Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4092

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8445
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

regulier, verblijfsvergunning afgewezen, uit ouderlijk gezag ontheven, regelmatige omgang met kinderen niet aannemelijk gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/8445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Rennen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier afwezen en aan eiseres een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 30 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Kaapverdische nationaliteit. Eiseres is sinds 2011 in Nederland. Zij heeft van 15 november 2012 tot 21 september 2013 een verblijfsvergunning gehad. Eiseres heeft op 19 december 2016 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘familieleven op grond van artikel 8 EVRM’ ingediend.

2. Verweerder heeft deze aanvraag primair afgewezen omdat eiseres niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres komt volgens verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de uitzetting van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij overweegt verweerder dat er familieleven bestaat tussen eiseres en haar twee minderjarige kinderen ([kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1]2010 en [kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2]2011) en dat er hierin derhalve inmenging plaatsvindt, maar dat deze inmenging is toegestaan in het belang van de Nederlandse overheid. Daarbij heeft verweerder in het nadeel van eiseres betrokken dat zij niet meer het ouderlijk gezag heeft over haar beide dochters en dat de kinderen zijn ondergebracht in pleeggezinnen. Voorts heeft eiseres niet aangetoond met objectief verifieerbare bewijsstukken dat eiseres nog feitelijke invulling geeft aan het familieleven met haar kinderen. Dit weegt niet op tegen het feit dat de kinderen van eiseres een verblijfsvergunning hebben en zij zelf in het verleden ook een verblijfsvergunning heeft gehad. Voorts is geen sprake van strijd met het recht van eiseres op respect van het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, noch van een onredelijke hardheid in de zin van de hardheidsclausule.

3. Eiseres stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat zij weldegelijk heeft aangetoond feitelijk invulling te geven aan het familieleven met haar kinderen en wijst daarbij op een aantal verklaringen van de pleegouders van haar kinderen. Eiseres is van mening dat de verklaring van haar zus wel objectief verifieerbaar is. Verweerder zou deze kunnen laten toetsen door de vaste begeleider van Jeugdzorg. De bemoeienis van Jeugdzorg is nu teruggebracht naar een keer per jaar verifiëren of de kinderen nog daadwerkelijk in de pleeggezinnen verblijven en of het welzijn van de kinderen nog in orde is. Als de kinderen hun moeder echter niet zouden zien zou dat in strijd zijn met hun belangen en zou dat een contra indicatie opleveren, waardoor Jeugdzorg weer meer zou optreden. Nu er geen contra indicatie is, is dat volgens eiseres dus een bevestiging dat de omgang met eiseres en haar kinderen goed loopt. Een hoorzitting zou bij uitstek de gelegenheid zijn geweest om de verklaringen van de zus van eiseres en van eiseres zelf over de omgang met de kinderen te toetsen. Dat verweerder van een hoorzitting heeft afgezien, is onrechtmatig. Tot slot is het niet verlenen van een vergunning volgens eiseres in strijd met Europese jurisprudentie zoals het Rodrigues da Silva en Hoogkamer arrest waarin is bepaald dat omgang tussen moeder en kind dient te worden gewaarborgd met een verblijfsvergunning voor eiseres.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

In deze zaak staat de vraag centraal of eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij feitelijke invulling geeft aan het familieleven met haar dochters. De bewijslast hiervoor ligt in beginsel bij eiseres. Bij brief van 28 november 2016 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om dit aan te tonen. Eiseres heeft hier geen gebruik van gemaakt. Bij de aanvraag van 19 december 2016 heeft eiseres een e-mail van
25 november 2016 van haar zus en tevens de pleegmoeder van [kind 1] overgelegd. Verweerder heeft op grond hiervan echter kunnen concluderen dat daaruit niet blijkt dat eiseres haar kinderen daadwerkelijk consequent en regelmatig bezoekt voor een lange(re) periode of dat deze omgang geformaliseerd zou zijn in een omgangsregeling. Uit die e-mail blijkt slechts dat haar zus het belangrijk vindt dat eiseres regelmatig contact heeft met haar kinderen. Verweerder heeft deze e-mail bovendien terecht aangemerkt als niet afkomstig uit objectieve bron. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat het aan verweerder is om de informatie in de brief van de zus te toetsen bij Jeugdzorg, nu de bewijslast in deze bij eiseres ligt. De stelling van eiseres dat het feit dat Jeugdzorg zich niet actief bemoeit met het gezin betekent dat de kinderen eiseres regelmatig zien, acht de rechtbank onvoldoende. Eiseres heeft bij brief van 9 februari 2018 nog een aantal stukken, te weten verklaringen van het NIDOS van 3 maart 2015 en 16 december 2014, de(zelfde) verklaring van de zus van eiseres en een proces-verbaal van 6 april 2017, overgelegd waaruit de omgang met haar kinderen zou moeten blijken. De rechtbank stelt echter vast dat deze stukken – met uitzondering van laatstgenoemde proces-verbaal – reeds door verweerder zijn betrokken in de beoordeling. Verweerder heeft ten aanzien van de verklaringen van het NIDOS terecht opgemerkt dat deze dateren van geruime tijd voor de aanvraag van 19 december 2016 en derhalve niet meer actueel waren ten tijde van de aanvraag. De verklaring van de zus van eiseres, tevens de pleegmoeder van [kind 1], heeft verweerder ook bij de besluitvorming betrokken, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen bovenaan deze alinea hierover is geoordeeld. Ook wordt uit het overgelegde proces-verbaal van gehoor van de politie niet duidelijk wanneer en hoe vaak eiseres [kind 1] ziet. De enkele aanduiding dat dit “regelmatig” gebeurt, is daartoe onvoldoende concreet. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat eiseres [kind 2] bijna helemaal niet ziet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij feitelijke invulling geeft aan het familieleven met haar dochters.

4.2

Verweerder heeft bij de belangenafweging in het kader van de toets op grond van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseres laten meewegen dat zij ten aanzien van haar beide kinderen uit het ouderlijk gezag is ontheven en dat zij niet met objectief verifieerbare stukken heeft aangetoond dat zij haar kinderen regelmatig ziet. Verweerder heeft hieraan voorts niet ten onrechte meer gewicht toegekend dan aan het feit dat haar kinderen een geldige verblijfsvergunning hebben en dat eiseres eerder zelf ook een verblijfsvergunning heeft gehad. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de verblijfsvergunning destijds onder dezelfde feitelijke omstandigheden was afgegeven. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, was eiseres op dat moment nog niet ontheven uit het ouderlijk gezag. Dit heeft verweerder als een relevante wijziging in de omstandigheden ten opzichte van de huidige aanvraag kunnen aanmerken.

4.3

Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat deze zaak niet op één lijn te stellen is met de casus in het arrest Rodrigues da Silva Hoogkamer (EHRM, 31 januari 2006, nr. 50435/99 (www.echr.coe.int). Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres uit het ouderlijk gezag is ontheven en dat haar dochters niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Voorts is er geen andere ouder met het ouderlijk gezag belast.

4.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, noch op grond van artikel 8 van het EVRM, noch op grond van de hardheidsclausule.

4.5

Tot slot slaagt de beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien evenmin. Op grond van het bepaalde in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen van belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is onder meer sprake wanneer aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor.

4.6

Hetgeen eiseres voor het overige heeft aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen nadere bespreking meer.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.