Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4026

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 7072
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op zorg vanuit de Wet langdurige zorg.

Wetsverwijzingen
Wet langdurige zorg 3.2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/7072

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K.T.F. Chocolaad),

en

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz).

Bij besluit van 1 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres is bekend met diabetes en cardiale klachten. Daarnaast is sprake van ernstige chronische psychiatrische en gedragsproblematiek, waarvoor zij onder behandeling staat van GGZ Parnassia.

1.2

Op 17 januari 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend om haar in aanmerking te brengen voor langdurige zorg op grond van de Wlz. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker van het CIZ op 2 maart 2017 een huisbezoek afgelegd. Op 12 april 2017 heeft is advies uitgebracht door de medisch adviseur.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat zij niet aangewezen is op 24 uurs zorg in de nabijheid.

1.4

Verweerder heeft een concept van het bestreden besluit ter advisering voorgelegd aan het Zorginstituut Nederland. Het zorginstituut heeft laten weten geen advies uit te brengen, omdat de te volgen lijn zijns inziens duidelijk is.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit is overwogen dat bij eiseres sprake is van somatische en psychiatrische problematiek. De psychiatrische problematiek biedt geen grondslag. De lagere intelligentie zou een grondslag kunnen vormen, maar daar is geen informatie over. Op basis van de somatische grondslag is er volgens verweerder geen noodzaak tot 24-uurszorg in de nabijheid of permanent toezicht. Daarom is er geen toegang tot de Wlz. Verweerder ziet in geval van eiseres geen reden om van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz te moeten afwijken.

3. Eiseres voert aan dat verweerder haar klachten heeft onderschat. Zij heeft in dit verband gesteld dat met name somatische zorg maakt dat zij zorg beheoft vanuit de Wlz. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres bij brief van 19 februari 2018 een medisch advies WMO van 17 en 25 januari 2017 van adviserend geneeskundige O. Mahadew van GGD Haaglanden in het geding gebracht. Daarnaast voert eiseres aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de medisch adviseur van het CIZ de actuele medische situatie niet heeft opgevraagd bij de huisarts en de behandelend psychiater. Ten slotte is het gegeven dat er sprake is van zwakzinnigheid niet voldoende meegewogen door de medisch adviseur, aldus eiseres. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres bij brief van 1 maart 2018 een rapportage diagnostisch onderzoek van de Parnassia Groep van 1 februari 2018 overgelegd.

4.1.1

Ingevolge artikel 3.2.1., eerste lid, van de Wlz heeft een verzekerde recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijk, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan:

a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,

1◦ door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of

2◦ door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

4.1.2

Het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt dat onder permanent toezicht wordt verstaan: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen.

4.2

Ingevolge artikel 3.2.3, eerste lid, van de Wlz wordt het recht op zorg op aanvraag van de verzekerde in een indicatiebesluit vastgesteld door het CIZ. Het recht op zorg dat wordt vastgesteld in het indicatiebesluit sluit aan bij de behoefte van de verzekerde.

4.3

Ingevolge artikel 1 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2017 (de Beleidsregels) hanteert het CIZ beleidsregels bij het beoordelen of en in welke omvang de verzekerde in aanmerking komt voor één of meer van de in artikel 3.1.1. van de Wlz aangewezen vormen van zorg. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 3.

4.4

Ingevolge bijlage 2 van de Beleidsregels moet een verzekerde, om in aanmerking te komen voor toegang tot zorg vanuit de Wlz, in elk geval beschikken over één van de volgende vijf grondslagen:

1. somatische aandoening of beperking.

2. psychogeriatrische aandoening of beperking.

3. lichamelijke handicap.

4. verstandelijke handicap.

5. zintuigelijke handicap.

4.5

Uit de Wlz en de wetsgeschiedenis bij die wet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat verzekerden met een psychiatrische grondslag geen aanspraak maken op zorg op grond van de Wlz, maar wel recht hebben op die zorg op grond van de Wmo 2015 dan wel de Zorgverzekeringswet (Memorie van Toelichting bij de Wlz, TK 2013-204, 33 891, nr. 3, pag. 146). De achterliggende gedachte is dat op voorhand niet is vast te stellen of de zorgbehoefte van een cliënt voor de geestelijke gezondheidszorg blijvend is of niet, omdat het verloop van de aandoening op voorhand vaak niet goed te voorspellen is. Alleen indien op grond van een andere grondslag - dan de psychiatrische - recht bestaat op zorg op grond van de Wlz wordt niet uitgesloten dat zorg ten laste van de Wlz voor een psychische stoornis wordt verleend (Memorie van Toelichting bij de Wlz, TK 2013-204, 33 891, nr. 3, pag. 14).

