Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4192

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
C/09/528681 / HA ZA 17-282
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conventie: substantieringsplicht, Haviltex, benoeming/ontslag/schorsing commissaris

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/528681 / HA ZA 17-282

Vonnis van 28 maart 2018

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaats] , ( [land] ),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.H. Pelle te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BUREAU VALSTAR-SIMONIS B.V.,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FINRAAD II B.V.,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.J. Wittekamp te Delft.

Partijen zullen hierna [A] , Valstar en Finraad II genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
    - het tussenvonnis van 14 juni 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 december 2017 en de daarin genoemde stukken.
    1.2. Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Mr. Pelle en mr. Wittekamp hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij faxbericht van 3 respectievelijk 4 januari 2018. Bij faxbericht van 15 januari 2018 heeft mr. Pelle de rechtbank verzocht om aan de inhoud van voornoemd faxbericht van mr. Wittekamp voorbij te gaan. Mr. Wittekamp heeft hierop bij faxbericht van 19 januari 2018 gereageerd. Voornoemde faxberichten zijn aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de aard en de inhoud van de door partijen (over en weer) gemaakte opmerkingen ingegaan.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Valstar is een advies- en ingenieursbureau op het gebied van duurzaamheid, comfort en veiligheid in gebouwen.

2.2.

Finraad II is een houdster en beheermaatschappij. Finraad II is enig aandeelhouder van Valstar.

2.3.

Tot 2009 werd het bestuur van Valstar gevormd door [A] , [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ). In 2009 wilde [A] op afstand van Valstar komen, met als doel in de toekomst Valstar helemaal te verlaten. In 2009 is [A] uit het bestuur van Valstar getreden, maar wel als commissaris en adviseur aan Valstar verbonden gebleven.

2.4.

De financiële afspraken in verband met de commissaris- en adviseursfunctie van [A] zijn vastgelegd in een brief van 25 maart 2009 (hierna ook: de overeenkomst van 2009). Deze brief vermeldt, voor zover relevant:

‘In verband met uw benoeming tot (gedelegeerd) commissaris per medio 2009, zijn onderstaande afspraken gemaakt.

U zult tot en met het kalenderjaar waarin u 69 jaar bent geworden als gedelegeerd commissaris van Valstar (…) en als adviseur van de directie optreden. Daarna kan deze functie of één van beide desgewenst in overleg worden gecontinueerd. U zult gedurende deze periode een (kleine) directiekader behouden en “om niet” gebruik kunnen maken van het directiesecretariaat en de administratie. U ontvangt een salariëring van € 2.750,00 per maand (…), 8% vakantietoeslag, 47% bijdrage met betrekking tot uw ziektekostenpremie (…) een algemene onkostenvergoeding ad € 330,00 per maand alsmede een basis autovergoeding ad € 1.650,00 per maand (ter dekking van de vaste autokosten). Variabele autokosten alsmede overige specifieke onkosten worden separaat vergoed (ook ziektekostenvergoeding). U bent gerechtigd daartoe qua specifieke onkosten gemiddeld € 2.750,- per maand te besteden; een en ander zonder toestemming van de directie van Valstar (…).’

2.5.

In de periode 2009-2014 was de juridische structuur binnen Valstar en Finraad II – eenvoudig weergegeven – als volgt:

- Finraad II hield alle aandelen in Valstar;
- het bestuur van Finraad II werd gevormd door [A] en [B] ;
- de aandelen in Finraad II waren gecertificeerd en werden voor 100% gehouden door de Stichting Administratiekantoor Finraad II. In het certificatenkapitaal participeerde [A] voor ca. 57% en de persoonlijke houdstervennootschappen van respectievelijk [B] , [C] en [D] voor respectievelijk ca. 22%, 10% en ca. 5%. De overige certificaten (ca. 6%) werden gehouden door de werknemers in het kader van een werknemersparticipatie;
- [A] was (gedelegeerd) commissaris en adviseur van Valstar.

2.6.

Vanaf 2013 is er tussen [A] enerzijds en [B] , [C] en [D] anderzijds gesproken over een definitieve management buy out (hierna: MBO), waarbij [A] zijn resterende certificatenkapitaal zou verkopen. In opdracht van [A] heeft accountantskantoor BDO (hierna: BDO) geadviseerd over de MBO, waarbij rekening werd gehouden met de fiscale gevolgen van de MBO voor [A] .

2.7.

Op basis van het advies van BDO is overeenstemming bereikt over de verkoop door [A] van zijn certificaten van aandelen en zijn prioriteitsaandelen in Finraad II aan de persoonlijke houdstervennootschappen van [B] , [C] en [D] . De overeenstemming is vastgelegd in een koopovereenkomst d.d. 22 december 2014 (hierna: de koopovereenkomst) en een sideletter. De koopovereenkomst vermeldt een koopprijs van € 5.350.000 voor het circa 57% belang aan certificaten. De koopprijs is met uitzondering van een bedrag van € 750.000 voldaan via door de kopers beschikbaar gesteld eigen vermogen en via een bancaire financiering door de Rabobank. Het resterende gedeelte van € 750.000 werd aan [A] schuldig gebleven door middel van een renteloze, achtergestelde lening (hierna: de lening).

2.8.

In het kader van de MBO is voorts overeengekomen dat [A] desgewenst de functie van commissaris en adviseur bij Valstar en Finraad II zal blijven uitoefenen. Daarbij is tevens een nieuwe kostenregeling voor deze functies overeengekomen. De afspraken zijn vastgelegd in een door [A] en [B] ondertekende brief (de zogenaamde middagovereenkomst) van 22 december 2014 (hierna: de middagovereenkomst). De middagovereenkomst vermeldt, voor zover relevant:
‘Met ingang van 1 januari 2015 zult u, indien u dit accoord bevindt, in ieder geval tot en met 2020 als commissaris en/of adviseur van de directie bij Valstar Simonis B.V. en Finraad II B.V. optreden. Deze functies zullen, indien u dit wenst, in ieder geval onder de voorwaarden en condities van deze brief worden gecontinueerd zolang u direct of indirect financiële belangen heeft in of vanwege Finraad II B.V. en/of Valstar Simonis B.V. Per 31 december 2014 wijzigt de bestaande situatie en bent u niet meer in dienst van Valstar Simonis B.V.

