Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4227

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5579
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bandleden, de sociale en/of economische binding met Suriname is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/5579

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser 1], eiser 1, V-nummer [V-nummer]

mede namens [eiser 2], eiser 2, V-nummer [V-nummer]

gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Procesverloop

Bij besluiten van 1 november 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2017.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Abdi, de zaakwaarnemer van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum] 1984 en eiser 2 is geboren op [geboortedatum] 1961. Beiden hebben de Surinaamse nationaliteit. Op 25 oktober 2016 hebben eisers de onderhavige aanvragen ingediend in verband met enkele optredens van de muziekgroep [muziekgroep] in Nederland, België en Frankrijk in de maanden november en december 2016.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de Europese Unie (EU) vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eisers een zodanige sociale en economische binding met het land van herkomst hebben dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs is gewaarborgd.

3. Ingevolge artikel 32 van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:

a. a) indien de aanvrager:

ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

of

b) indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

4. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en hebben daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Eisers stellen zich op het standpunt dat wel aannemelijk is gemaakt dat zij een zeer sterke sociale en economische binding met Suriname hebben. Ter nadere onderbouwing overleggen eisers in beroep een door eiser 1 ingevulde vragenlijst. Eisers zijn bovendien van mening dat de hoorplicht is geschonden. Ter zitting hebben eisers voorts aangevoerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel aannemelijk zijn gemaakt.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:862). Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en de economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling tijdig terug te keren toe- of afnemen. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

6.2.

Het is dan ook aan eisers om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Suriname zodanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.

6.3.

Eiser 1 is 33 jaar oud en ongehuwd. Hoewel is gesteld dat eiser 1 een kind heeft die bij de moeder in Suriname woont, is deze omstandigheid niet middels objectieve stukken, zoals een geboorteakte, onderbouwd. Met het overleggen van foto’s waarop eiser 1 met een kind staat afgebeeld en een verklaring van [persoon A], de gestelde moeder van het kind, is niet aannemelijk gemaakt dat eiser 1 een kind heeft noch dat hij het kind erkend heeft dan wel een rol in zijn opvoeding speelt. Ook de omstandigheid dat de ouders van eiser 1 hulpbehoevend zijn en dat hij voor hen zorgt, is niet nader onderbouwd. Er zijn weliswaar medische stukken overgelegd, maar niet blijkt dat deze stukken op de ouder(s) van eiser 1 zien. Niet is derhalve gebleken dat de ouders van eiser 1 hulpbehoevend zijn. Eiser 2 is ongehuwd en niet gesteld noch gebleken is dat hij kinderen heeft of de zorg draagt voor familieleden in Suriname. Evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eisers zouden dwingen tijdig naar Suriname terug te keren.

Hoewel een werkgeversverklaring is overgelegd, waarin staat vermeld dat eiser 1 deel uitmaakt van de muziekgroep [muziekgroep] en maandelijks SRD 1.750,- aan inkomsten heeft, zijn geen loonstrookjes of bankafschriften overgelegd waaruit dit blijkt. Uit het overgelegde uittrekstel uit het Handelsregister komt weliswaar naar voren dat eiser 1 is verbonden aan een tweetal ondernemingen, maar niet is onderbouwd dat hij hiermee een inkomen verwerft. Ten aanzien van eiser 2 zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij werk heeft in Suriname noch dat hij substantiële en regelmatige inkomsten genereert. De door eiser 2 overgelegde werkgeversverklaring waarin is vermeld dat eiser 2 is aangetrokken om als kok te fungeren tijdens de tour in november 2016, maakt dit niet anders nu dit tijdelijke werkzaamheden betreft buiten Suriname.

Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers geen zodanige sociale en economische binding met Suriname aannemelijk hebben gemaakt dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is.

6.4.

Wat betreft de overgelegde vragenlijst overweegt de rechtbank dat dit stuk, slecht leesbaar is, alleen op eiser 1 ziet, ongedateerd en niet ondertekend is. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat de vragenlijst geen informatie bevat die niet reeds bekend is bij verweerder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, daargelaten de vraag of deze tijdig is ingediend, de overgelegde vragenlijst niet kan afdoen aan het bestreden besluit.

6.5.

Gelet op de imperatieve en cumulatieve weigeringsgronden van artikel 32 van de Visumcode, kan de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van de visumaanvragen zelfstandig dragen. De beroepsgrond die is gericht tegen de andere afwijzingsgrond, te weten dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond, behoeft derhalve geen bespreking.

7. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eisers in bezwaar te horen, faalt eveneens. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eisers hebben aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eisers kon worden afgezien.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.