Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4259

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
6250013 \ RL EXPL 17-20751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens inbeslagneming auto na verdenking strafbaar feit en sepot OM afgewezen.

OM heeft in de gegeven omstandigheden voldoende zorgvuldig en tijdig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

vR

Rolnr. 6250013 \ RL EXPL 17-20751

27 februari 2018

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S. Ramautar,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon De Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J. Perenboom.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 14 augustus 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

Na de conclusie van antwoord is een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De comparitie van partijen is gehouden op 16 november 2017. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Een schikking is niet bereikt.
De uitspraak van het vonnis is bepaald op 12 december 2017 en nader bepaald op heden.

1 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1

[eiser] is op 18 juni 2015 aangehouden door de Koninklijke Marechaussee in de nabijheid van Eindhoven Airport op verdenking van witwassen. Op diezelfde datum is [eiser] tweemaal gehoord en is de personenauto van [eiser] , een [auto] (hierna ook: de auto), in beslag genomen.

1.2

Op 8 juli 2015 heeft de advocaat die destijds voor [eiser] optrad een e-mailbericht verstuurd aan de behandelend officier van justitie, mr. G.H.M. Broeren. Dit bericht luidt, voor zover van belang, als volgt.
"[…] wij spraken elkaar reeds vorige week telefonisch over inbeslagname van zijn auto […]. Cliënt overhandigde de Marechaussee reeds de nodige stukken met betrekking tot zijn inkomens- en vermogenspositie. U kon mij nog niet vertellen of die informatie al een ander licht op het bezit van de auto hadden doen schijnen. […] Inmiddels verstreek weer enige tijd. Op verzoek van cliënt stuur ik u bijgaand een conceptklaagschrift toe. Cliënt heeft mij verzocht dit klaagschrift in te dienen als wij niet uiterlijk morgen zouden mogen vernemen dat hij zijn auto terug mag ontvangen. […]"

1.3

Diezelfde dag heeft de behandelend officier van justitie per e-mail als volgt geantwoord:
"N.a.v. onderstaande mail heb ik u telefonisch geprobeerd te bereiken. Aangezien dat niet lukte heb ik uw voicemail ingesproken."

1.4

Op 11 juli 2015 heeft de advocaat van [eiser] op dit bericht per e-mail gereageerd. Deze e-mail heeft zij geadresseerd aan de behandelend officier en aan de heer [M] van de Marechaussee. Het bericht luidt, voor zover van belang:
"Voor de goede orde bevestig ik graag de ontvangst van het in onderstaande e-mail genoemde voicemail bericht. Uit het bericht begreep ik het volgende.
De heer [M] zal nagaan of de prijs die de heer [eiser] zegt in 2010 bij de Staatsloterij te hebben gewonnen inderdaad aan hem is uitgekeerd. Indien de Staatsloterij dit bevestigd, dan moet het er – gezien alle overige stukken die eerst aan de Marechaussee en vervolgens aan het Openbaar Ministerie zijn toegestuurd – voor worden gehouden dat […] zijn inkomens- en vermogenspositie de aanschaf van de inbeslaggenomen Mercedes toeliet. Deze auto dient dan aan cliënt te worden teruggegeven.
Allereerst dank ik de heer [B] voor dit duidelijke bericht.
Vervolgens wil ik de heer [M] verzoeken haast te maken met het opvragen van de betreffende informatie. Direct na de inbeslagneming heeft cliënt u over deze prijs geïnformeerd. Daags na de inbeslagneming gaf hij u reeds een kopie van het winnaarsformulier en liet u hem weten de uitkering van de prijs te zullen verifiëren. […] Terwijl u vanaf het eerste moment duidelijk was wat er moest worden onderzocht, moest u daar – zo leid ik uit het bericht van [de behandelend officier van justitie] af – op woensdag 8 juli jl. nog toe overgaan. Daarmee wordt cliënt in zijn belangen geschaad. Hij maakt kosten voor vervangend vervoer. En indien hij op 20 juli a.s. niet over zijn auto kan beschikken, lopen de kosten in verband met ophanden verlovingsfestiviteiten alleen maar verder op. […]".

1.5

Op 4 september 2015 heeft een derde en laatste verhoor van [eiser] plaatsgevonden met betrekking tot de tegen hem gerichte verdenking.

1.6

Op 8 september 2015 is besloten tot teruggave van voormelde auto aan [eiser] . Op 15 september 2015 is de auto daadwerkelijk aan [eiser] teruggegeven.

1.7

De strafzaak tegen [eiser] is geseponeerd, met als reden dat er onvoldoende wettig bewijs is. Bij brief van 26 september 2015 is [eiser] daarvan in kennis gesteld.