U ontvangt in het kader van uw adviesfunctie en/of commissariaat:
1. een variabele autokostenvergoeding conform het fiscaal vrijgestelde kilometertarief (momenteel € 0,9 ct/km);
2. voorts worden alle kosten ten behoeve van acquisitie vergoed. Dit is inclusief de met de fiscus afgesproken halve lidmaatschapskosten van Golfsociëteit De Lage Vuursche alsmede alle ten behoeve van uw gasten gebruikte cateringvergoeding en andere kosten. Deze acquisitiekosten inclusief Golfsociëteit De Lage Vuursche zullen maximaal € 17.000,- per jaar bedragen;
3. ook bent u gerechtigd andere specifieke onkosten ad maximaal € 2.750,00 per maand te declareren, een en ander zonder toestemming van de directie van Valstar Simonis B.V.;
4. uw telefoon- en internetkosten, zowel in België als in Frankrijk, worden separaat aan u vergoed (ook bijvoorbeeld de benodigde assistentie, apparatuur en de vaste kosten);

5. u zult gedurende deze periode “om niet” gebruik kunnen maken van het directiesecretariaat en de (financiële) administratie, (…)

(…)
U wordt tijdens de periode waarin u nog een tegoed heeft van een of meer “Persoonlijke holding” van de directieleden/Finraad II/Finraad III en/of Valstar Simonis driemaandelijks op de hoogte gehouden door middel van de actuele maandrapportage inclusief liquiditeitsprognose, prognose budgetten, Winst- en verliesrekening inclusief onderbouwing en andere actuele essentiële bedrijfsinformatie. De algemeen directeur zal deze cijfers desgewenst aan u toelichten. Dit in ieder geval t/m 2016 en daarna in ieder geval indien de resterende schuld meer is dan € 750.000,00.’

2.9.

[A] heeft op enig moment in privé geïnvesteerd in de besloten vennootschap Data Protectors B.V. (hierna: Data Protectors), een vennootschap die bunkers gebruikte voor de opslag van gevoelige data. Data Protectors behoorde tot een groep vennootschappen (hierna: de Dataprotectorgroep). [A] was aandeelhouder van één van die vennootschappen. Daarnaast heeft [A] in privé een lening verstrekt aan de Dataprotectorgroep. De Dataprotectorgroep heeft in verband met die lening aan [A] een onderpand verstrekt. Voorts had [A] Finraad II een lening laten verstrekken aan één van de vennootschappen uit de groep waartoe Data Protectors behoorde, in de hoop op die wijze voor Valstar werk te genereren. Data Protectors heeft ook daadwekelijk opdrachten aan Valstar verstrekt. De facturen bleven evenwel onbetaald. Ook was er geen zicht op dat de leningen van [A] en Finraad II zouden worden terugbetaald.

2.10.

In de onderhandelingsperiode voorafgaand aan de MBO hebben partijen ook gesproken over de kwestie met Data Protectors. In oktober 2014 heeft [A] als bestuurder van Finraad II / commissaris van Valstar opdracht verstrekt aan Solon advocaten om de kwestie met de Dataprotectorgroep op te lossen. Op 9 januari 2015 – toen [A] teruggetreden was als bestuurder van Finraad II – heeft [B] namens Valstar en Finraad II aan [A] een volmacht gegeven teneinde de gerezen problemen met Data Protectors op te lossen. De volmacht luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(…) geeft bij deze volmacht aan: de heer IR [A] , (…) om voor en namens de vennootschappen te verrichten alle (rechts)handelingen die de gevolmachtigde nuttig of wenselijk oordeelt in verband met de (rechts)maatregelen ter zake of verband houdend met (…)

In de volmacht is uitdrukkelijk ook begrepen de bevoegdheid om

  1. de vennootschappen in rechte te (doen) vertegenwoordigen (…)

  2. compromissen en schikkingen te treffen en vaststellingsovereenkomsten aan te gaan

  3. arbiters of bindend adviseurs te benoemen,

en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe naar het oordeel van de gevolmachtigde raadzaam is (…).”

2.11.

Op basis van de volmacht heeft [A] opnieuw Solon advocaten opdracht gegeven tot juridische bijstand. Solon heeft juridische procedures gevoerd ten behoeve van [A] en Valstar. Solon Advocaten heeft een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer gevoerd, waarbij door [A] als aandeelhouder een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid bij de Dataprotectorgroep is gedaan. Voorts heeft Solon advocaten [A] bijgestaan in verband met de voorbereiding van aandeelhoudersvergaderingen bij de Dataprotectorgroep. Ten behoeve van Valstar is een verstekvonnis behaald, waarbij de vordering op Data Protectors uit hoofde van de door Valstar voor Data Protectors verrichte werkzaamheden is toegewezen. Voor Finraad II hebben de inspanningen van Solon advocaten tot een vaststellingsovereenkomst geleid ten aanzien van de terugbetaling van de lening. Valstar heeft de facturen van Solon advocaten integraal voldaan. Over de periode oktober 2014 tot en met februari 2015 bedroegen de facturen van de advocaat in totaal circa € 90.000.

2.12.

In maart 2015 zijn er discussies ontstaan tussen [A] enerzijds en Valstar en Finraad II anderzijds over de kosten die met het voeren van de juridische procedures gemoeid waren. De door Solon advocaten behaalde resultaten hebben er niet toe geleid dat Valstar respectievelijk Finraad II enig geldbedrag heeft ontvangen van Data Protectors. Voor [A] hebben de werkzaamheden van Solon advocaten tot een vaststellingsovereenkomst geleid, waarbij [A] zijn investering in Data Protectors heeft terug gekregen. Data Protectors is in de loop van 2015 in staat van faillissement verklaard.

2.13.

In de loop van 2015 is tussen partijen voorts discussie ontstaan over de onkostenvergoeding, zoals beschreven in de middagovereenkomst. In dit verband hebben [A] en [B] op 14 oktober 2015 een bespreking gehad. Diezelfde middag heeft [A] per e-mail aan [B] , voor zover relevant, geschreven:

‘Kom juist terug thuis en zou het fijn vinden om voor mijn volgende afspraak om 14.30 te proberen met jou nadere afspraken te maken.

Mijn voorstel is enigszins aangepast tov het hedenmorgen besprokene om tegemoet te komen aan de ,,wens” van HKB dat ik ook een soort honorering ontvang als Commissaris. Het kan zijn dat na overleg met BDO eea nog enigszins aangepast moet/gaat worden.
De totale vergoeding bedraagt 12 keer Euro 2750,- dwz jaarlijks Euro 33.000.-’

2.14.

[B] heeft hierop gereageerd bij e-mail van 29 oktober 2015. In deze e-mail staat, voor zover relevant, geschreven:

‘Helaas hebben wij nog geen oplossing voor onderstaande. (…).
(…). Daarom herhaal ik bij deze het voorstel dat ik in ons gesprek gedaan heb.

Mijn voorstel is om de variabele onkostenvergoeding op declaratiebasis te laten vervallen en te vervangen door een vaste vergoeding als Commissaris. Daarbij zijn twee varianten mogelijk:
- vergoeding ad € 8.000,00 (…) voor een “gewoon” Commissaris
- vergoeding ad € 12.000,00 incl. kilometers; deze vergoeding komt overeen met vergoeding voor voorzitter RvC.

