Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4319

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
17_6959
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2018:3106, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 65.000. De te betalen belasting bedraagt € 13.000 en is door eiseres betaald. Nadat de voorlopige aanslag is op 22 april 2017 is verminderd naar € 0, is de reeds betaalde belasting verrekend met de op 6 mei 2017 opgelegde definitieve aanslag. Deze is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 78.452 en een bedrag aan te betalen belasting van € 15.690. Over dit gehele bedrag is belastingrente berekend bij het vaststellen van de aanslag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het berekenen van de belastingrente ten onrechte geen rekening gehouden met het bedrag van € 13.000 dat reeds door eiseres was betaald. Artikel 30fc, zevende lid, van de AWR voorziet niet in een geval als het onderhavige. Op grond van de redelijke wetstoepassing en bezien in het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling dient geen belastingrente te worden berekend over een periode dat verschuldigde belasting reeds aan de belastingdienst was betaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30fc
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1408
FutD 2018-1829 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 09-07-2018
NLF 2018/1588 met annotatie van Eddo Hageman
V-N 2018/46.2.7
NTFR 2018/2066 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 17/6959

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen

[B.V. X] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor haar verlengde eerste boekjaar een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Daarbij is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2017 de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

De rechtbank heeft ter zitting aangekondigd dat de zaak zal worden verwezen naar een meervoudige kamer. Partijen hebben daarop aangegeven dat geen behoefte bestaat aan een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek ter zitting geschorst.

De rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer en het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is 22 december 2014 opgericht en heeft een verlengd eerste boekjaar dat loopt van 22 december 2014 tot en met 31 december 2015 (het boekjaar 2014/2015).

2. Met dagtekening 7 mei 2016 is op verzoek van eiseres aan haar voor het boekjaar 2014/2015 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting (de voorlopige aanslag) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 65.000. De verschuldigde belasting bedraagt € 13.000 en is op 13 mei 2016 betaald.

3. Op 31 maart 2017 heeft eiseres langs digitale weg een bericht aan verweerder verstuurd. Volgens dit bericht bedragen de belastbare winst en het belastbaar bedrag voor een boekjaar van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 € 78.452. Daarna heeft eiseres op dezelfde dag een tweede bericht gestuurd. Volgens dit bericht bedragen de belastbare winst en het belastbaar bedrag voor een boekjaar van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 € 0. Het opschrift van beide berichten luidt “Vennootschapsbelasting voorlopig (rechtbank: bedoeld zal zijn ‘voorlopige’) aanslag”

4. Op 7 april 2017 heeft eiseres voor het boekjaar 2014/2015 de aangifte vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbaar bedrag van € 78.452.

5. Naar aanleiding van het tweede op 31 maart 2017 verstuurde bericht heeft verweerder met dagtekening 22 april 2017 de voorlopige aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 0.

6. Met dagtekening 6 mei 2017 is de definitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2014/2015 conform de aangifte vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 78.452 en een te betalen bedrag aan belasting van € 15.690. De teruggaaf van € 13.000 die voortvloeide uit de vermindering van de voorlopige aanslag (zie onder 5) is verrekend met de definitieve aanslag vennootschapsbelasting.

7. Bij de definitieve aanslag vennootschapsbelasting is belastingrente berekend van € 1.211. Dat bedrag is berekend over het gehele bedrag aan verschuldigde belasting van € 15.690; er is geen rekening gehouden met de eerder betaalde belasting van € 13.000.

8. Door [bedrijf] is met betrekking tot – onder meer – belastingrente een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedaan. Het Wob-verzoek richt zich, voor zover hier van belang, op de openbaarmaking van:

“1. Alle documenten die beleid of beleidsstandpunten bevatten met betrekking tot de regeling van (…) belastingrente (…)

2. Alle documenten die beleid of beleidsstandpunten bevatten met betrekking tot ‘onredelijke gevallen’ (…)

3. Alle overige documenten die standpunten bevatten van de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën met betrekking tot de regeling van de (…) belastingrente (…) die voor de uitleg en/of toepassing van de wettelijke regeling relevant zijn.”

