Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4393

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
C/09/548940 / FA RK 18-1531
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

internationale kinderontvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 18-1531

Zaaknummer: C/09/548940

Datum beschikking: 12 april 2018

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 februari 2018 ingekomen verzoek van:

[verzoeksters] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. A.H. van Haga te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vader,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de fax van 29 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 19 maart 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. K.M. Braun. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 26 maart 2018 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De moeder handhaaft het teruggeleidingsverzoek.

Op 29 maart 2018 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige uiterlijk voor 1 april 2018, dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze te bevelen, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar het woonadres van de moeder in [woonplaats] , Engeland, dan wel – indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen dat de vader op voornoemde datum de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Engeland, met veroordeling van de vader in de reële proceskosten van de vrouw, alsmede in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de teruggeleiding, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk (het VK).

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- Op 7 of 8 mei 2017 heeft de vader met de minderjarige de woning van partijen in het VK verlaten en is met de minderjarige naar Nederland vertrokken.

- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Britse nationaliteit en de minderjarige heeft de Nederlandse en de Britse nationaliteit.

- De moeder heeft zich op 6 oktober 2017 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 170119.

Beoordeling

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en het VK zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank het volgende gebleken. Niet in geschil is dat partijen het gezamenlijk gezag hebben over [minderjarige] en dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging en vasthouding. Evenmin is in geschil dat de ouders samen de keuze hebben gemaakt om als gezin (in dit geval moeder, vader, [minderjarige] en [naam halfzusje] , de dochter van de moeder uit een eerdere relatie) van het VK naar Nederland te verhuizen. Deze verhuizing is ook uitgevoerd. Immers, de vader is op 7 of 8 mei 2017 met [minderjarige] – met toestemming van de moeder – naar Nederland gereisd. De moeder bleef (samen met [naam halfzusje] ) nog in het VK om de laatste details van de verhuizing te regelen, zoals het leegruimen van de woning van partijen in het VK. Op 15 juni 2017 is de moeder samen met [naam halfzusje] (nu vijf jaar) naar Nederland gekomen om bij de vader in te trekken en was de verhuizing als gezin een feit. Al snel bleek dat de relatie van de ouders geen standhield en op 8 juli 2017 is de moeder met [naam halfzusje] naar het VK teruggekeerd. Vanuit het VK heeft de moeder mogelijkheden onderzocht om zich met [naam halfzusje] in Nederland te vestigen en een internationale studie te volgen in [plaatsnaam] . Op 15 augustus 2017 heeft de moeder de vader geïnformeerd dat zij niet naar Nederland zou terugkeren omdat [naam halfzusje] niet in Nederland wilde wonen. De moeder heeft er hierbij jegens vader blijk van gegeven dat zij zich ervan bewust was in een lastige positie te verkeren omdat zij op deze manier nooit haar beide kinderen bij zich zou hebben, nu [naam halfzusje] bij haar in het VK woont en [minderjarige] bij de vader in Nederland. De moeder heeft daarop aan de vader medegedeeld dat zij [minderjarige] op zou halen bij de vader om haar mee te nemen naar het VK. Hieraan heeft de vader zijn medewerking geweigerd, omdat de afspraak tussen de ouders volgens de vader was dat [minderjarige] in Nederland zou opgroeien.

De eerste vraag die voorligt is of de overbrenging van [minderjarige] door de vader ongeoorloofd is, nu de moeder dit stelt en de vader dit betwist.

De rechtbank stelt vast dat de moeder op 24 maart 2017 schriftelijk toestemming heeft gegeven aan de vader om [minderjarige] over te brengen naar Nederland. Partijen zijn het er over eens dat zij het voornemen hadden om naar Nederland te emigreren om daar als gezin een bestaan op te bouwen. Nu beide ouders de intentie hadden dat [minderjarige] met haar ouders (en [naam halfzusje] ) naar Nederland zou verhuizen en daar zou opgroeien en dit plan ook daadwerkelijk is uitgevoerd, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] door de vader. Dat de relatie tussen de ouders daarna anders is verlopen dan partijen voor ogen stond, maakt dat niet anders. Immers, als gevolg van de hiervoor geschetste gebeurtenissen is aan de voorgenomen verhuizing naar Nederland als gezin, zij het voor korte duur, uitvoering gegeven. Het is de rechtbank niet gebleken dat bij de vader sprake was van een vooropgezet plan om de samenleving in Nederland na de verhuizing direct te beëindigen zoals van de zijde van de moeder is gesuggereerd. De moeder heeft geen concrete feiten gesteld die haar suggestie op dit punt onderbouwen.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of sprake is van ongeoorloofde vasthouding.