Dit lijkt mij een uitermate praktische oplossing. Scheelt jou een hoop gedoe met het bijhouden van specifieke onkosten. En wij hoeven niet te beoordelen of de gedeclareerde onkosten zakelijk en conform de afspraken zijn. (…).

Ik besef mij dat jij vorige week niet erg gecharmeerd was van dit voorstel. Maar hierbij toch nog een poging om er op deze wijze uit te komen.’

2.15.

Op 20 november 2015 heeft [A] per e-mail, met als onderwerp ‘Secundaire vergoedingen zoals overeengekomen op 22 dec. 2014 (…)’, aan [B] geschreven, voor zover relevant:

‘Hierbij verzoek ik Valstar Simonis en / of Finraad 2 om, ingevolge bovenvermeld schrijven punt 3, tbv specifieke onkosten een bedrag ad Euro 33.000.- aan mij over te maken, te weten 12 maanden ad Euro 2.750.- (…).

Mijn voorkeur heeft, zoals afgesproken, een volledige uitbetaling als 4,3% rente over de door mij ter beschikking gestelde lening ad Euro 750.000.- Dit zou neerkomen op een bedrag ad iets meer dan in totaal 32.000.- euro.
(…)
[B] je hebt bovenvermeld voorstel op 14 oktober ZELF aan mij gedaan! (…) Tijdens dit gesprek in Breda heb je toen eveneens aan mij verzocht om Valstar in 2015 te sparen. Ik was ook daarmee akkoord. Kortom er was overeenstemming.
(…)
Het, op 14 oktober, door jou gedane voorstel/onze afspraak om mijn declaratie (tenminste deels) in te dienen als 4.3% van de lening ad euro 750.000.-.- is dus van daarna!
(…)
Bedenk ook dat in onze overeenkomst, dd 22 dec 2014, staat dat ik deze kosten/vergoeding in rekening mag brengen/declareren waarbij geen akkoord/toestemming van de directie van de B.V. benodigd is!
(…)
Zoals afgesproken behoeft deze declaratie geen akkoord/toestemming van de directie van de vermelde B.V.’s. Deze afspraken maken onderdeel uit van de MBO afspraken.’
2.16. Hierop heeft [B] bij e-mail van 1 december 2015 gereageerd. In deze e-mail geeft [B] zijn beschrijving van de gang van zaken op 14 oktober 2015. Tevens staat in de e-mail - voor zover relevant - vermeld:

‘Volgens mij is het kenmerk van een gesprek/onderhandeling dat de eindconclusie telt. En geen tussentijdse elementen eruit pikken en éénzijdig als afspraak bestempelen. (…). Iedere suggestie van jou dat wij op 14 oktober jl. een afspraak zouden hebben, wijs ik met klem af. Er is geen andere afspraak dan vastgelegd in de brief van 22 december 2014. (…)
Indien je op het voorstel zoals aangegeven in mijn mail van 29 oktober niet wilt ingaan, zie ik de onderbouwde nota’s met betrekking tot specifieke onkosten, voorzien van de daarbij behorende bonnetjes, gaarne op korte termijn tegemoet.
(…)
Om toch tot een pragmatische oplossing te komen, herhaal ik hierbij mijn eerder gedane voorstel om bovengenoemde afspraak inzake de onkostenvergoeding te laten vervallen en te vervangen door een vaste commissarisvergoeding op het huidige niveau van voorzitter RvC.’
2.17. Vervolgens heeft [A] gereageerd bij e-mail van 17 december 2015, waarin hij - voor zover relevant - het volgende aan [B] heeft geschreven:

‘(…) Alhoewel we geen overeenstemming hebben begrijp ik uit je mail dat Valstar in ieder geval € 12.500/jaar zou willen voldoen.’

2.18.

Bij e-mail van 4 maart 2016 heeft [B] aan [A] met betrekking tot het onderwerp commissarisvergoeding, voor zover relevant, geschreven:

‘(…) eind 2015 hebben wij (…) afspraken gemaakt. Dat komt erop neer dat de toegezegde vergoeding (lees: commissarisvergoeding) ad € 12.500,00 bruto voor 2015 betaald wordt. Als wij er niet in slagen om nieuwe afspraken te maken, geldt dit niet voor 2016 en verder (dan zijn we weer terug bij de brief van december 2014). ’

2.19.

[A] heeft - onder verwijzing naar de onkostenregeling van punt 3 van de middagovereenkomst - vier nieuwe facturen van Solon Advocaten en een factuur van PWC Accountants ter declaratie bij Valstar ingediend. Deze facturen, met een totaalbedrag van € 28.367,50, zijn niet door Valstar vergoed.

2.20.

In juni 2016 heeft er minnelijk overleg plaatsgevonden tussen partijen over een totale ontvlechting. [A] werd in dit kader bijgestaan door Solon Advocaten. Deze onderhandelingen hebben niet tot overeenstemming geleid.

2.21.

Bij e-mail van 6 juli 2016 heeft [A] aan (onder meer) [B] geschreven, voor zover relevant:

‘Onderwerp: (…) Opschorten functioneren als commissaris bij Valstar en Finraad (…).
(…)
Vervolgens verzoek ik om mij per omgaande (voorlopig) uit te schrijven bij de KVK vanwege de opschorting van deze taak. Ik blijf zoals vastgelegd in de middagovereenkomst dd 22 dec. 2014 gewoon conform dit schrijven adviseur van Valstar-Simonis en Finraad B.V. (…) Zoals u begrijpt neem ik geen verantwoordelijkheid voor hetgeen op 27 juni jl tijdens de vergadering is besproken en afgesproken.’

2.22.

In aansluiting hierop heeft [A] bij e-mail van 7 juli 2016 geschreven, voor zover relevant:

‘Ik neem (voorlopig) ontslag als Commissaris bij Valstar Simonis en Finraad 2 echter behoudt mij het recht voor mij wederom te laten benoemen conform mijn recht daartoe, zoals aangegeven in de middagovereenkomst mbt ,,secundaire vergoedingen” dd 22/12/2014 alsmede de koopovereenkomst, eveneens dd 22 dec 2014.’

2.23.

In oktober 2016 heeft [A] Valstar gevraagd om financiële gegevens met betrekking tot de vennootschap. Hij heeft financiële gegevens ontvangen, echter zonder de toelichting waar hij om heeft verzocht. Voorts heeft [A] Valstar verzocht om correspondentie met de Rabobank met betrekking tot onder meer de lening van de Rabobank aan Valstar. Deze gegevens heeft [A] niet ontvangen.

2.24.

Bij brief van 29 november 2016 heeft [A] verzocht om betaling van door hem betaalde facturen van Solon Advocaten. Voorts deelt hij mee dat hij per 1 juli 2017 weer als commissaris bij Valstar gaat functioneren. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat hij daartoe gerechtigd is op grond van de middagovereenkomst.

