Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4130

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
09/827283-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft door zeer onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft onder invloed van amfetamine een auto bestuurd, heeft op de A4 over een afstand van 17 kilometer met zeer hoge snelheid tegen de rijrichting in gereden en is op de verbindingsweg tussen de A4 en de A12 tegen de auto van het slachtoffer gebotst. Ten gevolge daarvan heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen. De aanrijding had gelet op de omstandigheden waaronder deze plaatsvond evengoed fataal kunnen aflopen. Verdachte heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer met voeten getreden. Dit handelen voldoet echter niet aan de strenge eisen die door de Hoge Raad aan “roekeloos” als bedoeld in de Wegenverkeerswet worden gesteld. Wel sprake van zeer onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast wordt een rijontzegging opgelegd voor de duur van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827283-17

Datum uitspraak: 12 april 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

verblijfadres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 maart 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.A. Pronk en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.M.P. van Eijsden naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 mei 2017 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

-in een auto heeft gereden, terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen (te weten amfetamine en/of cannabis) en/of

-met zeer hoge snelheid over een lange afstand (van ongeveeer 17 km) tegen de

richting in over de snelweg is gereden in die auto en/of

-niet (voldoende) is uitgeweken toen die [slachtoffer] er in zijn auto vanaf tegengestelde richting aan kwam, waardoor hij met hoge snelheid op de auto waarin die [slachtoffer] zich bevond is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 13 mei 2017 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (A4 ter hoogte van hectometerpaal 5.0), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in een auto te rijden, terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen (te weten amfetamine en/of cannabis) en/of met zeer hoge snelheid over een grote afstand (van ongeveeer 17 km) tegen de richting in over de snelweg te rijden in die auto en/of niet (voldoende) uit te wijken toen die [slachtoffer] er in zijn auto vanaf tegengestelde richting aan kwam (waardoor hij met hoge snelheid op de auto waarin [slachtoffer] zich bevond is gebotst), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of in elk geval zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 13 mei 2017 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (Audi, [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, A4 ter hoogte van hectometerpaal 5.0, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in een auto te rijden, terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen (te weten amfetamine en/of cannabis) en/of met zeer hoge snelheid over een grote afstand (van ongeveeer 17 km) tegen de richting in over de snelweg te rijden in die auto en/of niet (voldoende) uit te wijken toen er een auto vanaf tegengestelde richting aan kwam met daarin [slachtoffer] , waardoor hij, vervolgens met hoge snelheid op de auto waarin [slachtoffer] zich bevond is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 13 mei 2017 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (een audi [kenteken] )), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetmine en/of cannabis, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Aan verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij onder invloed van verdovende middelen met zeer hoge snelheid over een grote afstand tegen het verkeer in heeft gereden en daarbij onvoldoende is uitgeweken waardoor hij met zijn auto tegen een andere auto is gebotst, waarbij die bestuurder (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, subsidiair ten laste gelegde feit, waarbij de mate van schuld van verdachte gekwalificeerd kan worden als zeer onoplettend en onvoorzichtig handelen. Feit 2 kan volgens de officier van justitie ook wettig en overtuigend worden bewezen.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van de tenlastelegging nader worden ingegaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig haar pleitnota, betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de mate van schuld van verdachte niet gekwalificeerd kan worden als roekeloos, maar wel als zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig of onoplettend. Ten aanzien van het tweede feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Daar waar dit van belang is, zal de rechtbank nader ingaan op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

bewijsmiddelen

Op 13 mei 2017 omstreeks 6.00 uur heeft te Den Haag een ongeval plaatsgevonden op de verbindingsweg tussen de A4 (Den Haag richting Rotterdam) en de A12 (Den Haag richting Utrecht), ook wel aangeduid als A12 hectometerpaal 5.5 u, linker rijbaan. Bij dit ongeval is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), rijdend in een Volkswagen Caddy aangereden door verdachte, rijdend in een Audi (hierna: de auto)23.

Kort voor het ongeluk zag verbalisant [naam verbalisant] (hierna: [naam verbalisant] ) – die op 112-meldingen van een spookrijder afging – dat de betreffende auto op de A4 tegen de rijrichting in reed. Hij heeft toen de zwaailichten en geluidssignalen van zijn auto aangezet om de aandacht van de bestuurder, verdachte, te trekken. Hij is naast de auto gaan rijden en zag dat verdachte voor zich uit bleef kijken, en niet naar hem omkeek. [naam verbalisant] reed op dat moment 114 kilometer per uur en verdachte reed toen met ongeveer dezelfde snelheid. Verdachte bleef met dezelfde snelheid doorrijden tegen de rijrichting in. Meerdere tegemoetkomende auto’s wisselden van rijstrook op het moment dat zij verdachte zagen naderen. Zij seinden ook met hun koplampen naar verdachte. Ter hoogte van hectometerpaal 47.5 boog verdachte linksaf via een zogenoemde fly-over in de richting van de A12.