5.1

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres kampt met lichamelijke en psychische klachten en dat zij hiervoor onder behandeling staat. Partijen houdt verdeeld of eiseres al dan niet in aanmerking komt voor zorg ingevolge de Wlz.

5.2

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het medisch advies van 12 april 2017 waarin is geconcludeerd dat eiseres lijdt aan een ernstige chronische psychiatrische problematiek die ten grondslag ligt aan het stoornissen- en beperkingenbeeld. De intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte wordt geheel door deze psychiatrische problematiek bepaald. Volgens de medisch adviseur is ten aanzien van eiseres sprake van de grondslag somatische aandoeningen. De lichamelijke aandoeningen van eiseres zijn echter stabiel en leiden niet tot relevante stoornissen en beperkingen en dus ook niet tot een zorgbehoefte. Daarom is geen sprake van een blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid zoals bedoeld in de Wlz. De grondslag psychiatrie is echter geen grondslag in de Wlz, daarom zal de 24-uurszorg en begeleiding vanuit de Wmo moeten worden gefinancierd, aldus de medisch adviseur.

5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een advies van een medisch adviseur van een bestuursorgaan als verweerder een deskundigenadvies en mag het bestuursorgaan, indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, bij de besluitvorming in beginsel van zo’n advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3266).

5.4

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door verweerder verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het advies van de medisch adviseur is volledig en op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen. In dit geval kan het niet opvragen van medische informatie bij de behandelaars van eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet als onzorgvuldig worden bestempeld. De medisch adviseur heeft dossieronderzoek verricht en kennis genomen van medische informatie waaronder het medisch advies WMO van GGD Haaglanden van 25 januari 2017 en informatie van psychiater W. Bruining van PsyQ van 17 juni 2014. Uit deze informatie van PsyQ blijkt dat sprake is van lichte zwakzinnigheid. Deze informatie heeft de medisch adviseur kenbaar bij de advisering betrokken. De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie van de medisch adviseur dan wel dat de medisch adviseur de huisarts en behandelend psychiater om nadere informatie had moeten vragen. Daarbij geldt in het algemeen dat een medisch adviseur in beginsel op zijn eigen oordeel mag varen als het gaat om de vraag of informatie van de behandelend sector toegevoegde waarde heeft voor de advisering.

Het door eiseres in het geding gebrachte medisch advies WMO bevat geen nieuwe medische informatie, omdat eiseres dat ook reeds bij haar aanvraag heeft overgelegd en de medisch adviseur daarvan reeds kennis heeft genomen.

5.5

Verweerder heeft ter zitting geciteerd uit een recente reactie van de medisch adviseur op de door eiseres in het geding gebrachte rapportage diagnostisch onderzoek van de Parnassia Groep van 1 februari 2018. De medisch adviseur heeft hierin opgemerkt dat de IQ-test bij eiseres pas is afgenomen op 44-jarige leeftijd, terwijl zwakzinnigheid vóór het achttiende levensjaar moet worden vastgesteld, wil er sprake kunnen zijn van de grondslag verstandelijke handicap als bedoeld in de Wlz. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat eiseres behoorlijke psychische klachten heeft, welk klachten van invloed kunnen zijn op de uitkomst van het IQ-onderzoek.

De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarom kan aan dit rapport van de Parnassia Groep geen grondslag voor de Wlz worden ontleend.

5.6

De stelling van eiseres dat verwaarlozing een grondslag vormt voor de Wlz volgt de rechtbank niet, omdat dit gedrag ook volgens eiseres voortvloeit uit en samenhangt met haar psychische klachten en dus geen grondslag vormen voor zorg op grond van de Wlz.

5.7

Aangezien onbestreden is dat de hart- en diabetesklachten van eiseres stabiel zijn en niet gebleken is dat deze leiden tot de noodzaak van voortdurende medische zorg, ziet de rechtbank ook op dit vlak geen aanleiding om de medisch adviseur niet te volgen.

5.8

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op basis van het door de medisch adviseur verrichte onderzoek dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid.

6. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wlz terecht en op goede gronden afgewezen.

7. Het beroep is dan ook ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.