2.25.

Bij e-mail van 22 december 2016 heeft [B] aan [A] laten weten dat [A] niet als commissaris kan worden benoemd binnen Valstar, omdat Valstar geen Raad van Commissarissen meer heeft. Voorts heeft [B] toegezegd dat hij de kwartaalrapportage van de Rabobank aan [A] zal toesturen. De bedragen die door [A] aan Solon Advocaten en PWC heeft betaald, heeft Valstar niet aan [A] vergoed.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 106.867,50, te vermeerderen met de wettelijke rente;

II. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.000,- inclusief BTW ten behoeve van het inhuren van secretariële bijstand voor een halve tot anderhalve dag per week vanaf 2017 tot en met 2020 en zoveel langer als de lening van [A] aan de holdings van de directieleden van Valstar en Finraad II niet tijdig en geheel is afgelost;

III. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de kosten bedoeld in de middagovereenkomst onder 1, 2 en 4 voor de jaren 2017 tot en met 2020 en zo veel langer als de lening van [A] aan de holdings van de directieleden van Valstar en Finraad II niet tijdig en geheel is afgelost;

IV. Valstar en Finraad II hoofdelijke veroordeelt tot betaling van € 33.000,- netto per jaar voor 2017 tot en met 2020 overeenkomende met de rente op de geldlening telkens te betalen op 1 mei van het lopende jaar van 2017 tot en met 2020 en zo veel langer als de lening van [A] aan de holdings van de directieleden van Valstar en Finraad II niet tijdig en geheel is afgelost;

V. voor recht verklaart dat, indien en voor zover Valstar en Finraad II ten aanzien van het voorgaande in gebreke blijven, over voornoemde bedragen wettelijke rente verschuldigd is waarmee die vorderingen dan zullen worden vermeerderd, te rekenen vanaf twee weken na ingebrekestelling;

VI. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt om [A] , zodra hij dit wenst, opnieuw te benoemen als commissaris van één of beide gedaagden;

VII. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt om het budget ten behoeve van de acquisitie ad € 17.000,- genoemd in punt 2 van de middagovereenkomst gestand te doen in de jaren dat die nog heeft te gelden, dat wil zeggen: minimaal tot 2020 en zoveel langer als de lening van [A] aan de holdings van de directieleden van Valstar en Finraad II niet tijdig en geheel is afgelost;

VIII. Valstar en Finraad II hoofdelijk veroordeelt om aan [A] drie maandelijks al die informatie te verschaffen die te maken heeft met de werkbezetting in het lopende en volgende jaar, de liquiditeit, de omzet en de winstverwachting alsmede alle gegevens waar [A] om vraagt en alle correspondentie met de Rabobank, alles in relatie tot het commissariaat van [A] , zijn adviseurschap en de door hem verschafte lening,

de vorderingen VI tot en met VIII onder verbeurte van een dwangsom en met hoofdelijke veroordeling van Valstar en Finraad II in de proceskosten.

3.2.

[A] legt aan zijn vorderingen het volgende ten gronslag.

Ad I.
3.2.1. [A] stelt dat hij op grond van punt 3 van de overeeenkomst recht heeft op een vaste onkostenvergoeding van (12 x € 2.750,- =) € 33.000,- op jaarbasis. [A] heeft over de jaren 2015 en 2016 aanspraak op die vergoeding gemaakt. Betaling van daarvan is uitgebleven, zodat [A] thans een bedrag van € 66.000,- (i) vordert. Over 2016 vordert [A] voorts een vergoeding voor zijn adviseurschap en commissariaat bij Valstar en Finraad II. Net als in 2015 wenst [A] hiervoor een bedrag van € 12.500,- bruto (ii) te ontvangen. Ten slotte stelt [A] dat hij zich in het kader van zijn adviesfunctie en rol als commissaris heeft laten adviseren door Solon Advocaten en PWC Accountants. De ter zake door [A] in zijn hoedanigheid van commissaris ontvangen facturen belopen een totaalbedrag van € 28.367,50 (iii) en zijn door [A] betaald. De adviezen waren echter in het belang van Valstar en/of Finraad II, zodat de daarmee gemoeide kosten voor hun rekening komen. [A] maakt aldus in totaal aanspraak op € 106.867,50.

Ad II.
3.2.2. Door de moeizame onderlinge verhouding tussen (de directie van) Valstar en Finraad II kan [A] niet meer verwachten van het directiesecretariaat dat hij van hen secretariële ondersteuning krijgt, zoals afgesproken in de overeenkomst. Derhalve maakt [A] thans aanspraak op betaling van de kosten van extern in te huren secretariële bijstand over 2017 en ook over de daarop volgende jaren om te voorkomen daartoe elk jaar een procedure te moeten starten.

Ad III. en VII.
3.2.3. Tot op heden bestaat over de kosten als genoemd onder de punten 1, 2 en 4 van de middagovereenkomst geen echt geschil. Wel heeft Valstar aangegegeven (deels) af te willen van deze kosten. [A] wil echter weer gaan functioneren als commissaris bij Valstar. Tevens wil [A] adviseur van Valstar en Finraad II blijven en acquisitiewerkzaamheden voor Valstar blijven verrichten. Voor deze werkzaamheden ten behoeve van Valstar en Finraad II heeft [A] ten minste tot en met 2020 recht op vergoeding van vorenbedoelde kosten. Deze termijn wordt langer indien in 2020 de lening niet geheel is afgelost.

Ad IV.
3.2.4. Volgens de middagovereenkomst dienen de daarin onder punt 3 genoemde onkosten tenminste tot en met 2020 te worden voldaan. Deze termijn wordt langer indien in 2020 de lening niet geheel is afgelost. De lening is bewust zonder separaat rente te berekenen, verstrekt. De op artikel 3 van de middagovereenkomst gebaseerde declaraties van € 2.750,- per maand/€ 33.000,- per jaar komen qua bedrag overeen met 4,3% rente over de lening van € 750.000,-.

Ad V.
3.2.5. Valstar en Finraad II zijn, indien zij na ingebrekestelling voornoemde betalingen niet uitvoeren, over die bedragen wettelijke rente verschuldigd.

Ad VI.
3.2.6. [A] wil weer gaan functioneren als commissaris bij Valstar. Dit mag hij verlangen c.q. eisen op grond van de middagovereenkomst, omdat een commissarisfunctie bij die overeenkomst aan hem is toegezegd, indien hij dit wenst.
Ad VIII.
3.2.7. [A] heeft in het kader van zijn adviseurs- en commissarisfunctie tot en met juni 2016 financiële gegevens ontvangen inclusief een schriftelijke toelichting. Na opschorting van de commissarisfunctie heeft [A] op zijn verzoek/aandringen in oktober 2016 wederom financiële gegevens ontvangen, maar zonder toelichting. Dit betrof deels de halfjaarcijfers van eind juni. De correspondentie met de Rabobank heeft [A] slechts deels ontvangen. [A] heeft zijn onderbouwde zorgen geuit en inmiddels weer een update ontvangen. [A] wil graag de afspraak dat hij elke drie maanden een volledig en actueel financieel overzicht ontvangt, bevestigd hebben. Tevens wil [A] borgen dat Valstar en Finraad II een inhoudelijk schriftelijk antwoord geven op zijn schriftelijke vragen en aanbevelingen naar aanleiding van de bedrijfsgegevens.

