Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4295

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
R.15.171
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortschieten dat gezien haar bijzondere aard buiten beschouwing wordt gelaten; dus toch een schone lei.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/150001 R

Vonnis van 12 april 2018

In de zaak van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (Colombia),

wonende [adres, postcode en woonplaats],

schuldenares.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 3 maart 2015 is ten aanzien van schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van I.M. Thomason kantoorhoudende te Zuidland, tot bewindvoerder.

1.2

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw)

schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.3

Bij e-mail van 19 februari 2018 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.4

Op 29 maart 2018 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en de schuldenares zijn ter zitting verschenen en gehoord. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 3 maart 2018 verstreken. De rechtbank

staat daarmee thans voor de vraag of schuldenares gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenares kan worden toegerekend.

2.2

De rechter-commissaris heeft schuldenares gedurende de periode 3 maart 2015 (datum toelating) tot 4 mei 2017 ontheffing verleend van de sollicitatieplicht. Daarna is niet opnieuw ontheffing verleend. Schuldenares heeft wel enige sollicitatie inspanningen verricht (open sollicitaties), maar niet op de wijze zoals in de WSNP van haar moet worden gevergd. Dit laat zich echter verklaren. Schuldenares is een alleenstaande moeder met twee kinderen. Uit overlegde stukken blijkt het volgende.

Haar dochter die momenteel 11 jaar oud is, zit op een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, heeft veel begeleiding nodig en kan niet naar gewone buitenschoolse opvang. Haar zoon, die momenteel vijf jaar oud is, heeft op alle gebieden een ontwikkelingsachterstand, is niet in staat tot motorische activiteiten die bij zijn leeftijd passend zijn, heeft last van insulten en zijn groei verloopt niet leeftijdsadequaat. Hij dient regelmatig medische onderzoeken en behandelingen te ondergaan, waarbij schuldenares aanwezig dient te zijn. De zoon heeft dagbesteding bij een gespecialiseerd kinderdagcentrum. Hij behoeft zeer veel hulp en ondersteuning. Buiten de uren waarop de zoon in het kinderdagcentrum is, ontvangt schuldenares daarbij geen hulp en kan zij niet terugvallen op een sociaal vangnet.

Buiten de uren waarop de kinderen naar school en het kinderdagcentrum gaan, dient schuldenares dus zelf voor hen aanwezig te zijn. Gedurende de uren dat de kinderen daar wel naar toe gaan, dient schuldenares ook regelmatig beschikbaar te zijn voor begeleiding bij medische onderzoeken en behandelingen en in verband met incidenten. Bij schuldenares bestaat bovendien de angst dat indien zij haar kinderen geen optimale verzorging en ondersteuning biedt, zij hen zal kwijtraken.

Ondanks dat schuldenares vanaf 4 mei 2017 (tot 3 maart 2018) is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht en dit haar kan worden toegerekend omdat zij met deze plicht bekend was, is de rechtbank van oordeel dat hetgeen hiervoor is vermeld, maakt dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de tekortkoming buiten beschouwing dient te blijven. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de overige verplichtingen correct zijn nagekomen. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen en van zodanige redenen zijn ook niet gebleken. De rechtbank zal beslissen zoals hierna vermeld. Kort gezegd brengt deze beslissing mee dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van schuldenares eindigt met de zogenoemde “schone lei”.

2.3

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenares toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- bepaalt dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard buiten beschouwing blijft;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares zijn geëindigd op 3 maart 2018;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 3.201,47 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting), voor zover de boedel toereikend is;

- stelt het vastrecht vast op € 617,-, voor zover de boedel toereikend is.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2018 in tegenwoordigheid van C.D. Woodley, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.