1.8

[eiser] heeft op 6 december 2015 bij de rechtbank Oost-Brabant een verzoekschrift ingediend strekkende tot verkrijging van schadevergoeding op grond van artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierin heeft hij verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt door de beslaglegging op zijn auto (huur auto, vliegreizen, autoverzekering, wegenbelasting, uitlijnen auto, totaal € 4.622,55), om compensatie in verband met stress die het beslag heeft veroorzaakt (€ 25.000,-), om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand (€ 4.690,51) en kosten in verband met het inschakelen van een boekhouder (€ 1.210,-).

1.9

Bij beschikking van 14 juni 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant beslist op dit verzoek. In de beschikking staat vermeld dat de officier van justitie excuses heeft aangeboden voor het verloop van het onderzoek tegen verzoeker en dat hij zich niet heeft verzet tegen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank heeft een bedrag toegekend van € 5.230,51 als vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten van rechtsbijstand en als vergoeding voor de kosten van het indienen van het verzoekschrift. Verder heeft de rechtbank geen bedragen toegekend. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat vergoeding van schade door de inbeslagneming van de auto niet mogelijk is op grond van strafvorderlijke wettelijke regelingen en dat [eiser] zich daarvoor moet wenden tot de civiele rechter.

1.10

De door [eiser] ingeschakelde gemachtigde heeft de Staat gesommeerd tot betaling van de volgens [eiser] door hem als gevolg van de inbeslagneming van de auto geleden schade.

2 Vordering

2.1

[eiser] vordert, na vermindering van eis bij gelegenheid van de comparitie van partijen, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.211,86, alsmede een bedrag van Turkse Lira 1.540,-, met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 en met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

2.2

Daartoe stelt hij dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de auto niet eerder aan hem terug te geven. Daardoor heeft hij schade geleden tot een bedrag van € 4292,55 en Turkse Lira 1.540,-. Die schade bestaat volgens [eiser] uit kosten die hij gemaakt heeft om vervangend vervoer te regelen, zowel in Nederland als naar en in Turkije. Ook heeft hij kosten gemaakt voor zijn autoverzekering en de wegenbelasting, die achteraf geen nut hadden. Zijn auto bleek verder bij teruggave schade te hebben, waardoor hij opnieuw moest worden uitgelijnd. Ten slotte heeft hij zijn boekhouder moeten betalen voor diens werkzaamheden om de herkomst van de gelden aan te tonen.

2.3

Verder heeft [eiser] buitengerechtelijke kosten gemaakt tot een bedrag van € 806,62. [eiser] vordert de vergoeding van die kosten.

2.4

De wettelijke rente vanaf de datum van de eerste incassobrief, 29 augustus 2016, tot een met 13 februari 2017 beloopt een bedrag van € 112,69.

3 Verweer

3.1

De Staat verweert zich tegen de vordering. Primair betwist de Staat de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid uit hoofde van een onrechtmatige daad. Subsidiair betwist de Staat de (de hoogte van) de door [eiser] gevorderde schadebedragen.

3.2

Op het verweer wordt hierna, zo nodig, ingegaan.

4 Beoordeling

4.1

Voor de beantwoording van de vraag of de wijze van afhandeling van de inbeslagname een onrechtmatige daad van de Staat jegens [eiser] oplevert geldt als uitgangspunt dat de Staat uitsluitend aansprakelijk worden gehouden voor toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden, waaronder inbeslagneming, als de bevoegdheden zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten, of indien achteraf blijkt dat de verdenking op grond waarvan de bevoegdheden zijn toegepast ten onrechte heeft bestaan.

4.2

Weliswaar is de strafzaak tegen [eiser] door de officier van justitie geseponeerd, maar dat betekent, gelet op de reden van dat sepot: ‘onvoldoende wettig bewijs’, geenszins dat daarmee is gegeven dat achteraf is gebleken dat de verdenking tegen [eiser] ten onrechte heeft bestaan. In zoverre is er dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen door de Staat. [eiser] heeft dat ook niet aangevoerd.

4.3

In deze procedure staat vast dat de inbeslagneming van de auto van [eiser] in overeenstemming met de wet heeft plaatsgevonden. Er bestond immers een terechte verdenking van een strafbaar feit, waarvan die auto mogelijk deel uitmaakte. Dat is aan [eiser] meegedeeld en van die inbeslagname heeft [eiser] een kennisgeving van inbeslagname ontvangen. In zoverre is geen sprake geweest van toepassing van bevoegdheden door het OM in strijd met de wet en dus van een onrechtmatige daad van de Staat jegens [eiser] .