3.3.

Valstar en Finraad II voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Valstar en Finraad II vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [A] toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitvoering van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de middagovereenkomst en deswege aansprakelijk is voor de schade die Valstar en Finraad II als gevolg daarvan hebben geleden;

2. de middagovereenkomst ontbindt;

3. ( a) voor recht verklaart dat [A] aansprakelijk is ter zake de doorbelasting van de kosten van Solon Advocaten aan Valstar en (b) [A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 75.310,50, te vermeerderen met de wettelijke rente,

met veroordeling van [A] in de kosten van het geding.

3.6.

Valstar en Finraad II leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.

Ad. 1 en 2
3.6.1. Door het voorop stellen van het eigen belang in de uitvoering van zijn functie van commissaris en adviseur schiet [A] tekort in de uitvoering van de middagovereenkomst. Een ingebrekestelling heeft geen zin, enerzijds omdat niet aannemelijk is dat [A] zijn houding zal veranderen en anderzijds omdat het tekortschieten van [A] de verhoudingen tussen [A] en de directie respectievelijk de RvC van Valstar en Finraad II dusdanig heeft verslechterd, dat een herstel niet te verwachten is. Om die redenen verkeert [A] zonder ingebrekestelling in verzuim, welk verzuim de ontbinding van de middagovereenkomst rechtvaardigt. [A] is aansprakelijk voor de schade die hij met het tekortschieten heeft veroorzaakt. Die schade bestaat onder meer uit de enorme kosten die de ondernemingen hebben moeten maken.

Ad 3.
3.6.2. In de periode oktober 2014 tot en met februari 2015 heeft Solon Advocaten een bedrag van circa € 90.000,- bij Valstar gedeclareerd. Van dit bedrag is € 75.310,50 toe te rekenen aan de privébelangen van [A] .

3.7.

[A] voert gemotiveerd verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk bespreken.

substantiëringsplicht
4.2. Valstar en Finraad II voeren om te beginnen ten verwere aan dat [A] niet heeft voldaan aan de in artikel 111, lid 3 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vastgelegde verplichting om het verweer van Valstar en Finraad II in de dagvaarding te vermelden. Vastgesteld wordt dat [A] inderdaad heeft verzuimd het verweer van Valstar en Finraad II te vermelden in de dagvaarding, terwijl partijen uitvoerig voorafgaand aan deze procedure hebben gecommuniceerd over de vorderingen van [A] .

4.3.

Valstar en Finraad II stellen echter niets over het beoogde rechtsgevolg van de schending van de substantiëringsplicht. Het bepaalde in artikel 111, lid 3 Rv is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Valstar en Finraad II zijn ook niet in hun verdedigingsbelangen geschaad, althans dit is niet gesteld of gebleken. Gelet hierop zal de schending van artikel 111, lid 3 Rv niet worden gesanctioneerd.


Vordering I

4.4.

[A] vordert betaling van een bedrag van in totaal € 106.867,50. Dit bedrag valt uiteen in drie subvorderingen. Volgens [A] heeft hij om te beginnen op grond van artikel 3 van de middagovereenkomst recht op vergoeding van onkosten, die over de jaren 2015-2016 in totaal € 66.000 bedragen. Voorts vordert [A] vergoeding van een bedrag van € 12.500 als vergoeding voor zijn commissariaat en adviseurschap in 2016. Tot slot heeft hij zich als commissaris door Solon advocaten laten adviseren. De facturen belopen in totaal een bedrag van € 28.367,50. Deze kosten dienen voor rekening van Valstar/Finraad II te komen, aldus [A] . De rechtbank zal deze subvorderingen in het hiernavolgende afzonderlijk bespreken.

ad (i) onkostenvergoeding

4.5.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 66.000 verschillen [A] enerzijds en Valstar en Finraad II anderzijds van mening over de uitleg van artikel 3 van de middagovereenkomst. Dit artikel luidt: ‘ook bent u gerechtigd andere specifieke onkosten ad maximaal € 2.750,00 per maand te declareren, een en ander zonder toestemming van de directie van Valstar Simonis B.V.’. [A] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van die bepaling aanspraak kan maken op een vast bedrag van € 33.000 per jaar, zonder dat hij daarbij een onderbouwing van de gemaakte onkosten hoeft te geven. Valstar en Finraad II betwisten de door [A] voorgestane uitleg en voeren aan dat [A] op grond van deze bepaling in ieder geval moet kunnen verantwoorden dat hij daadwerkelijk onkosten heeft gemaakt die verband houden met zijn werkzaamheden als commissaris of adviseur van Valstar/Finraad II. Voorts hebben zij ter zitting betoogd dat in het verleden – op grond van de afspraken in de brief van 25 maart 2009 – ook een onkostenvergoeding gold en dat [A] onder die regeling bijvoorbeeld etentjes met zakenrelaties declareerde.

4.6.

Beoordeeld dient derhalve te worden welke betekenis toekomt aan dit onderdeel van de middagovereenkomst. Die vraag kan niet alleen worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de regeling. Het komt tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de context van de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, Haviltex). De rechtbank is op grond van dit criterium van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 3 van de middagovereenkomst met zich brengt dat partijen kennelijk bedoeld hebben een variabele onkostenvergoeding overeen te komen, waarbij [A] ook dient te onderbouwen dat hij onkosten heeft gemaakt ten behoeve van Valstar. De rechtbank betrekt hierbij het volgende.

4.7.

