Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4040

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
NL18.4901
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

maatregel van bewaring, Chavez-Vilchez, Hof van Justitie van de Europese Unie, rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, geen constitutief besluit, declaratoire handeling, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU, declaratoir verblijfsrecht, effectieve genot, essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, minderjarig kind, Nederlandse nationaliteit, geen zodanige afhankelijkheidsrelatie, afgeleid verblijfsrecht aan het Unierecht, aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht, redelijk vooruitzicht op verwijdering, niet onvoldoende voortvarend, Marokko, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, voortgangsrapportage, lichter middel, family life, artikel 8 EVRM, aanvraag toetsing aan EU-recht, categoriewijziging.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling bij uitspraak van 3 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM5541) heeft geoordeeld dat de rechter in vreemdelingenzaken in het kader van de beoordeling van de bewaring zelfstandig dient te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan. De afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is geen constitutief besluit maar een declaratoire handeling.

Gelet op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354) beoordeelt de rechtbank of uit de verklaringen van de vreemdeling volgt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn gestelde kind, zodat hij een (declaratoir) verblijfsrecht heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, Vw 2000 en de inbewaringstelling van meet af aan onrechtmatig is.

De rechtbank oordeelt dat de vreemdeling met de gestelde feiten niet heeft aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat zijn gestelde kind genoodzaakt zal zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien de vreemdeling een verblijfsrecht wordt ontzegd.

Een ‘aanvraag toetsing aan EU-recht’ levert gezien het declaratoire karakter van die toetsing geen rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000, zodat categoriewijziging van de maatregel hangende die toetsing niet vereist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4901


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 januari 2018 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 januari 2018 (in de zaak NL18.178) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 17 januari 2018 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Eiser voert aan dat hij op 12 februari 2018 een aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER heeft ingediend op grond van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354). Eiser stelt dat hij daarom rechtmatig verblijf heeft, en in bewaring had moeten worden gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000.

4. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 3 mei 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BM5541) heeft geoordeeld dat de rechter in vreemdelingenzaken in het kader van de beoordeling van de bewaring zelfstandig dient te beoordelen of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is voldaan. De afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is geen constitutief besluit maar een declaratoire handeling.

5. Blijkens het arrest Chavez-Vilchez kan uit het bepaalde in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een declaratoir verblijfsrecht worden afgeleid dat afhankelijk is van de EU-rechten van het kind van een vreemdeling, dat de Nederlandse of andere EU-nationaliteit heeft en dus burger van de Unie is. Daarbij is de vraag of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en het kind, dat dit kind, als direct gevolg van de ontzegging van een verblijfsrecht aan de vreemdeling, genoodzaakt zal zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en waarmee dus het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd.

6. Het HvJ-EU overweegt dat niet alle onderdanen van derde landen aan artikel 21 van de VWEU verblijfsrechten in een lidstaat ontlenen, maar uitsluitend zij die familielid zijn – in de zin van artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG – van een burger van de Unie die van zijn recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich in een andere lidstaat te vestigen dan die waarvan hij de nationaliteit bezit. Daarom moet eerst worden beoordeeld of een vreemdeling een op artikel 21 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht kan inroepen. Indien dat niet het geval is, zal de situatie van het kind, burger van de Unie, en van zijn bloedverwant in opgaande lijn, onderdaan van een derde land, aan artikel 20 van het VWEU moeten worden getoetst. In eisers geval zal aan artikel 20 van het VWEU moeten worden getoetst, nu het gestelde kind van eiser blijkens eisers verklaringen de Nederlandse nationaliteit heeft en zich niet in een andere lidstaat dan Nederland heeft gevestigd.

7. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.

8. De wijze waarop verweerder uitvoering geeft aan het arrest Chavez-Vilchez is neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Verweerder legt dit arrest aldus uit dat een vreemdeling die een minderjarig kind heeft met de Nederlandse nationaliteit en met wie de vreemdeling in een zodanige afhankelijkheidsverhouding staat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

9. De rechtbank zal daarom beoordelen of uit de verklaringen van eiser volgt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn gestelde kind als hiervoor bedoeld. Indien dat het geval is, heeft eiser een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en is de inbewaringstelling van eiser van meet af aan onrechtmatig.

