Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4272

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
NL17.9457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing eerste asielaanvraag. Geloofwaardigheid gestelde seksuele gerichtheid. Zorgvuldigheid gehoor. Jeugdige leeftijd. Culturele achtergrond. Kennis van vervolging LHBT’s in Irak en van LHBT-gemeenschap in Nederland. Werkinstructie 2015/9 en seksuele gerichtheid als taboe. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.9457


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verheijen).

Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tweemaal aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Karem. Tevens was aanwezig S. Berbee van stichting NIDOS. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 12 december 2015 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij door zijn broer is mishandeld en gevangengezet nadat die ontdekte dat hij een homoseksuele relatie had.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet en de problemen die hij naar aanleiding daarvan stelt te hebben ondervonden evenmin.

3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert aan dat verweerder bij het afnemen van het aanvullend nader gehoor, waarin zijn seksuele gerichtheid aan de orde is geweest, onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn jeugdige leeftijd. Volgens eiser heeft verweerder de gestelde vragen ten onrechte niet anders geformuleerd dan bij een volwassene en blijkt ook uit het rapport van het gehoor dat eiser de vragen niet begreep. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser geen rekening gehouden met zijn culturele achtergrond en het feit dat eiser zich schaamde om over zijn seksuele gerichtheid te vertellen. Ook heeft verweerder volgens eiser onvoldoende doorgevraagd waar zijn antwoorden in eerste instantie niet duidelijk waren.

5. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Deze vinden geen bevestiging in het rapport van het aanvullend nader gehoor. In dit rapport komt tot uiting dat eiser uitgebreid is bevraagd over de aspecten van zijn relaas en dat deze bevraging is ingericht met het stellen van korte en begrijpelijke vragen in een duidelijke verdeling van onderwerpen. Eiser gaat op die vragen inhoudelijk in, waaruit blijkt dat hij de vragen heeft begrepen. Gelet op eisers leeftijd ten tijde van dit gehoor – eiser was toen ruim zestien jaar oud – mocht verweerder dat ook verwachten. Eiser heeft aan het einde van het gehoor, waar zijn gemachtigde bij aanwezig was, verklaard dat hij tevreden was over het verloop ervan. In de correcties en aanvullingen heeft hij geen aanleiding gezien om daarop terug te komen.

6. Verder blijkt uit het rapport van het aanvullend nader gehoor dat verweerder bij aanvang van dit gehoor aan eiser heeft uitgelegd dat het belangrijk is voor de beoordeling van zijn asielaanvraag om volledige en geloofwaardige verklaringen af te leggen over zijn asielrelaas en dat zijn verklaringen vertrouwelijk worden behandeld, zodat hij in vrijheid kan spreken. Om die reden had het voor eiser duidelijk moeten zijn geweest dat hij niet langer terughoudend kon zijn om over zijn seksuele gerichtheid te vertellen. Dat schaamte hem daarvan alsnog zou hebben weerhouden, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft het immers wel aangedurfd om in de richting van zijn advocaat openhartig te zijn en bovendien blijkt uit het gehoorrapport dat eiser verklaringen heeft afgelegd over diverse intieme onderwerpen, zoals de afspraken met zijn vriend in Irak en de contacten in Nederland via een datingsite.

7. Verder blijkt uit het rapport van het aanvullend nader gehoor dat verweerder, anders dan eiser stelt, wel aspecten van eisers culturele achtergrond in de vraagstelling heeft betrokken. Zo is aan eiser gevraagd in hoeverre het in Irak normaal was om als jongen een relatie te hebben met een andere jongen en wat hem daarover door de maatschappij en zijn school en zijn familie werd verteld (pagina’s 5 en 10). Ook blijkt uit het gehoorrapport dat verweerder bij diverse antwoorden van eiser die onvoldoende duidelijk waren heeft doorgevraagd, bijvoorbeeld over ‘het gevoel’ dat eiser kreeg toen hij zich bewust werd van zijn seksuele gerichtheid (pagina’s 9 en 10).

8. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte van hem verlangt dat hij uitgebreide kennis heeft van de bestraffing van homoseksuelen in Irak en van de LHBT-gemeenschap in Nederland. Eiser stelt dat hij geen middelen had om zich daarin te verdiepen en dat hij nog maar kort in Nederland is.

9. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. In een land als Irak waarin algemeen bekend is dat homoseksualiteit wordt bestraft, is het immers niet vereist om te beschikken over financiële middelen om te weten te komen hoe dat gebeurt. Verweerder heeft dan ook terecht in de beoordeling betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij zich in Irak al bewust was van zijn geaardheid en contact had met andere homoseksuelen. Langs die weg hij de gevraagde kennis kunnen vergaren. Verder verbleef eiser ten tijde van het aanvullend nader gehoor al anderhalf jaar in Nederland en heeft hij verklaard dat hij actief was op een datingsite, zodat niet valt in te zien dat hij geen kennis kon vergaren over de Nederlandse LHBT-gemeenschap. De rechtbank volgt ook niet de stelling van eiser dat verweerder een stereotype beeld hanteert van homoseksuelen door te veronderstellen dat die veelvuldig festiviteiten bezoeken, nu verweerder dat niet als zodanig aan eiser heeft tegengeworpen. Verweerder heeft overwogen dat eiser zich kennelijk niet heeft verdiept in de Nederlandse situatie voor homoseksuelen. Dit had hij bijvoorbeeld ook kunnen doen door contact te zoeken met belangenorganisaties.

10. Ook voert eiser aan dat de door verweerder gehanteerde systematiek voor het beoordelen van een asielrelaas waarin het gaat om seksuele gerichtheid (Werkinstructie 2015/9) gebrekkig is, omdat die er te weinig rekening mee houdt dat homoseksualiteit taboe kan zijn. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling, omdat in deze werkinstructie de algemene Werkinstructie 2014/10 over de geloofwaardigheidsbeoordeling van toepassing is verklaard. In die algemene werkinstructie is opgenomen dat verklaringen van de vreemdeling mede worden beoordeeld in het licht van algemene informatie die beschikbaar is over het land van herkomst, waaronder dus mogelijk de omstandigheid dat homoseksualiteit in een taboesfeer verkeert. Dit laat overigens onverlet dat van eiser mag worden verwacht om overtuigende verklaringen af te leggen over zijn seksuele geaardheid, nu hij zich daarop beroept in het kader van een asielaanvraag.

11. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2706), de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2016 (zaaknummer NL16.1730, niet gepubliceerd), de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 oktober 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:6663) en ter zitting op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 2 oktober 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:5233) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 mei 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:7755).

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de Afdeling onvoldoende vergelijkbaar is met het geval van eiser, nu anders dan in deze zaak onvoldoende vragen waren gesteld over het proces van bewustwording en zelfacceptatie. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam onvoldoende vergelijkbaar is met eisers geval, omdat anders dan in het geval van eiser sprake was van inconsistente verklaringen over het moment van bewustwording en een vraagstelling die op dat onderwerp onvoldoende aansloot bij de belevingswereld van de jeugdige vreemdeling. Ten aanzien van de uitspraak van zittingsplaats Middelburg heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat deze uitspraak niet op eisers geval kan worden toegepast, omdat de beoordeling in deze zaak was gemaakt met de oude en gebrekkige beoordelingssystematiek. Ten aanzien van eisers beroep op de uitspraak van zittingsplaats Arnhem oordeelt de rechtbank dat dit beroep niet opgaat, omdat daarin is geoordeeld dat onvoldoende was gemotiveerd hoe rekening was gehouden met medische beperkingen van de vreemdeling, die bij eiser niet aanwezig zijn. Het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Haarlem gaat evenmin op, omdat deze zaak niet handelt over seksuele gerichtheid, maar over een traumatische ervaring (verkrachting).

13. De conclusie is dat verweerder eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Nu bij de beoordeling daarvan de eigen verklaringen van de vreemdeling over diens proces van bewustwording en zelfacceptatie doorslaggevend zijn, kan de ter zitting door eiser overgelegde brief van zijn begeleider in de opvanglocatie aan deze conclusie niet afdoen.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.