Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4347

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 23949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verder heeft verweerder Armenië als beschermingsalternatief mogen tegenwerpen. Daarnaast heeft verweerder eisers (bi)seksuele voorkeur terecht als niet relevant element aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat de onderhavige beroepsprocedure zich niet leent voor een beoordeling van de asielmotieven die in beroep zijn aangevoerd. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/23949

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Garabitian en mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Het onderzoek is geschorst. De zitting is voortgezet op 1 februari 2018.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de zitting van 1 februari 2018 is J. Suleyman, tolk, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 20 april 2016 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat zijn familie vanwege hun Armeense afkomst en geloof in het christendom problemen hebben ondervonden in Irak. Eisers ouders zijn vanwege deze problemen reeds in 2012 naar Nederland gekomen. In 2016 is eiser ontvoerd vanwege zijn etnische afkomst en religie. Bij terugkeer naar zijn land van herkomst vreest hij voor terroristen.

2 Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de relevante elementen van het asielrelaas weliswaar geloofwaardig worden geacht, maar dat eiser niet kan worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag nu uit onderzoek is gebleken is dat eiser (door geboorte) de Armeense nationaliteit heeft verkregen en hierdoor in Armenië alle benodigde bescherming kan genieten. Nu eiser een meerderjarig man is, die altijd bij zijn ouders heeft gewoond, is verweerder van mening dat van hem in redelijkheid had mogen worden verwacht dat hij op de hoogte was van de nationaliteit van zijn ouders en daarmee ook van zijn eigen nationaliteit. Dit geldt te meer nu ten aanzien van zijn ouders een intrekkingsprocedure van de verblijfsvergunningen asiel is gestart wegens het verzwijgen van het hebben van de Armeense nationaliteit. Eiser had derhalve bij zijn aanvraag moeten melden dat hij door geboorte de Armeense nationaliteit bezit.

3 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt zich

– samengevat – op het standpunt dat hij verweerder niet heeft misleid omtrent zijn nationaliteit omdat hij de Armeense nationaliteit niet bezit. In het geval dat ouders de Armeense nationaliteit hebben, verkrijgt het kind bij de geboorte de Armeense nationaliteit. Echter, onvoldoende is dat eiser de nationaliteit kan verkrijgen, vereist is dat eiser de nationaliteit moet bezitten, hetgeen ook volgt uit artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn). Nu eiser de Armeense nationaliteit niet bezit, kan een vestigingsalternatief in Armenië niet worden tegengeworpen aangezien hiervoor een juridische grondslag ontbreekt. Eiser wijst er daarnaast op dat hij nog nooit in Armenië heeft gewoond en dat er geen sprake is van een connectie of nauwe band met dit land. Verder voert eiser aan dat hij vanwege zijn (bi)seksuele voorkeur in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning nu zowel in Irak als in Armenië de positie van LHBT’ers ernstig is.

4. De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst vanwege de toen nog onbekende uitkomst van de intrekkingsprocedures van de verblijfsvergunningen asiel van de ouders van eiser. Bij besluiten van 16 maart 2017 zijn de asielvergunningen van eisers ouders ingetrokken. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Bij brief van 29 mei 2017 heeft eiser deze reactie ingestuurd. Eiser stelt dat uit de beschikking van zijn ouders volgt dat zij op dit moment de Armeense nationaliteit niet beschikken, waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verweerder heeft zich bij brief van 18 juli 2017 op het standpunt gesteld dat nu eiser de Armeense nationaliteit bij de geboorte heeft gekregen, nationaliteitsverlies van zijn ouders niet automatisch tot nationaliteitsverlies bij eiser hoeft te leiden. Daarnaast heeft verweerder een verklaring van de Armeense ambassade overgelegd, waarin staat dat eiser Armeens burgerschap heeft verkregen op 16 oktober 2014, hetgeen bevestigt dat eiser de Armeense nationaliteit heeft.

5. Op 24 november 2017 is een nieuwe zittingsdatum gepland. Op 23 januari 2018 heeft de gemachtigde van eiser nadere gronden ingediend. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zijn seksualiteit geen risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou opleveren. Daarnaast geeft eiser aan op dit moment als transgender te leven en dat hij het medische proces aan het doorlopen is om vrouw te worden. Eiser stelt zich onder verwijzing naar diverse rapporten op het standpunt dat LHBT’ers en met name transgenders een kwetsbare groep vormen in Armenië. Er is daarom sprake van risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in Armenië. Verder voert eiser aan dat in Armenië weinig operaties in verband met geslachtsverandering beschikbaar zijn en dat het veranderen van geslacht juridisch niet gereguleerd is, waardoor eiser zijn proces niet zal kunnen voltooien. Eiser stelt voorts problemen in Armenië te zullen ondervinden nu hij in Armenië dienstplichtig is. Eiser verwijst tevens naar enkele stukken waaruit volgt dat hij niet beschermd zal worden indien hij zich met problemen met betrekking tot LHBT tot de Armeense autoriteiten zal wenden. Tot slot doet eiser een beroep op artikel 8 van het EVRM nu hij altijd tot het gezin van zijn ouders is blijven behoren. Daartoe voert eiser aan dat hij emotioneel afhankelijk is van zijn ouders vanwege de geslachtsverandering en dat hij zijn ouders steunt bij dagelijkse bezigheden vanwege hun medische toestand.

6. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

6.1

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd. Ingevolge artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 wordt geen rekening gehouden met deze feiten en omstandigheden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. In het nader gehoor heeft eiser de vraag van verweerder of hij de Armeense nationaliteit bezit ontkennend beantwoord. Eiser heeft dan ook nagelaten om te melden dat zijn ouders de Armeense nationaliteit bezaten en dat daarom een intrekkingsprocedure was gestart ten aanzien van zijn ouders. Daarbij is van belang dat de voornemens ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunningen van eisers ouders zijn uitgebracht voordat eiser is gehoord. Nu deze voornemens ook gevolgen voor eisers asielaanvraag hebben, heeft verweerder het niet ten onrechte niet aannemelijk geacht dat eiser zich niet van de inhoud van de voornemens heeft vergewist of kunnen vergewissen. Verder overweegt de rechtbank dat eiser een meerderjarige man is die in Irak bij zijn ouders heeft gewoond en sinds zijn komst naar Nederland weer bij zijn ouders woont, waardoor te meer geldt dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij op de hoogte was van het vorenstaande. Nu van eiser verwacht mag worden dat hij op de hoogte was van zijn nationaliteit en dat dit relevant is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, had eiser dit aan verweerder dienen te melden, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de aanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

7.2

Eiser betwist dat hij over de Armeense nationaliteit beschikt. De rechtbank volgt dit niet en verwijst daarbij naar de verklaring van de Armeense ambassade waarin staat dat eiser op 16 oktober 2014 Armeens burgerschap heeft verkregen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser enkele vraagtekens bij deze verklaring geplaatst, onder meer ten aanzien van de wijze van totstandkoming van de verklaring. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de verklaring is opgesteld op verzoek van de Dienst Terugkeer en Vertrek. De rechtbank is niet gebleken dat niet van de juistheid van voornoemde verklaring kan worden uitgegaan en is dan ook van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande afdoende heeft aangetoond dat eiser de Armeense nationaliteit bezit. Verweerder heeft Armenië als beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 31, vierde lid, aanhef en onder e van de Vw, mogen tegenwerpen. Het betoog dat eiser nog nooit in Armenië heeft gewoond en er geen sprake is van een connectie of nauwe band met dit land is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder Armenië niet als beschermingsalternatief heeft mogen tegenwerpen. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat nu eiser volwassen is, de taal spreekt en ook zijn ouders zich in Armenië dienen te vestigen, redelijkerwijs van eiser verwacht kan worden dat hij zich onder de bescherming stelt van de Armeense autoriteiten.

8. Ten aanzien van eisers (bi)seksuele voorkeur, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft gedurende de gehoren niet verklaard over zijn seksuele voorkeur. In de correcties en aanvullingen van het nader gehoor staat dat voor eiser zowel een relatie met een man of met een vrouw mogelijk zou zijn, maar dat dit in Irak niet geaccepteerd is. Ook geeft eiser aan dat hij nooit een relatie heeft gehad, dus dat hij er niet zeker van is hoe dat uit zal pakken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op deze summiere verklaring terecht geen aanleiding heeft gezien om eisers seksuele voorkeur als relevant element aan te merken. Dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht op dit punt ziet de rechtbank niet in nu eiser niet heeft verklaard biseksueel te zijn, noch dat dit een reden is geweest voor het vertrek uit zijn land van herkomst. Nu het aan eiser is om alles te verklaren wat relevant kan zijn voor zijn asielaanvraag en eiser zich niet concreet heeft uitgelaten over zijn seksuele voorkeur, heeft verweerder de positie van biseksuelen in Irak dan wel Armenië onbesproken mogen laten.

9. Op 23 januari 2018 heeft de gemachtigde van eiser nadere gronden van beroep ingediend waarin met name wordt aangevoerd dat eiser op dit moment als transgender leeft en dat hij in Armenië de dienstplicht zal moeten vervullen en dat hij daarom risico loopt op schending van artikel 3 EVRM in Armenië. De rechtbank overweegt dat deze nieuwe asielmotieven aan te merken zijn als feiten van na het bestreden besluit als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank is echter van oordeel dat in de onderhavige procedure hier geen rekening mee kan worden gehouden. Daartoe wijst de rechtbank er allereerst op dat het onderzoek ter zitting reeds een aanvang heeft genomen op 3 november 2016 en dat de onderhavige zaak vervolgens gedurende lange tijd is aangehouden. Verder is van belang dat eiser zeer kort voor de voortzetting van het onderzoek ter zitting op 1 februari 2018 nadere gronden heeft ingediend waarin voor het eerst wordt genoemd dat eiser op dit moment als transgender leeft. Een volledig en adequaat onderzoek van verweerder naar de stellingen was op deze korte termijn voor zitting niet mogelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onderhavige beroepsprocedure zich niet leent voor een beoordeling van de nadere gronden nu hiervoor nader onderzoek nodig zal zijn, hetgeen zal leiden tot een ontoelaatbare vertraging van de beroepsprocedure. Eiser dient hiertoe desgewenst een nieuwe aanvraag in te dienen.

10. De rechtbank overweegt voorts dat het beroep op artikel 8 EVRM reeds niet kan slagen nu de asielvergunningen van eisers ouders zijn ingetrokken en ook zij geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.