het bijwonen van het getuigenverhoor met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding, ook omdat niet is gesteld of gebleken dat eiseres in de bezwaarfase reeds om een proceskostenvergoeding heeft verzocht.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbare winst van € 1.093.107 en, na verrekening van verliezen ten bedrage van € 268.291, een belastbaar bedrag van € 824.816;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.503;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en

mr. E.J.W. Heithuis, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.