10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de stukken die de gemachtigde van eiser heeft ingediend bij de “Reactie M120 rapportage” blijkt dat eiser zijn gestelde kind niet heeft erkend, dat het kind bij zijn moeder verblijft, en dat, voordat eiser in bewaring is gesteld, sprake was van een informele omgangsregeling tussen eiser en zijn kind. Ook heeft gemachtigde van eiser aangegeven dat een gedwongen vertrek van eiser uit Nederland voor het kind zou betekenen dat hij zonder zijn vader zou moeten opgroeien. In het vertrekgesprek, gehouden op 27 februari 2018, heeft eiser aangegeven dat hij wil weten of hij terug moet keren of niet. Hij verklaart dat het hem niet uitmaakt; wat er ook gebeurt, hij is sowieso blij, of hij nu hier kan blijven of terug moet keren. Voorts heeft eiser aangegeven dat hij in principe wel terug wil keren, maar dat dit met een kind in Nederland niet kan.

11. De rechtbank oordeelt dat eiser met de gestelde feiten niet heeft aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat zijn gestelde kind genoodzaakt zal zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien eiser een verblijfsrecht wordt ontzegd. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hij gelet op het arrest Chavez-Vilchez een afgeleid verblijfsrecht aan het Unierecht kan ontlenen. Eiser is dan ook terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

12. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij op 12 februari 2018 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier heeft ingediend en dat verweerder ten onrechte de maatregel niet heeft omgezet naar een maatregel op de grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b. Bij gebreke van tijdige omzetting is het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten.

13. Deze beroepsgrond slaagt niet. Blijkens de door eiser overgelegde stukken betreft de door eiser ingediende aanvraag een aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag strekt tot vaststelling van een verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat het rechtsgevolg van de indiening van die aanvraag niet is dat eiser hangende de beoordeling van die aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g of h zou hebben. De redactie van die bepalingen geeft de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel, nu die niet de situatie betreffen dat een toetsing aan het bestaan van een aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht plaatsvindt. Daarom bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen omzetting van de maatregel als door eiser bepleit aan de orde was.

14. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Hij voert hiertoe aan dat de aanvraag om afgifte van een lp op 10 januari 2018 aan de Marokkaanse autoriteiten is verzonden, maar dat niet is gebleken wanneer een presentatie zal kunnen plaatsvinden. Gelet op het feit dat bij de lp-aanvraag een kopie van eisers rijbewijs is meegezonden, had het in de rede gelegen dat er al een presentatie zou zijn ingepland. Verweerder heeft ook geen handelingen verricht ter bespoediging van een presentatie dan wel uitzetting. Daarnaast blijkt uitzetting naar Marokko in de praktijk nog zeer problematisch. Eiser wijst erop dat hij in 2015 eveneens in bewaring is gesteld en deze uiteindelijk ook moest worden opgeheven. Hij verwacht dan ook dat de bewaring de duur van zes maanden zal overschrijden.

15. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet met vrucht worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 27 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3240) heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in eisers geval hier anders over te oordelen. De rechtbank acht hiervoor van belang dat uit de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage blijkt dat op 10 januari 2018 een aanvraag om afgifte van een lp is verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten en dat hier nog geen (negatief) antwoord op is ontvangen. Op dit moment kan dan ook niet worden uitgesloten dat aan eiser binnen een redelijke termijn een lp zal worden verstrekt. Eisers stelling dat de termijn van zes maanden zal worden overschreden kan daarom ook niet worden gevolgd. Daarnaast heeft verweerder 2 februari 2018 en 21 februari 2018 schriftelijk bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd en hebben op 8 februari 2018 en 27 februari 2018 vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Eisers stelling dat verweerder geen handelingen heeft verricht ter bespoediging van een presentatie of uitzetting treft dan ook geen doel. De rechtbank merkt voorts op dat verweerder, ook voor het plannen van een presentatie, afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten. Het meezenden van de kopie van eisers Marokkaanse rijbewijs kan het plannen van een presentatie en het afgeven van een lp bespoedigen. Er bestaat gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

16. Eiser voert aan dat verweerder vanaf het moment van indiening van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op 12 februari 2018 met een lichter middel had moeten volstaan. Er is namelijk sprake van family life tussen hem en zijn kind van bijna één jaar.

17. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

18. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats opgegeven. Hij heeft niet aangegeven op welk adres hij kan verblijven en onvoldoende onderbouwd dat hij zich beschikbaar zal houden voor uitzetting. Verweerder heeft hierin op goede gronden geen aanleiding behoeven te vinden om thans tot het opleggen van een lichter middel over te gaan. Eiser stelling dat er sprake is van family life tussen hem en zijn – door hem niet-erkende – kind, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast is niet gebleken dat eiser met zijn kind “family life” in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) uitoefent. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn gestelde kind. De beroepsgrond slaagt niet.

19. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten.

20. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van
F.E. Jurgens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.