Vanaf deze afrit geldt van 6.00 uur tot en met 19.00 uur een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en van 19.00 uur tot en met 6.00 uur een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur.

Na het ongeluk is vastgesteld dat verdachte op de A4 over een afstand van ten minste 16,9 kilometer tegen de rijrichting in heeft gereden4.

Na het ongeluk heeft verdachte de getuige [getuige] , die het ongeluk had gezien, was gestopt en naar verdachte was toegelopen, een klap tegen zijn hoofd gegeven5. Toen verbalisant [naam verbalisant] en zijn collega verdachte wilden aanhouden is hij weggerend. Verdachte is, nadat hij eerst twee keer met een pepperspray in zijn gezicht was gespoten, en drie politieagenten vanwege zijn hevige verzet verdachte niet onder controle konden krijgen, met hulp van meerdere politiemensen uiteindelijk geboeid en aangehouden6.

[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen, bestaande uit een bloeduitstorting aan zijn linkerbeen, stijfheid in de nek en rug en pijn in de onderrug7. [slachtoffer] , hovenier van beroep, heeft op 16 juli 2017 verklaard dat hij nog steeds last heeft van zijn rug en nek en het hierdoor rustiger aan moet doen in zijn werk. Hij heeft na het ongeluk enige tijd niet kunnen werken en is vanaf 30 maart 2017 geleidelijk weer aan het werk gegaan, eerst voor drie uur per dag en vanaf 26 juni 2017 weer voor acht uur per dag. Zijn linkerbeen kan hij gebruiken voor zijn werk, maar dit is niet goed genoeg om te kunnen sporten op zijn niveau van voor het ongeluk8.

Verdachte heeft in het ziekenhuis verklaard dat hij de dag voor het ongeval in Polen een pilletje amfetamine heeft ingenomen9.

Het NFI heeft vastgesteld dat zich in het bloed van verdachte, afgenomen op 13 mei 2017, een hoge concentratie van 0,20 mg/l amfetamine bevond en heeft geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door amfetamine10.

Feit 1

De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft te twijfelen aan de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte, die verdachte kort na het ongeval tegenover de verbalisanten heeft afgelegd. Dit ambtsedig proces-verbaal is opgemaakt op een moment waarop het NFI nog niet was begonnen met het bloedonderzoek waarbij is vastgesteld dat in het bloed van verdachte amfetamine zat. Verdachte kan dus door het resultaat van dat onderzoek niet zijn beïnvloed. Voor het betoog van verdachte dat de tolk zijn verklaring onjuist heeft vertaald, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt.

Dat verdachte de verklaring niet heeft ondertekend omdat hij het met de vertaling niet eens zou zijn geweest, zoals de raadsvrouw ter zitting heeft gesuggereerd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. De verbalisant heeft ter zake genoteerd dat verdachte “niet in staat was om te tekenen”. De rechtbank heeft geen reden daar aan te twijfelen nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij op dat moment fysiek beperkt was omdat hij in een ziekenhuisbed lag.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan de latere wisselende verklaringen die verdachte over het innemen van het pilletje heeft afgelegd, erop neerkomend dat verdachte, toen hij ging spookrijden, niet wist dat hij amfetamine had genomen.

Ten aanzien van de diverse in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat verdachte onder invloed was van cannabis, zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de overige in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De rechtbank merkt de snelheid waarmee verdachte heeft gereden, gelet op de omstandigheid dat verdachte tegen de rijrichting in heeft gereden, aan als “zeer hoog”.

Ten aanzien van feit 1 resteert de vraag hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.

feit 1, primair

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het handelen van verdachte, te weten het onder invloed van amfetamine met zeer hoge snelheid over een grote afstand tegen de rijrichting inrijden op een snelweg zonder (voldoende) uit te wijken, onmiskenbaar een zeer gevaarlijke verkeerssituatie voor zijn medeweggebruikers in het leven geroepen. Dit handelen heeft geleid tot een verkeersongeval met lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Op grond van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat verdachte de intentie had [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, noch dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Dit maakt dat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 1, primair ten laste gelegde feit.