4.4

Resteert de vraag of het OM de bevoegdheden rond de inbeslagneming en teruggave van de auto heeft toegepast met veronachtzaming van fundamentele vereisten van geschreven of ongeschreven recht.

4.5

[eiser] heeft in dit kader aangevoerd dat de onrechtmatigheid wat hem betreft is gelegen in het feit dat de inbeslagneming veel langer heeft voortgeduurd dan nodig was. De tegen [eiser] gerichte verdenking van witwassen was volgens hem vrij snel ontzenuwd. Toch kreeg [eiser] de onder hem in beslag genomen auto niet meteen na die ontzenuwing terug. Hij acht daarbij van belang dat reeds in de eerste week van juli 2015 inhoudelijk werd gesproken tussen de raadsvrouw van [eiser] en het Openbaar Ministerie (OM). Daarbij is meteen duidelijk uiteengezet wat de herkomst was van de gelden waarvan het witwassen werd vermoed. Er zijn toen afspraken gemaakt over wat nog moest worden nagegaan door de Staat ter bevestiging van de door of namens [eiser] gegeven uitleg over de herkomst van die gelden en er werd toegezegd dat, indien dit werd bevestigd, de zaak voor medio juli 2015 zou worden afgerond, zodat [eiser] met de auto naar Turkije kon, waar hij een groot feest had georganiseerd ter gelegenheid van zijn verloving. [eiser] is van mening dat het OM, door het beslag op deze wijze af te handelen en de gedane toezeggingen niet na te komen in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden.

4.6

De Staat heeft gemotiveerd bestreden dat er sprake is van schending van fundamentele vereisten doordat het beslag te lang heeft voortgeduurd.

4.7

Anders dan [eiser] stelt, kan uit het feit dat de officier van justitie bij de behandeling van het door [eiser] ingediende verzoek ex artikel 89 en 591a Sv zijn excuus heeft aangeboden voor het verloop van het onderzoek, niet zonder meer worden afgeleid dat de Staat erkent dat hij in strijd met fundamentele vereisten en dus onrechtmatig heeft gehandeld.

4.8

Met betrekking tot de duur van het onderzoek op zich geldt het volgende. Het tijdsverloop van 18 juni 2015 tot 15 september 2015 van nog geen drie maanden is naar het oordeel van de kantonrechter, mede gelet op de aard en de ernst van de tegen [eiser] gerezen verdenking en het daarmee gepaard gaande noodzakelijk onderzoek – waaronder diverse verhoren van [eiser] – niet zodanig lang, dat geoordeeld moet worden dat het OM de fundamentele vereisten voor de uitvoering van de bevoegdheden heeft veronachtzaamd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het OM in de gegeven omstandigheden voldoende voortvarend gehandeld.

4.9

Dit zou slechts anders zijn als het OM een toezegging zou hebben gedaan de auto eerder aan [eiser] terug te geven, zoals [eiser] stelt en de Staat bestrijdt. De kantonrechter leest in de hierboven onder 1.4 opgenomen tekst van de voicemail van de behandelend officier van justitie echter geen toezegging om de auto vóór een bepaalde datum terug te geven. Zelfs als daaruit in de gegeven omstandigheden zou moeten worden afgeleid dat het OM onvoorwaardelijk toezegde de auto terug te geven als bevestigd was dat daadwerkelijk aan [eiser] een prijs uit de Staatsloterij was uitgekeerd, kan dit [eiser] nog niet baten. [eiser] heeft immers niet gesteld a) op welke datum het OM deze bevestiging heeft verkregen b) wat een redelijke termijn zou zijn geweest om na het verkrijgen van deze informatie de auto terug te geven en c) dat het OM de auto niet binnen deze termijn teruggegeven heeft.

4.10

De conclusie is dan ook dat van onrechtmatig handelen door de Staat jegens [eiser] geen sprake is, behoudens, mogelijk, ten aanzien van de door [eiser] gestelde aan de auto aangerichte schade waardoor uitlijning van de auto noodzakelijk was.

4.11

De Staat heeft evenwel betwist dat door zijn toedoen de gestelde schade is ontstaan. [eiser] heeft, hoewel dat op zijn weg ligt, de toedracht van het ontstaan daarvan niet aangetoond. Ook de door [eiser] gestelde schade aan de auto komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.12

De conclusie van al wat hiervoor is overwogen en beslist is dan ook dat de vordering van [eiser] als ongegrond moet worden afgewezen.

4.13

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

  1. wijst de vordering af;

  2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 500,- als het aan de gemachtigde van [eiser] toekomende salaris, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 27 december 2017 tot de dag der voldoening;

3 veroordeelt [eiser] tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover de Staat daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

4 verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.