Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4260

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: M. Ibrahim).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor de aanvraag van een chauffeurskaart bij [B.V.] B.V. te [plaats].

Binnen de terugkijktermijn van vijf jaar, vermeerderd met 4 maanden en 15 dagen vanwege een voorlopige hechtenis, zijn in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens over eiser geregistreerd:

  • -

    Op 4 juli 2016 is eiser in eerste aanleg vrijgesproken wegens drie gevallen van diefstal in vereniging met braak (artikel 310 juncto artikel 311 lid 1 ahf/sub 4juncto artikel 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht). Op 15 juli 2016 is de officier van justitie hiertegen in hoger beroep gegaan;

  • -

    Op 7 mei 2015 is eiser in eerste aanleg veroordeeld. Op 7 juni 2016 is eiser in hoger beroep wegens poging tot diefstal in vereniging met braak (artikel 311 lid 1 ahf/sub 4 juncto artikel 311 lid 1 ahf/sub 5 juncto artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) veroordeeld tot een dag gevangenisstraf en 120 uren taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 22 juni onherroepelijk geworden.

Aangezien eiser voorkomt in het JDS binnen de terugkijktermijn heeft verweerder zijn gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS ontvangen. Hieruit blijkt dat eiser in 2011 en 2012 in aanraking is gekomen met justitie vanwege poging tot diefstal in vereniging met braak, diefstal in vereniging en diefstal met braak. Eiser is hiervoor veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen en werkstraffen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de strafbare feiten een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd, zodat is voldaan aan het objectieve criterium. Vermogensdelicten vormen indien herhaald een risico voor de veiligheid van goederen alsmede voor de veiligheid van gelden waarmee eiser in de uitoefening van de functie in aanraking komt. Dit risico kan tot uitdrukking komen in diefstal van de eiser ter beschikking staande goederen en gelden. Voorts weegt volgens verweerder het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder dan het belang van eiser bij de afgifte van een VOG (subjectieve criterium).

3. Eiser voert aan dat verweerder volgens de Beleidsregels dient uit te gaan van de wijze hoe een zaak in eerste aanleg is afgedaan. Ook in het onderhavige geval dient verweerder uit te gaan van een vrijspraak en daaraan voldoende betekenis toe te kennen. Er is niet langer sprake van de verdenking van een strafbaar feit, maar van een vrijspraak door de rechtbank in eerste aanleg. Tevens is het algemeen beleid dat verweerder bij alle aanvragen uitgaat van de uitspraak in eerste aanleg, ook in die gevallen dat hoger beroep is ingesteld door de aanvrager van een VOG. Het zou in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel indien dit anders zou zijn als de officier van justitie in hoger beroep is gegaan tegen de vrijspraak. Voorts voert eiser aan dat in het licht van de verlengde terugkijktermijn wel degelijk gesproken kan worden van een aanzienlijk tijdsverloop dat in zijn voordeel had moeten meewegen. De laatste veroordeling voor een strafbaar feit dateert van meer dan tweeëneenhalf jaar geleden. De pleegdatum van de feiten waarvoor hij is vrijgesproken in juli 2016 dateren eveneens van medio 2015, meer dan tweeëneenhalf jaar geleden. Nadien heeft hij persoonlijk veel positieve ontwikkelingen meegemaakt. Hij heeft zijn leven in alle opzichten positief veranderd. Hij is inmiddels 26 jaar, volwassen geworden en heeft zich de afgelopen jaren weten los te maken uit een verkeerd milieu met foute vrienden. Hij heeft via een uitzendbureau werk gevonden als magazijnmedewerker/orderpicker bij de Albert Heijn. Na een reeks tijdelijke contracten zonder vaste uren is deze detacheringsovereenkomst opgezegd en kan hij daar niet meer aan het werk. Hij maakt daarom op dit moment noodgedwongen gebruik van een bijstandsuitkering. De kans dat hij nogmaals met justitie in aanmerking zal komen, is nihil, althans is in voldoende mate afgenomen om de toewijzing van een VOG te rechtvaardigen.

Eiser voert daarnaast aan dat gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf van 1 dag verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het feit van mei 2015 hem niet licht is aangerekend. Ook heeft verweerder ten onrechte geen acht geslagen op de overweging van de rechter in het vonnis waarin in het bijzonder acht wordt geslagen op de goede weg die hij reeds was ingeslagen. Tevens voert eiser aan dat verweerder zijn persoonlijke belangen bij de afgifte van een VOG onvoldoende heeft meegewogen en onvoldoende betekenis heeft toegekend aan zijn zwaarwegende persoonlijke belangen in samenhang met alle positieve ontwikkelingen sinds zijn laatste veroordeling. Het behalen van zijn chauffeurspas is een droombaan voor hem en biedt een positief toekomstperspectief. Hij kan onmiddellijk aan het werk in het taxibedrijf van zijn broer en kan later mede-eigenaar worden.

Ten slotte voert eiser aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomen.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan het objectieve criterium.

In het kader van de toetsing aan het subjectieve criterium kan verweerder desondanks besluiten tot afgifte van een VOG. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval geen aanleiding hoeven zien om daartoe over te gaan. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat de VOG eveneens geweigerd zou zijn wanneer het justitiële gegeven van 15 juli 2015 niet op het JDS van eiser zou voorkomen, omdat de veroordeling van 7 mei 2015 reeds voldoende is om de VOG te weigeren. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uitgaande van de veroordeling van 7 mei 2015 het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG, zodat reeds hierom de VOG kon worden geweigerd. Verweerder heeft daarbij acht mogen slaan dat dit feit niet licht is afgedaan, nu eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag en een hoge taakstraf. Ook is op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam, sprake van beperkt tijdsverloop en zijn er meerdere relevante justitiële gegevens die binnen en buiten de terugkijktermijn vallen. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overweging in het vonnis van de rechter dat eiser zijn leven een andere wending probeert te geven en aan een recidive vrije toekomst werkt door middel van het volgen van een leer/werk-traject onvoldoende houvast biedt om te concluderen dat de kans op herhaling niet aanwezig is. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.