feit 1, subsidiair

De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als “roekeloos” dan wel als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “schuld” aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden gekeken naar het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Hierbij geldt dat uit de ernst van de gevolgen van de verkeersovertreding niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt in beginsel hetzelfde. Daarbij moet echter worden betrokken dat roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, wordt aangemerkt, die onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf kan leiden. Van “roekeloosheid” zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Hierbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” wordt verstaan.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van verdachte, die uiteindelijk geleid hebben tot het ongeval, en lichamelijk letsel bij het slachtoffer [slachtoffer] veroorzaakt hebben, aan te merken zijn als ernstige verkeersovertredingen. Deze handelingen komen voort uit meer dan een moment van onachtzaamheid en vallen verdachte in ernstige mate te verwijten. Het gedrag van verdachte door over een grote afstand, met zeer hoge snelheid op de snelweg tegen het verkeer in te rijden onder invloed van amfetamine, beoordeelt de rechtbank als zeer onvoorzichtig en onoplettend in de zin van artikel 6 WVW. Het handelen van verdachte heeft, zoals is overwogen, weliswaar een gevaarlijke verkeerssituatie voor zijn medeweggebruikers veroorzaakt en heeft ook geleid tot een ongeluk met lichamelijk letsel, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoet dit handelen niet aan de strenge eisen die door de Hoge Raad aan “roekeloos” als bedoeld in de WVW worden gesteld. Verdachte zal daarom van dit strafverhogende bestanddeel worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt het letsel dat [slachtoffer] door het ongeval heeft opgelopen aan als zodanig letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen is verklaard.

Feit 2

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte onder invloed was van cannabis, zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken.

In het bloed van verdachte is een concentratie van 0,20 mg/l amfetamine aangetroffen; het NFI heeft dit gekwalificeerd als een hoge concentratie amfetamine en geconcludeerd dat de rijvaardigheid van verdachte waarschijnlijk negatief beïnvloed was. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs, zeker ingeval van een hoge dosis, de rijvaardigheid kan verminderen. De rechtbank acht op grond hiervan dit feit wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1, subsidiair:

hij op 13 mei 2017 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (A12 ter hoogte van hectometerpaal 5.5u), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend in een auto te rijden, terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen (te weten amfetamine) en met zeer hoge snelheid over een grote afstand (van ongeveer 17 km) tegen de richting in over de snelweg te rijden in die auto en niet uit te wijken toen die [slachtoffer] er in zijn auto vanaf tegengestelde richting aan kwam (waardoor hij met hoge snelheid op de auto waarin [slachtoffer] zich bevond is gebotst), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 13 mei 2017 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (een audi [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft op 13 mei 2017 door zeer onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft onder invloed van amfetamine een auto bestuurd, heeft op de A4 over een afstand van 17 kilometer met zeer hoge snelheid tegen de rijrichting in gereden en is op de verbindingsweg tussen de A4 en de A12 tegen de auto van [slachtoffer] gebotst. Ten gevolge daarvan heeft [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen waardoor hij langere tijd zijn werk als hovenier niet kon uitoefenen en waardoor hij ook werd belemmerd in zijn dagelijks leven. Uit de verklaring ter terechtzitting van [slachtoffer] blijkt dat hij nog steeds last heeft van zijn nek en daarvoor onder behandeling is van een fysiotherapeut. Zonder dit letsel te willen bagatelliseren, is het een geluk bij een ongeluk geweest dat het wat betreft de gevolgen voor [slachtoffer] , bij dit letsel is gebleven. De aanrijding had gelet op de omstandigheden waaronder deze plaatsvond evengoed fataal kunnen aflopen. Verdachte heeft de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer met voeten getreden.

Ten aanzien van het deelnemen aan het verkeer onder invloed van amfetamine overweegt de rechtbank dat het algemeen bekend is dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van drugs negatief worden beïnvloed. De rechtbank rekent dit alles verdachte ernstig aan.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte gedateerd 11 mei 2017.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland over verdachte gedateerd 14 augustus 2017. Hierin is vermeld dat de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor verdere bemoeienis en zich, mede gelet op de beperkingen die de verblijfsstatus van verdachte met zich meebrengt, onthoudt van een strafadvies.

De op te leggen straffen

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van de feiten geen andere straf dan een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de vrijheidsstraf onder meer gekeken naar wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. De rechtbank heeft voorts als strafverzwarende omstandigheden in aanmerking genomen dat verdachte met een hoge concentratie amfetamine in de auto is gaan rijden en over een zeer lange afstand met zeer hoge snelheid tegen het verkeer in heeft gereden en een ongeluk heeft veroorzaakt met letsel bij het slachtoffer.

Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Dit voorwaardelijk deel geldt als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden dat hij zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De ernst van de gedragingen en de bescherming van de verkeersveiligheid vormen daarnaast aanleiding voor de rechtbank om een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren op te leggen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 (TWEE) JAAR;

bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, bij de uitvoering van de opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Essen, voorzitter,

mr. E.J. van As, rechter,

mr. P. Burgers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500-2017130628, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, Districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 121).

2 Proces-verbaal aanrijding overtreding, blz. 61-63.

3 Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, blz. 64-67.

4 Proces-verbaal van overtreding, met bijlagen, blz. 82-87.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , blz. 42-43.

6 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 30-32.

7 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, blz. 99 en 100.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 101.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 20.

10 Het rapport “toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet” van het Nederlands Forensisch Instituut, blz. 115-121.