Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4381

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8539
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage inhoudingen zvw spaarloonregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/8539

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Procesverloop

Vanaf 1 januari 2017 oefent het CAK in zaken als deze, gelet op de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK (Stb. 2016, 173), de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK of verweerder mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Bij besluit van 18 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening 2016 van eiser vastgesteld en de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2016 bepaald op € 3.943,03.

Bij besluit van 10 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1958 en woont al dertig jaar in Duitsland. Hij is voormalig beroepsmilitair en ontvangt sinds 1 april 2016 een Uitkering Gewezen Militairen (UGM) uit Nederland van Stichting Pensioenfonds ABP (het ABP). Tevens ontvangt eiser sinds 1 april 2016 een uitkering van Loyalis. Dit betreft de uitkering van de (inmiddels beëindigde) levensloopregeling, welke is omgezet naar een garantieverzekering. Eiser is op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw door het Zorginstituut Nederland per 1 april 2016 als verdragsgerechtigde aangemerkt.

Op grond van de Verordening EG 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van

29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Vo 883/2004) heeft hij recht op zorg in Duitsland ten laste van Nederland. De verzekeringsinstelling in Duitsland (“IKK Classic" te Kleve) heeft door middel van het formulier E-121 op

12 mei 2016 bevestigd dat eiser recht heeft op medische zorg in Duitsland.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening over 2016 (de periode van 1 april 2016 tot en met 31 december 2016) vastgesteld op € 3.943,03, waarvan eiser nog € 1.266,30 moet betalen. Dit besluit heeft verweerder na heroverweging gehandhaafd.

3. Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat eiser gehouden is met ingang van 1 april 2016 ingevolge de Zvw een buitenlandbijdrage te betalen. Hij woont in Duitsland en ontvangt met ingang van 1 april 2016 een uitkering vanuit Nederland. Daarom is Nederland, aldus verweerder, ingevolge de Vo 883/2004 verantwoordelijk voor de zorgkosten van eiser in Duitsland en is eiser ingevolge de Zvw op zijn beurt gehouden verweerder een bijdrage te betalen. Verweerder geeft eenmaal per maand aan de pensioeninstanties opdracht om de Zvw-bijdrage in te houden. In eisers geval heeft verweerder op 9 mei 2016 het ABP opdracht gegeven om de Zvw-bijdrage in te houden. Over de maanden april en mei 2016 is dus nog geen Zvw-bijdrage ingehouden. Voorts is achteraf gebleken dat eiser in 2016 ook een uitkering van Loyalis ontving. Loyalis heeft echter geen Zvw-bijdrage ingehouden op deze uitkering, zodat eiser over 2016 te weinig bijdrage heeft betaald en aldus in totaal nog € 1.266,30 moet betalen.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de voorlopige jaarafrekening over 2016 niet juist is vastgesteld door verweerder, nu hierbij ten onrechte is aangenomen dat op de uitkering van Loyalis geen Zvw-bijdrage is ingehouden. De voormalig werkgever van eiser -het Ministerie van Defensie- heeft eiser desgevraagd per email laten weten dat bij de inleg van de levensloopregeling bij Loyalis de premies werknemersverzekeringen reeds zijn ingehouden.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Op dit beroep zijn de Vo 883/2004, de Zvw en de Regeling zorgverzekering (de Regeling) van toepassing.

5.2

Ingevolge artikel 24 van Vo 883/2004 heeft een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gaan wonen, recht op medische zorg in het woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg.

5.3

Ingevolge artikel 30 van Vo 883/2004 mag vervolgens het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland.

5.4

Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is neergelegd in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling Zorgverzekering.

5.5

In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de buitenlandbijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.

De grondslag voor de buitenlandbijdrage bestaat (samengevat weergegeven) gelet op artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling uit drie afzonderlijke delen:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zwv;

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Wet langdurige zorg (Wlz), en verminderd met het bedrag waarop de partner van degene die de bijdrage verschuldigd is volgens de artikelen 8.9 en 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht zou hebben indien degene die de bijdrage verschuldigd is verzekerd zou zijn ingevolge de Wlz; en

c. een bijdrage berekend op basis van de geraamde gemiddelde premie voor een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw.

In artikel 6.3.1, zesde lid, van de Regeling is, voor zover relevant, bepaald dat de inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de voornoemde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser sinds 1 april 2016 onder de werking van Vo 883/2004 valt en dat hij op grond hiervan een buitenlandbijdrage aan verweerder is verschuldigd. Het geschil spitst zich toe tot de vraag of eiser vanaf 1 april 2016 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een buitenlandbijdrage is verschuldigd ten aanzien van de uitkering van Loyalis.

6.1

Voor zover eiser betoogt dat verweerder niet eerst bij het bestreden besluit met nieuwe gegevens heeft mogen komen, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank overweegt dat verweerder in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar bevoegd was om bij het bestreden besluit de motivering aan te passen en aan te vullen. Niet valt in te zien dat verweerder met het bestreden besluit de grenzen van de bestuurlijke heroverweging heeft overschreden.

6.2

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder bij het vaststellen van de voorlopige jaarafrekening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inhoudingen welke door zijn voormalig werkgever reeds zijn afgedragen aan de Belastingdienst, overweegt de rechtbank als volgt.

6.3

Feitelijk is de vraag aan de orde van welk jaarinkomen verweerder moet uitgaan bij de vaststelling van de (voorlopige) jaarafrekening voor de Zvw-bijdrage. Deze berekeningssystematiek is -voor zover relevant- hiervoor onder 5.5 uiteengezet. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3132 en van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1241) is in de Zvw en de Regeling zorgverzekering dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden. Noch de Zvw, noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.

De CRvB heeft voorts in de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4936 overwogen dat verweerder gelet op de systematiek van artikel 6.3.1 van de Regeling gebonden is aan de vaststelling van de inkomensgegevens door de Belastingdienst en ook gehouden is die te volgen voor de berekening van de buitenlandbijdrage.

6.4

De rechtbank overweegt dat verweerder bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage van eiser terecht is uitgegaan van de inkomensgegevens zoals door de Belastingdienst verstrekt. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat Loyalis de verplichte buitenlandbijdrage Zvw over 2016 heeft afgedragen aan de Belastingdienst. Voor zover eiser stelt dat Loyalis hiertoe niet is verplicht, omdat destijds bij de inleg al premies werknemersverzekeringen (waaronder Zvw) zijn ingehouden, is dit een standpunt dat zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd.

6.5

De complicatie in het geval van eiser is dat de uitkering van Loyalis feitelijk via zijn voormalig werkgever betaalbaar wordt gesteld. Deze omstandigheid heeft ertoe geleid dat verweerder niet eerder over de benodigde gegevens heeft kunnen beschikken. Voor eiser heeft deze gang van zaken ertoe geleid dat hij over 2016 een aanzienlijk bedrag moet (bij)betalen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat eiser eerst bij de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage gehouden is te betalen en voorts dat hij een verzoek kan doen om een betalingsregeling te treffen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Breda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.