9. Met dagtekening 1 maart 2017 heeft de staatssecretaris van Financiën het Wob-verzoek van [bedrijf] gedeeltelijk toegewezen en zijn de volgende passages uit verslagen van de Landelijke vakgroep Formeel recht openbaar gemaakt:

“In de praktijk kan het voorkomen dat belastingrente berekend wordt over een periode dat de Belastingdienst de beschikking had over het geld. Wij hebben dan geen rente nadeel en het zou reëel zijn de in rekening gebrachte rente op verzoek te verminderen. Voorgesteld is om in het BFB een passage op te nemen om in deze specifieke gevallen de rente op verzoek te verminderen. Naschrift: er zal geen passage opgenomen worden in het BFB. Met een beroep op een redelijke wetstoepassing en het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling kunnen we uitgaan van de lijn dat we geen rente berekenen over de periode dat het geld al bij de fiscus was. Mits er geen (andere) rentevergoeding heeft plaatsgevonden bij de eerdere terugbetaling.

(...)

De belastingrente blijft ons bezig houden. De Stas heeft op Kamervragen antwoorden gegeven; zie: [website]. Goed om deze te lezen. Uit de antwoorden blijkt de strakke interpretatie die we moeten hanteren. De regeling is bewust vormgegeven zoals hij is. De lijn die tot nu toe door de lavaco’s is uitgedragen: er wordt geen beleid gemaakt. Wel kan er in incidentele gevallen aanleiding zijn om te rente te matigen gelet op de bijzonderheden (rechtbank: bedoeld zal zijn ‘bijzondere’) omstandigheden van het geval (zoals situaties waarbij rente werd berekend over periode waarin het geld al bij de fiscus stond).”

Geschil

10. In geschil is of de beschikking belastingrente naar een juist bedrag is vastgesteld.

11. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de voorlopige aanslag ten onrechte is verminderd tot nihil, omdat zij daarom niet had verzocht. Subsidiair luidt het standpunt dat bij de berekening van de belastingrente ten onrechte geen rekening is gehouden met het bedrag van € 13.000 dat door eiseres al was betaald op de voorlopige aanslag.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in rekening gebrachte belastingrente tot een juist bedrag is vastgesteld. De wet biedt geen mogelijkheid rekening te houden met het al door eiseres betaalde bedrag van € 13.000 aangezien zij had verzocht de voorlopige aanslag te verminderen tot nihil.

Beoordeling van het geschil

13. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar primaire standpunt aangevoerd dat verweerder de berichten van 31 maart 2017 (zie onder 3) ten onrechte heeft aangemerkt als verzoeken tot wijziging of vermindering van de voorlopige aanslag nu in die berichten sprake was van boekjaren die aanvingen op 1 januari 2015. Volgens eiseres is aldus niet om wijziging van de voorlopige aanslag verzocht en dient de beschikking belastingrente reeds om die reden te worden verminderd. De rechtbank kan eiseres niet in deze stelling volgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door eiseres ingezonden digitale berichten bedoeld zijn om op eenvoudige wijze de belastingdienst te verzoeken om voorlopige aanslagen op te leggen. De omstandigheid dat eiseres in haar berichten een onjuiste aanvangsdatum van haar eerste boekjaar heeft vermeld, kan verweerder niet worden tegengeworpen. Evenmin moest verweerder in deze gang van zaken aanleiding vinden om contact met eiseres op te nemen. Verweerder heeft er in redelijkheid niet aan hoeven twijfelen dat eiseres met de vermelding van een boekjaar dat loopt van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 het verlengde (eerste) boekjaar 2014/2015 heeft bedoeld. Niet valt in te zien welk ander boekjaar eiseres kan hebben beoogd in haar berichten van 31 maart 2017. Daarnaar ook gevraagd ter zitting moest zij het antwoord daarop schuldig blijven. Een en ander leidt tot het oordeel dat het primaire standpunt van eiseres faalt.

14. Gelet op het subsidiaire standpunt van eiseres ziet de rechtbank zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder bij het vaststellen van de beschikking belastingrente terecht is voorbijgegaan aan de belasting ten bedrage van € 13.000 die eiseres op 13 mei 2016 reeds had betaald op de voorlopige aanslag. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank allereerst toetsen aan de van belang zijnde wettelijke bepalingen met betrekking tot de belastingrenteregeling.

15. Artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) luidt:

“De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel – voor zoveel nodig – bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking.”

16. Artikel 30fc van de Awr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Indien met betrekking tot de (…) vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.

2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is (…) en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.

(…).

7. Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen bedrag aan belasting: het bedrag na de verrekening ingevolge:

a. artikel 15;”

17. De rechtbank stelt vast dat verweerder in beginsel in lijn met het bepaalde in de artikelen 15 en 30fc van de Awr heeft gehandeld door bij het vaststellen van de verschuldigde belastingrente rekening te houden met de voorlopige aanslag van 22 april 2017. Daarbij dient echter de kanttekening te worden gemaakt dat met het bepaalde in artikel 30fc, zevende lid, van de Awr er niet in is voorzien dat een voorlopige aanslag is opgelegd, deze nadien – al dan niet tot nihil – wordt verminderd, en daarna een definitieve aanslag naar een hoger bedrag wordt opgelegd. Artikel 30fc, zevende lid, van de Awr voorziet namelijk alleen in situaties waarin opeenvolgende voorlopige aanslagen de definitieve aanslag steeds meer benaderen. De rechtbank wijst in dit verband op de beantwoording door de staatssecretaris van Financiën op 9 september 2016 van vragen van het Tweede Kamerlid Bashir van 5 juli 2016 over (onder meer) de belastingrenteregeling:

“De verwijzing in het zevende lid van artikel 30fc (van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 30 fd, tweede lid) naar artikel 15 van de AWR houdt in dat belastingrente wordt berekend over het verschil tussen de definitieve aanslag en (onder meer) voorlopige aanslagen. Naarmate de voorlopige aanslagen die gedurende het jaar zijn opgelegd de definitieve aanslag meer benaderen wordt de grondslag voor de berekening van de belastingrente en dientengevolge het in rekening te brengen of te vergoeden bedrag aan belastingrente lager. De gehanteerde schattingsmethodiek en de laagdrempelige mogelijkheid om vooruitlopend op de aangifte de voorlopige aanslagen in op- dan wel neerwaartse richting bij te stellen dragen ertoe bij dat voorlopige aanslagen zo veel mogelijk met de definitieve aanslag overeenkomen, zodat belastingrente (vrijwel) vermeden kan worden.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, Aanhangsel, p. 4.

18. Voorts volgt uit de beantwoording van het voormelde Wob-verzoek dat op grond van de redelijke wetstoepassing en bezien in het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling geen belastingrente dient te worden berekend over de periode dat de voorlopige aanslag al aan de Belastingdienst was betaald. Dat de beantwoording van het Wob-verzoek, zoals verweerder stelt, niet Belastingdienst-breed wordt gedragen en er voor gekozen is geen passage op te nemen over beperking van de belastingrente bij het ontbreken van een liquiditeitsnadeel door de Belastingdienst in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, maakt niet dat geen sprake is van beleid waaraan ook verweerder zich heeft te houden. Voor zover verweerder stelt dat het antwoord op het Wob-verzoek is achterhaald door de beantwoording van vragen van het kamerlid De Vries van 31 maart 2017, kan de rechtbank hem niet volgen. Deze vragen zien op vergoeding van belastingrente op teveel betaalde belasting en niet op het in rekening brengen van belastingrente over perioden waarin de Belastingdienst de belasting reeds had ontvangen.

19. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de beschikking belastingrente tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dient het beroep gegrond te worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank dient de belastingrente berekend te worden over het verschil tussen het bij de definitieve aanslag vennootschapsbelasting vastgestelde bedrag aan te betalen belasting (€ 15.690) en de op de voorlopige aanslag van 7 mei 2016 reeds betaalde belasting (€ 13.000), rekening houdend met de periode waarop het reeds betaalde bedrag op rekening van de Belastingdienst heeft gestaan. Nu tussen partijen niet in geschil is dat uit deze berekening een bedrag aan belastingrente resulteert van € 207 en de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat dit bedrag onjuist is, zal de rechtbank de beschikking belastingrente verminderen tot dit bedrag.

Proceskosten

20. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.251 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de beschikking belastingrente tot een bedrag van € 207, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.251;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. T.A. de Hek, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.