De stelling van de vader dat de toestemming van de moeder ook zag op de omstandigheid dat de vader zich zonder de moeder met [minderjarige] in Nederland zou vestigen volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank is met de verklaringen van partijen ter zitting voldoende komen vast te staan dat het hun intentie was om als gezin in Nederland te gaan wonen. Niet is komen vast te staan dat partijen hebben besproken dat [minderjarige] ook in Nederland bij de vader zou blijven indien de moeder niet mee naar Nederland zou komen of als de relatie tussen de ouders zou eindigen. Zowel de vader als de moeder hebben ter zitting immers bevestigd dat die situatie niet besproken is omdat dat helemaal niet aan de orde was.

Van vasthouding is evenwel pas sprake indien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op dat moment in het VK zou zijn, zoals de moeder stelt. De vader betwist dit en voert aan dat

de gewone verblijfplaats van [minderjarige] door de verhuizing naar Nederland is gewijzigd van het VK naar Nederland.

De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats van het kind’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van het Verdrag een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast fysieke aanwezigheid van het kind in een staat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van die staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is (of zijn) de persoon (of personen) bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over het kind uitoefenen en voor het kind zorgen, bepalend.

In dit kader overweegt de rechtbank dat in het geval van [minderjarige] , die ten tijde van de achterhouding net een jaar oud was, de gewone verblijfplaats doorgaans de familiale omgeving van de ouder(s) met gezag bij wie het kind woont bepalend is. Een baby zoals [minderjarige] maakt noodzakelijkerwijs deel uit van de sociale en familiale kring van mensen van wie zij afhankelijk is. [minderjarige] woonde met haar beide ouders in het VK en korte tijd in Nederland. In dit verband kunnen criteria zoals de redenen voor de verhuizing van de ouders, hun talenkennis of geografische en familiale wortels relevant zijn voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] (ECLI:NL:HR:2011:BQ4833).

De rechtbank stelt vast dat beide ouders hun sociale en familiale banden vooral in hun eigen vaderland hadden, de moeder in het VK en de vader in Nederland. De rechtbank hecht daarom vooral betekenis toe aan de redenen en intentie die de ouders hadden voor hun verhuizing naar Nederland. Vast staat dat de beide ouders de intentie hadden om als gezin permanent naar Nederland te verhuizen om hier hun leven op te bouwen en dat zij daartoe ook daadwerkelijk zijn overgegaan. De verhuizing is goed overwogen en voorbereid. De vader is met [minderjarige] vooruit gereisd naar Nederland en heeft een huis gehuurd, dit huis geschilderd, ingericht en een babykamer voor [minderjarige] gemaakt. De moeder had zodoende haar handen vrij om het vertrek van het gezin uit het VK af te wikkelen. [minderjarige] verblijft sinds omstreeks 7 mei 2017 in Nederland. Tot het moment van de gestelde achterhouding op 8 juli 2017 woonde [minderjarige] zodoende twee maanden in Nederland, waarvan slechts een zeer korte periode (drie weken) met haar ouders en zus als gezin. Na het uiteengaan van partijen heeft de moeder nog nagedacht over een zelfstandig bestaan in Nederland en het volgen van een studie daar, maar heeft hiervoor niet gekozen omdat haar dochter [naam halfzusje] niet terug naar Nederland wilde verhuizen. [minderjarige] heeft zowel de Nederlandse als de Britse nationaliteit en tegen haar wordt zowel Nederlands als Engels gesproken. Nu de ouders hun intentie om als gezin naar Nederland te verhuizen daadwerkelijk hebben uitgevoerd - zij het dat het samenwonen als gezin van korte duur was - hebben zij daarmee feitelijk en bewust hun verblijfplaats als gezin naar Nederland gewijzigd en is naar het oordeel van de rechtbank ook de gewone verblijfplaats van [minderjarige] gewijzigd van het VK naar Nederland. Van ongeoorloofde vasthouding door de vader van [minderjarige] is daarom geen sprake.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige] naar het VK afgewezen. De rechtbank merkt op dat dit niet betekent dat hiermee de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in Nederland, dan wel bij de vader is bepaald. Nu partijen uit elkaar zijn en zij het niet eens zijn over bij wie [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft, dient in de bodemprocedure bij de rechtbank [plaatsnaam] te worden beslist of de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder (in het VK) of bij de vader (in Nederland) zal zijn.

Kosten

De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader tot betaling van de kosten die de moeder in verband met de ontvoering en de teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken afwijzen. Een dergelijk verzoek is, gelet op het bepaalde in artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet immers slechts voor toewijzing vatbaar wanneer de terugkeer van het kind wordt gelast, hetgeen thans niet het geval is.

Wat betreft het verzoek van de moeder tot proceskostenveroordeling zal de rechtbank de overige proceskosten compenseren als hierna vermeld, nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk, naar het Verenigd Koninkrijk;

wijst af het verzoek van de moeder tot betaling door de vader van de door haar gemaakte reis- en verblijfkosten;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, J.C. Sluymer en I. Zetstra, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2018.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.