Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4168

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
NL18.289 en NL18.290
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag. Asielrelaas (huwelijksdwang) niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Koptische christenen in Egypte hoeven niet te worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Geen uitstel vertrek op grond van medische omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.289 en NL18.290


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser, en

[naam 1] eiseres, mede namens hun minderjarige kind [naam 2],

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya - Ahmad),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).

Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 december 2017 (bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond. Voorts is aan eisers geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Al Wandavi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum] en [geboortedatum 1] , bezitten de Egyptische nationaliteit, en zijn koptisch christenen. Eisers zijn met elkaar getrouwd. Zij hebben op 16 maart 2016 aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat eiser in juli 2015 een huwelijksaanzoek van een islamitische vrouw, genaamd [naam 3] , heeft geweigerd. Vervolgens heeft deze [naam 3] de auto van eiser in brand gestoken. Later heeft ze, samen met haar broer, beiden behorend tot een radicaal islamitische familie, eiser nogmaals bedreigd. Indien eiser zich niet zou bekeren tot de Islam en met zou haar trouwen, zou Fatma het destijds nog ongeboren kind van eisers vermoorden. Vervolgens zijn eisers met behulp van een Nederlands visum uit Egypte gevlucht.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder deze aanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Verweerder acht

geloofwaardig dat eisers de Egyptische nationaliteit hebben en het christelijke geloof aanhangen. De gestelde problemen van de zijde van de vrouw genaamd [naam 3] en haar

familie worden niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat koptische christenen in Egypte niet als kwetsbare minderheidsgroep hoeven te worden aangemerkt. Tot slot heeft verweerder aan eiseres geen uitstel van vertrek verleend, onder verwijzing naar het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 28 juni 2017.

3. Eisers voeren daartegen aan dat hun relaas ten onrechte niet geloofwaardig is geacht en dat hen het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Verweerder heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiseres gegeven correctie over het tijdstip van de autobrand in de correcties en aanvullingen (C&A) niet kan worden gevolgd. Eisers stellen verder dat uit de door hen bij zienswijze overgelegde stukken blijkt dat koptische christenen in Egypte nog steeds te maken hebben met intimidatie, bedreigingen en fysiek en verbaal geweld door terroristische organisaties. Over de beoordeling van de medische situatie van eiseres voeren eisers aan dat het BMA-advies van 28 juni 2017 onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu eiseres ten onrechte niet is opgeroepen voor een spreekuuronderzoek. Eisers doen ook een beroep op artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), nu het belang van hun op 3 mei 2016 in Nederland geboren zoon onvoldoende is meegewogen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Verweerder heeft de door eisers gestelde problemen met [naam 3] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, zodat er geen aanleiding bestaat hen het voordeel van de twijfel te geven. De rechtbank verwijst hierbij primair naar de uitgebreide en steekhoudende motivering van verweerder in de beide voornemens en de bestreden besluiten. Verweerder werpt eisers daarin terecht tegen dat de gestelde huwelijksdwang van [naam 3] op zichzelf genomen weinig aannemelijk kan worden geacht. Niet valt in te zien dat een islamitische vrouw een getrouwde christelijke man op een dermate agressieve wijze zou benaderen om haar doel te bereiken. In algemene openbare bronnen wordt ook geen melding gemaakt van deze weinig aannemelijke praktijk. Verweerder werpt eisers eveneens terecht tegen dat eiser geen schriftelijk bewijs heeft overgelegd van de gestelde aangifte van de brandstichting van zijn auto, terwijl hij hiervan naar eigen zeggen wel aangifte heeft gedaan. Verweerder wordt eveneens gevolgd in zijn standpunt dat de verklaringen van eisers over de brandstichting in strijd zijn met elkaar. Zo heeft eiser verklaard dat hij per telefoon op de hoogte werd gesteld van de brand, terwijl eiseres heeft verklaard dat van buitenaf werd geroepen dat eiser snel naar buiten moest komen. Ook over het moment waarop eisers over de brand zouden zijn geïnformeerd (volgens eiser rond 21.00 uur en volgens eiseres rond middernacht), hebben eisers tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiseres aangebrachte correctie op dit punt (rond 22.00 uur) niet hoeven volgen, nu zij voor deze wijziging geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. De gestelde onderduikperiode in Caïro is ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, nu uit bij de visumaanvraag overgelegde bankafschriften blijkt dat eiser sinds 20 oktober 2015 geen enkele financiële transactie heeft verricht in een bankfiliaal in Caïro, en dat al zijn stortingen en opnames zijn gedaan in zijn oude woonomgeving. Voorts hebben eisers over de onderduikperiode tegenstrijdig verklaard, nu eiser heeft verklaard dat hij samen met eiseres in Caïro naar de kerk is gegaan, terwijl eiseres heeft verklaard dat zij in Caïro niet naar de kerk ging.

5. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:7), waarin is geoordeeld dat koptische christenen in Egypte in de grote steden in het algemeen geen reëel risico lopen op vervolging of een onmenselijke behandeling. In reactie op de in de zienswijze overgelegde stukken – die deels van recentere datum zijn dan de stukken die zijn betrokken bij genoemde Afdelingsuitspraak – heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit die stukken geen wezenlijk ander beeld blijkt dan ten tijde van de Afdelingsuitspraak. Nu eisers, zoals verweerder terecht heeft overwogen, tot hun vertrek uit Egypte in Girga hebben gewoond, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij voormeld risico bij terugkeer lopen. De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 november 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:13132) en van zittingsplaats Arnhem van 8 februari 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:572), waarin eveneens is geoordeeld dat niet is gebleken van een verslechtering van de situatie van koptische christenen in Egypte.

6. Het beroep van eisers op het IVRK slaagt niet, nu hun asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht en evenmin aannemelijk is gemaakt dat zij in Egypte te vrezen hebben voor vervolging dan wel schending van artikel 3 van het EVRM. De feiten en omstandigheden die aan de orde waren in de door eisers genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 18 december 2017 (zaaknummers NL17.13119 en NL17.13121) zijn niet vergelijkbaar met die van eisers, reeds nu de vreemdelingen in de aangehaalde uitspraak de Afghaanse nationaliteit hadden en sprake was van ernstige psychische klachten. De uitspraak geeft daarom geen aanleiding voor een ander oordeel.

7. De rechtbank overweegt ten aanzien van de weigering eiseres uitstel van vertrek te verlenen als volgt. Uit het BMA-advies van 28 juni 2017 blijkt dat bij het uitblijven van de noodzakelijke medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zal optreden. Echter, uit het BMA-advies blijkt ook dat, anders dan eiseres zonder onderbouwing heeft betoogd, deze behandeling in Egypte aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank is het BMA-advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig, en, naar inhoud, inzichtelijk en concludent. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling behoort het tot de deskundigheid van het BMA om te oordelen of een nadere specialistische inbreng voor de beantwoording van de door verweerder gestelde vragen over het ontstaan van een medische noodsituatie noodzakelijk is. Onder dit deskundig oordeel van het BMA moet ook worden begrepen de afweging om de vreemdeling voor een spreekuurcontact op te roepen, zodat deze beroepsgrond faalt. De omstandigheid dat eiseres een stoma heeft, waarop zij ter zitting nadrukkelijk heeft gewezen, is blijkens het BMA-advies bij de beoordeling van haar medische situatie betrokken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat de noodzakelijke medische behandeling feitelijk niet toegankelijk is. Het is aan eiseres om een begin van bewijs te leveren dat de benodigde medische behandeling voor haar feitelijk niet toegankelijk is, voordat het aan verweerder is om twijfel over de feitelijke toegankelijkheid weg te nemen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2627). Eiseres heeft dit begin van bewijs niet geleverd. Zo heeft eiseres niet met documenten of anderszins geprobeerd aan te tonen dat de benodigde medische behandeling voor haar te duur is, dat zij niet in staat is om te reizen tussen de ziekenhuizen in Caïro, of dat zij in Egypte geen sociaal netwerk heeft waarop zij kan terugvallen.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.