De taalkundige uitleg van artikel 3 biedt geen aanknopingspunten voor de door [A] voorgestane uitleg. Zoals Valstar en Finraad II terecht betogen, duiden de tekstwoorden ‘specifieke onkosten’, maximaal’ en ‘declareren’ erop dat het gaat om een variabele vergoedingsregeling op declaratiebasis van daadwerkelijk door [A] gemaakte kosten en niet om een vast bedrag dat zonder enige onkostenverantwoording uitgekeerd wordt. Voorts constateert de rechtbank – met Valstar en Finraad II – dat de overeenkomst van 2009 een soortgelijke regeling kende. Volgens de onweersproken gebleven stelling van Valstar en Finraad II heeft [A] onder die overeenkomst ook steeds onkosten gedeclareerd voor zover hij ook onkosten had gemaakt. [A] heeft hiertegenover onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat het kennelijk toch de bedoeling van partijen is geweest om een vaste vergoeding van € 33.000 op jaarbasis overeen te komen, zonder dat [A] daadwerkelijk onkosten heeft gemaakt. [A] heeft in dit verband weliswaar diverse malen herhaald dat hij de onkosten mag maken zonder toestemming van de directie van Valstar. Dit is op zich juist en wordt door Valstar en Finraad II ook niet betwist. [A] heeft deze omstandigheid echter in redelijkheid niet aldus mogen opvatten dat hij daarmee zonder enige verantwoording een vast bedrag van € 33.000 per jaar mocht declareren. Bovendien heeft [A] niet concreet gemaakt dat hij ook daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Voorts heeft [A] betoogd artikel 3 van de middagovereenkomst is opgenomen als compensatie voor het feit dat over de lening geen rente zou worden betaald. Dit betoog laat zich echter niet rijmen met de memo van BDO, waarin – zoals tussen partijen niet in geschil is – op pagina 1 vermeld staat dat wat betreft de resterende koopprijs ten bedrage van € 750.000 sprake is van een renteloze financiering (zie pagina 1 memo BDO). Het hierbij door [A] aangehaalde verband tussen het bedrag van € 33.000 en het over de overnamefinanciering te betalen rentepercentage van 4,3% stuit af op de onweersproken gebleven stelling van Valstar en Finraad II dat voornoemd percentage bij het sluiten van de middagovereenkomst nog niet bekend was. Ten slotte volgt uit de correspondentie van [A] met [B] dat het voorstel om de declaraties uit hoofde van artikel 3 van de middagovereenkomst in te dienen als 4,3% van de lening dateert van na het sluiten van de middagovereenkomst (zie de e-mail van 20 november 2015), zodat ook om die reden van een kenbare bedoeling ten tijde van het sluiten van de middagovereenkomst geen sprake is. Bij gebreke van andere aanknopingspunten, verwerpt de rechtbank de door [A] voorgestane uitleggen. Hiermee ligt onderdeel (i) van vordering I, voor zover gegrond op de middagovereenkomst, voor afwijzing gereed.

4.8.

Naar de rechtbank begrijpt, grondt [A] dit deel van zijn vordering tevens op een afspraak met [B] van 14 oktober 2015, waarbij de regeling in artikel 3 van de middagovereenkomst zou zijn aangepast. Volgens [A] zijn partijen het die dag eens geworden over een aan hem te betalen vergoeding van € 33.000 per jaar. De rechtbank verwerpt ook deze stellingname. Uit de in dit verband tussen [A] en [B] gevoerde e-mailcorrespondentie (zie 2.13. en verder), volgt immers dat [A] die dag slechts een voorstel heeft gedaan om in plaats van een onkostenvergoeding twaalf maal € 2.750 oftewel jaarlijks € 33.000 te betalen als rentebetaling over de lening en als commissarisvergoeding (productie 17 van Valstar en Finraad II). Dat [B] dit voorstel die dag of later zou hebben aanvaard of dat er ter zake concrete afspraken zouden zijn gemaakt, is niet gebleken. Integendeel, in de e-mail van 17 december 2015 (productie 20 Valstar en Finraad II) schrijft [A] zelf dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt (zie 2.17.). Ook op deze grond kan de vordering van [A] derhalve niet worden toegewezen.
ad (ii) commissaris-/adviseursbeloning
4.9. [A] vordert voorts een commissarisbeloning. [A] stelt dat er tussen hem en Valstar/Finraad II in 2015 een afspraak is gemaakt dat hij een vaste beloning van € 12.500 zou ontvangen. Ter onderbouwing van die vordering voert hij aan dat hij in 2015 dat bedrag ook heeft ontvangen als vergoeding voor zijn adviseurschap en commissariaat bij Valstar en Finraad II. Valstar en Finraad II betwisten dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Zij voeren aan dat zij weliswaar in 2015 een afspraak hebben gemaakt dat [A] in 2015 een vaste vergoeding zou ontvangen, maar dat die afspraak niet gold voor de daaropvolgende jaren. In dit verband verwijzen zij naar de door hen overgelegde correspondentie van 4 maart 2016 (zie 2.18.), waarin staat vermeld dat de desbetreffende beloningsafspraak is gemaakt in het kader van de minnelijke gesprekken die destijds tussen partijen zijn gevoerd en dat die afspraak niet geldt voor 2016 en de daaropvolgende jaren, indien partijen er niet in slagen om nieuwe afspraken te maken. [A] heeft daarop zijn stelling dat partijen een afspraak hebben gemaakt – inhoudende dat [A] een vaste beloning van € 12.500 zou ontvangen – niet nader onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat die afspraak ook daadwerkelijk is gemaakt. [A] kan ook geen rechten ontlenen aan deze (eenmalig) over 2015 toegezegde commissarisvergoeding. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

ad (iii) de facturen van Solon Advocaten en PWC
4.10. [A] vordert voorts betaling door Valstar/ Finraad II van door hem betaalde facturen van Solon Advocaten en PWC ten bedrage van € 28.367,50. Willen deze facturen voor vergoeding in aanmerking komen, dan dient – zoals tussen partijen niet in geschil is – in ieder geval sprake te zijn van (zakelijke) kosten die ten behoeve van Valstar en/of Finraad II zijn gemaakt. Of dit wat betreft voornoemde facturen het geval is, staat tussen partijen ter discussie. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op [A] . Hij stelt dat de door hem opgevoerde kosten van Solon Advocaten en PWC Accountants betrekking hebben op adviezen die in het belang van Valstar en/of Finraad II zijn uitgebracht. Dat dit het geval is, volgt echter niet uit de door [A] ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde facturen die geen of slechts een zeer summiere omschrijving van de gefactureerde werkzaamheden bevatten. Het lag op de weg van [A] om de facturen nader te specificeren, met name ook nu er, naar onweersproken stelling van gedaagden, nimmer enig resultaat van de werkzaamheden van Solon Advocaten en PWC met (de Raad van Commissarissen van) Valstar en Finraad II is gedeeld.

4.11.

Ten aanzien van vier van de vijf facturen heeft [A] specificatie nagelaten. De rechtbank houdt daarbij geen rekening met het door [A] als productie 15 overgelegde e-mailbericht van Solon Advocaten d.d. 28 april 2016, zijnde een begeleidend schrijven op een declaratie. Aangezien alle opgevoerde facturen een van het e-mailbericht afwijkende factuurdatum hebben, is het zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet duidelijk of, en zo ja, op welke van deze facturen de in het e-mailbericht opgenomen toelichting ziet.

4.12.

