Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4243

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
NL18.981
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, Dublin/Italië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.981


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.982, plaatsgevonden op 6 februari 2018. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1988 en de Libische nationaliteit te hebben. Eiseres heeft op 26 september 2017 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen en heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). Gebleken is dat eiseres in het bezit was van een Schengenvisum voor Italië, geldig van 20 augustus 2017 tot 23 september 2017. Gelet hierop zijn de Italiaanse autoriteiten op 10 oktober 2017 gevraagd om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 28 oktober 2017.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verzoek om overname aan Italië is gedaan op het moment dat het visum van eiseres was verlopen. Op grond hiervan had Nederland de asielaanvraag aan zich moeten trekken. Voorts voert eiseres aan dat Nederland het asielverzoek aan zich dient te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Hiertoe heeft eiseres zich in de zienswijze beroepen op een groot aantal documenten over de gang van zaken in Italië. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Italië zich niet houdt aan haar internationale verdragsverplichtingen en dat er een schending op grond van artikel 3 van het EVRM zal ontstaan als zij wordt overgedragen aan Italië. Bovendien is zijn hoogzwanger en dienen ten aanzien van haar op grond van het Tarakhel-arrest garanties te worden geboden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Gelet op het feit dat het visum op 23 september 2017 verliep en verweerder op 10 oktober bij Italië heeft verzocht om overname, welk verzoek op 28 oktober is geaccepteerd, is voldaan aan het criterium van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Op het moment van het verzoek om overname was het visum immers nog geen zes maanden verlopen.

4.2

Ten aanzien van de door eiseres aangehaalde rapporten over de situatie in Italië, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze rapporten niet maken dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank schetst de informatie in de door eiseres aangehaalde rapporten geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. De documenten bevestigen dat sprake is van tekortkomingen, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft niet aan de hand van concrete stukken aannemelijk gemaakt dat het in haar specifieke situatie onmogelijk zal zijn om adequate hulp en opvang te krijgen. Italië heeft gegarandeerd dat het asielverzoek van eiseres in behandeling zal worden genomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om bij de bevoegde autoriteiten of instanties te klagen over voorkomende problemen. Niet is gebleken dat de autoriteiten haar geen hulp zouden willen of kunnen bieden.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op het feit dat zij hoogzwanger is, aangemerkt moet worden als een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel. Uit dit arrest volgt dat overdracht van een gezin met minderjarige kinderen aan Italië leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige situatie, indien verweerder voorafgaand aan de overdracht geen garantie heeft verkregen van de Italiaanse autoriteiten dat de gezinsleden samen, en in voor hen geschikte voorzieningen, zullen worden opgevangen. Vaststaat dat de Italiaanse autoriteiten bij brieven van 9 februari 2015, 8 juni 2015, 15 februari 2016 en
12 oktober 2016 (de ‘Circular Letters’) hebben toegelicht onder welke omstandigheden en op welke locaties zij gezinnen met minderjarige kinderen zullen opvangen, hetgeen op eiseres van toepassing zal zijn zodra zij is bevallen. In (onder andere) de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) is geoordeeld dat zij daarmee hebben voldaan aan hetgeen op grond van het arrest Tarakhel is vereist. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat ervan kan worden uitgegaan dat er voldoende opvangplaatsen binnen de zogenaamde SPRAR-locaties voor bijzonder kwetsbare asielzoekers zijn, zolang er geen concrete aanwijzingen zijn van het tegendeel. Verder heeft de Afdeling van belang geacht dat de Italiaanse autoriteiten hebben toegezegd de capaciteit van de opvang te zullen vergroten indien daartoe de noodzaak bestaat. Niet is gebleken dat zij die toezegging niet zullen nakomen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2097) leidt niet tot een andersluidend oordeel nu deze uitspraak achterhaald is door onder andere de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2017.

4.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres gestelde persoonlijke omstandigheden op grond waarvan ze niet teruggestuurd kan worden naar Italië onvoldoende ernstig zijn voor het oordeel dat Nederland haar asielverzoek aan zich dient te trekken. Verweerder heeft in de besluitvorming gemotiveerd weergegeven dat zij haar vrees, dat zij eenvoudig op te sporen zou zijn in Italië omdat haar man een Libische commandant is, dat hij gewapend is en dat hij contacten heeft met criminele organisaties, voor dient te leggen aan de Italiaanse autoriteiten. Italië heeft immers gegarandeerd het asielverzoek van eiseres in behandeling te nemen. De rechtbank wijst er daarbij op dat Italië ook partij is bij het EVRM.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.