De factuur van Solon Advocaten d.d. 2 juni 2016 heeft [A] bij conclusie van antwoord in reconventie alsnog voorzien van een begeleidende brief van Solon Advocaten. Ook de daarin opgenomen omschrijving van de gefactureerde werkzaamheden is echter een onvoldoende onderbouwing van de stellingname van [A] . Solon Advocaten noemt een vijftal onderwerpen ten aanzien waarvan zij werkzaamheden heeft verricht. Daarbij zijn echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat die werkzaamheden in het belang van Valstar en/of Finraad II zijn verricht, terwijl dit ten aanzien van de onderwerpen (ii) medewerkersparticipatie en het bijwonen van (iv) de beoogde vergadering RVC-Directie en (v) de gecombineerde aandeelhoudersvergadering gemotiveerd is betwist. Bij deze stand van zaken wordt dit onderdeel van vordering I. als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen.

Vorderingen onder II tot en met VIII en reconventionele vordering 1. en 2.
4.13. [A] vordert voorts betaling van vergoedingen uit hoofde van de middagovereenkomst over de periode 2017-2020. Deze vorderingen zullen alle worden afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat al deze vorderingen – die deels een toekomstig karakter hebben – samenhangen met de rol van [A] als adviseur en commissaris. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [A] bij e-mail van 7 juli 2016 op eigen verzoek ontslag heeft genomen als commissaris van Valstar. Voorts heeft [A] ter zitting toegelicht dat hij aan Valstar ook geen adviezen meer verstrekt. Daarmee is de middagovereenkomst op verzoek van [A] feitelijk beëindigd. Gelet hierop valt niet in te zien dat hij nog aanspraak kan maken op vorenbedoelde vergoedingen. [A] heeft betoogd dat zijn rol als commissaris niet is beëindigd, maar is “opgeschort”. Zoals Valstar en Finraad II terecht betogen, kent het wettelijk systeem die figuur niet. Voorts heeft [A] betoogd dat de middagovereenkomst zo moet worden uitgelegd, dat hij op eigen verzoek en op ieder moment zijn functie als commissaris kan hervatten en hij vanaf dat moment ook weer aanspraak kan maken op de vergoedingen als vermeld in de middagovereenkomst. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Een dergelijke uitleg verhoudt zich niet met artikel 2:268 lid 4, BW, waarin is bepaald dat een commissaris op voordracht wordt benoemd door de algemene vergadering en evenmin met lid 9 van vorenbedoeld artikel, waarin is bepaald dat de algemene vergadering bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigend ten minste een derde van het geplaatste kapitaal, de voordracht kan afwijzen. Het is dan ook niet aan [A] om zichzelf opnieuw als commissaris voor te dragen. Daar komt bij dat – zoals ter zitting is gebleken – [A] herbenoemd wenst te worden als commissaris, omdat hij in die functie inzicht in en invloed krijgt op het financiële beleid bij Valstar en daarmee zijn positie als crediteur veilig kan stellen. Dat rijmt niet met de rol die hij zou moeten vervullen, omdat hij daarmee primair een eigen belang dient en niet primair het belang van de vennootschap.

4.14.

Uit vorenstaande volgt dat de vordering van [A] tot zijn benoeming als commissaris zal worden afgewezen. Gelet hierop valt niet in te zien op grond waarvan Valstar en/of Finraad II [A] van de informatie met betrekking tot de werkbezetting, de liquiditeit, de omzet- en winstverwachting en de correspondentie met de Rabobank zou moeten voorzien. [A] heeft betoogd dat hij daar ook aanspraak op kan maken op grond van de leningsovereenkomst. Dat is door Valstar en Finraad II weersproken en vervolgens door [A] niet nader onderbouwd. Die vordering zal dus eveneens worden afgewezen.

4.15.

Gelet op het oordeel dat de middagovereenkomst met ingang van 7 juli 2016 is beëindigd, hebben Valstar en Finraad II geen belang meer bij hun reconventionele vordering tot ontbinding. Die zal dan ook worden afgewezen. Valstar en Finraad vorderen ook een verklaring voor recht dat [A] toerekenbaar tekort is geschoten en aansprakelijk is voor de schade die Valstar en Finraad II daardoor hebben geleden. Zij hebben evenwel op geen enkele wijze concreet gemaakt waar die schade uit bestaat, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.

4.16.

Hoewel terugbetaling van de lening geen deel uit maakt van de vorderingen van [A] , heeft [A] zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ontbinding van de middagovereenkomst ertoe leidt dat de aan Valstar en Finraad II verstrekte lening opeisbaar is. De rechtbank verwerpt dat betoog. Gesteld noch gebleken is immers dat de lening onder een dergelijke voorwaarden is verstrekt. Evenmin volgt – anders dan [A] betoogt – niet zonder meer dat de lening verweven is met de middagovereenkomst die de beloning en kosten van de commissaris- en adviseurswerkzaamheden regelt.
Reconventionele vordering 3.

4.17.

Resteert ten slotte de behandeling van de reconventionele vordering 3. Valstar vordert een bedrag van € 75.310,50 in verband met door haar betaalde facturen aan Solon advocaten over de periode oktober 2014 - 16 februari 2015. Dit bedrag valt uiteen in twee afzonderlijke bedragen, te weten een bedrag van € 55.310,50 in verband met de facturen van Solon advocaten over de periode oktober-december 2014 en een bedrag van € 20.000 in verband met de periode januari 2015 - 16 februari 2015. Valstar heeft zich op het standpunt gesteld dat zij die facturen aan Solon advocaten heeft voldaan, terwijl de werkzaamheden waar die facturen op zagen betrekking hadden op het privébelang van [A] en [A] die kosten ten onrechte door Valstar heeft laten betalen. In de eerste periode was [A] commissaris van Valstar en bestuurder van Finraad II en heeft hij misbruik gemaakt van die posities. In de tweede periode is [A] buiten zijn volmacht getreden en heeft hij – zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Valstar – onrechtmatig gehandeld jegens Valstar. De rechtbank overweegt als volgt.

Periode oktober – december 2014

4.18.

Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat [A] in de periode tot januari 2015 als commissaris bevoegd was Valstar te binden en namens Valstar aan Solon advocaten een opdracht te verstrekken.

4.19.

Ingevolge artikel 2:9 BW is elke bestuurder gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor het aannemen van aansprakelijkheid op grond van het artikel is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Of sprake is van een ernstig verwijt dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Op grond van artikel 2:259 BW vindt artikel 2:9 BW overeenkomstige toepassing ten aanzien van de taakvervulling door de leden van de raad van commissarissen.

4.20.

Valstar heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de specificatie van Solon Advocaten. Uit die specificatie volgt dat de werkzaamheden in de periode oktober 2014-december 2014 betrekking hadden op het enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer. [A] heeft ter zitting nog betoogd dat die kosten niet alleen betrekking hadden op de enquêteprocedure, maar dat standpunt heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Dat lag – gelet op de specificatie bij de facturen – wel op zijn weg. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat die werkzaamheden betrekking hadden op de procedure bij de Ondernemingskamer. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onmiskenbaar een privébelang van [A] , nu [A] die procedure uit hoofde van zijn aandeelhouderschap in de Dataprotectorgroep heeft gevoerd. [A] heeft betoogd dat vorenbedoeld enquêteverzoek is gevoerd om privé-aansprakelijkheid van de bestuurders van Data Protectors te bereiken en dat daarmee (ook) in het belang van Valstar is gehandeld. Dit betoog kan [A] niet baten. Zoals Valstar terecht heeft aangevoerd, kan een procedure zoals door [A] gevoerd is bij de Ondernemingskamer niet (mede) namens een schuldeiser – wat Valstar van Data Protectors was – worden gevoerd. De uitkomst van die procedure heeft primair gevolgen voor de positie van [A] als aandeelhouder van Data Protectors. Weliswaar kan de uitkomst daarvan onder omstandigheden ook betekenis hebben voor de positie van Valstar c.q. Finraad II als schuldeisers van Data Protectors in een civiele procedure met betrekking tot de vaststelling van een bestuurdersaansprakelijkheid, maar [A] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat zulks in de onderhavige situatie ook het geval was.

4.21.

Door kosten die uitsluitend ten gunste van het privébelang van [A] zijn gemaakt voor rekening van Valstar te brengen, kan [A] naar het oordeel van de rechtbank persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.

4.22.

Dat [A] gemachtigd was om Solon advocaten in te schakelen, er een budget voor was en de opdracht is geaccordeerd door de Raad van Commissarissen en de facturen door Valstar zelf zijn betaald, doet aan het voorgaande niet af. Het standpunt dat een budget voor advocaatkosten ook kan worden aangewend voor werkzaamheden die betrekking hadden op het belang van [A] zelf, kan evident niet als juist worden aanvaard. Valstar heeft voorts onweersproken betoogd dat zij nog niet beschikte over de specificaties toen zij de facturen betaalde. Daarnaast is de stelling van Valstar onweersproken gebleven dat er veel discussie is geweest over die facturen, er vragen door de accountant zijn gesteld, maar Valstar de facturen heeft goedgekeurd, omdat [A] anders zijn goedkeuring aan de jaarrekening 2014 zou onthouden.

4.23.

[A] heeft nog een beroep gedaan op artikel 4 van de koopovereenkomst, waarin is bepaald dat ingeval enig feit of omstandigheid waaromtrent door verkoper aan koper een garantie is verleend niet juist blijkt te zijn en koper daardoor schade lijdt, verkoper deze schade volledig zal dragen en vergoeden tot een maximum van € 225.000 en dat een beroep op deze bepaling binnen twee jaar na ondertekening van de koopovereenkomst dient te worden gedaan. Het beroep op deze bepaling kan [A] niet baten, nu Valstar zich voor wat betreft haar vordering niet op die garantiebepaling beroept. Ten slotte maken de ter zitting aangevoerde omstandigheden dat de facturen reeds door het bestuur en de RvC van Valstar zijn goedgekeurd en zijn betaald en dat in de jaarrekening van 2014 ter zake een kostenpost is opgenomen niet dat Valstar haar recht op doorbelasting van die kosten aan [A] heeft verwerkt. Valstar heeft onweersproken gesteld dat pas nadien is gebleken dat ter zake geen sprake was van kosten die ten behoeve van Valstar zijn gemaakt.

Periode januari – 16 februari 2015

4.24.

Ten aanzien van de vordering tot betaling van het bedrag van € 20.000 oordeelt de rechtbank dat Valstar voldoende heeft onderbouwd dat ook die kosten in het privébelang van [A] zijn gemaakt. Valstar heeft verwezen naar de toelichting van Solon advocaten op de facturen over de periode januari 2015 tot en met 16 februari 2015. Daaruit volgt dat over die periode voor in totaal een bedrag van € 35.000 is gefactureerd. Valstar heeft betoogd dat van die € 35.000 een bedrag van € 20.000 betrekking had op het eigen belang van [A] , te weten de voorbereiding van aandeelhoudersvergaderingen, de procedure bij de Ondernemingskamer en het opstellen van een vaststellingsovereenkomst. Uit een door Valstar overgelegde e-mail van Solon Advocaten volgt dat een bedrag van € 15.000,- ziet op het opstellen van twee vaststellingsovereenkomsten met de Dataprotectorsgroep. Tussen partijen is niet in geschil dat één daarvan met [A] is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de daarmee gemoeide kosten voor rekening van [A] te komen. Nu onweersproken is gesteld dat de vaststellingsovereenkomst tussen Data Protectors enerzijds en van [A] anderzijds meer onderhandelingen heeft gevergd dan de vaststellingsovereenkomst tussen Data Protectors en Valstar, oordeelt de rechtbank het door Valstar en Finraad II in dit kader genoemde en door [A] niet weersproken bedrag van € 10.000,- redelijk.

4.25.

Voorts volgt uit de specificatie van Solon Advocaten dat er € 10.000,- is besteed aan de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer en aan het bijwonen en voorbereiden van een AVA van de Dataprotectorsgroep. Beide werkzaamheden zijn verricht in het kader van het aandeelhouderschap van [A] in de Dataprotectorsgroep. Daarmee is – zoals hiervoor is overwogen – evident sprake van een privébelang van [A] . Met Valstar is de rechtbank van oordeel dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door die kosten – met gebruikmaking van zijn volmacht – voor rekening van Valstar te laten komen. De vordering tot betaling van dat bedrag aan haar zal dan ook worden toegewezen.

4.26.

De slotsom ten aanzien van deze vordering is dan ook dat [A] jegens Valstar gehouden is die kosten ad € 75.310,50 aan haar te voldoen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken eveneens worden toegewezen.


Proceskosten
4.27. [A] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in conventie en reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Valstar en Finraad II in conventie begroot op € 3.894 aan griffierecht en € 3.294 (2 punten tarief V à € 1.421), in totaal derhalve € 7.188. In reconventie worden de proceskosten begroot op € 894 aan salaris advocaat (1 punt, tarief IV).

4.28.

De in reconventie onder 3 (a) gevorderde verklaringen voor recht zullen niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, aangezien een verklaring voor recht zich daartoe niet leent.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie
5.1. wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Valstar en Finraad II begroot op € 7.188;

in reconventie
5.3. verklaart voor recht dat [A] aansprakelijk is voor de doorbelasting aan Valstar voor een bedrag van € 75.310,50 ter zake van de kosten van Solon Advocaten;

5.4.

veroordeelt [A] aan Valstar te betalen een bedrag van € 75.310,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2017 tot aan de dag van voldoening;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.6.

veroordeelt [A] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 894;

in conventie en in reconventie

5.7.

verklaart de beslissingen onder 5.2, 5.4 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.1

1 type: 1468 coll: 2400