Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:402

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
09/767168-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen, meermalen gepleegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/767168-17 en 09/766087-17 (ttz gev)

Datum uitspraak: 22 januari 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

BRP-adres: [adres] ,

thans gedetineerd in de [Detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 september 2017 en 12 december 2017 en gesloten ter terechtzitting van 8 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 09/767168-17 (dagvaarding I):

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2017

tot en met 13 juni 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging, althans alleen, één of meermalen (telkens)

- van een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal (omgerekend)

EUR 1.171.800,17), althans een of meerdere geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die

geldbedrag(en) is/zijn, en/of

- een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal (omgerekend)

EUR 1.171.800,17), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of

middellijk - van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en)

betrof(fen);

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2017

tot en met 22 maart 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in

[Land vestiging bedrijf] meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [gedupeerde rechtspersoon] (telkens) heeft

bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), te weten

een bedrag van USD 179.088,00 althans (omgerekend) EUR 165.010,92 en/of

een bedrag van USD 1.089.648,00 althans (omgerekend) EUR 1.006.789,25,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid

- zich voorgedaan (aan [gedupeerde rechtspersoon] ) als (een

medewerker van) [betrokkene 1] en/of

- ( in die hoedanigheid) (via de mail) een of meer factu(u)r(en) gestuurd aan

(een medewerker van) [gedupeerde rechtspersoon] en/of

- ( vervolgens) via de mail (een medewerker van) [gedupeerde rechtspersoon] Trading

Private Limited verzocht betalingen te verrichten op bankrekeningnummer IBAN

[rekeningnummer] , waardoor (een medewerker van) [gedupeerde rechtspersoon] (telkens) werd bewogen tot bovengenoemde afgifte;

Subsidiair:

hij op één of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 17 maart 2017

tot en met 13 juni 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere ander(en), althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedrag(en), te weten:

- een bedrag van USD 179.088,00 althans (omgerekend) EUR 165.010,92 en/of

- een bedrag van USD 1.089.648,00 althans (omgerekend) EUR 1.006.789,25,

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [gedupeerde rechtspersoon] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk goed verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten wegens onverschuldigde betaling, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

ten aanzien van parketnummer 09/766087-17 (dagvaarding II):

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augustus

2015 tot en met 02 augustus 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging, althans alleen, één of meermalen

- van een of meer geldbedrag(en), te weten EUR 9.800 en/of EUR 10.200,56,

althans een of meerdere geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst

en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die

geldbedrag(en) is/zijn en/of

- een of meer geldbedrag(en), te weten EUR 9.800 en/of EUR 10.200,56 heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet

en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of

middellijk - van misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[betrokkene 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de

periode van 31 augustus 2015 tot en met 14 november 2015 te Den Haag en/of

elders in Nederland tezamen en in vereniging met één of meerdere andere

(rechts- en/of natuurlijke) personen, althans alleen, één of meermalen

(telkens):

- van een of meer geldbedrag(en), te weten EUR 9.800 en/of EUR 10.200,56

althans een of meerdere geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst

en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die

geldbedrag(en) is/zijn, en/of

- een of meer geldbedrag(en), te weten EUR 9.800 en/of EUR 10.200,56 heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet

en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat het (een) - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf

afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen),

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[betrokkene 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de periode van 31 augustus 2015 tot en met 14 november 2015 te Den Haag en/of

elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, één of meermalen

opzettelijk een of meer geldbedrag(en), te weten een bedrag van EUR 9.800 en/of

EUR 10.200,56, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[betrokkene 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [betrokkene 2]

. en/of haar mededader(s), en welk goed [betrokkene 2]

en/of haar mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf onder zich

had(den), te weten wegens onverschuldigde betaling, wederrechtelijk zich

heeft/hebben toegeëigend, aan welke verboden gedraging hij, verdachte,

feitelijk leiding heeft gegeven.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

[gedupeerde rechtspersoon] (dagvaarding I)

3.1.1

Inleiding

[gedupeerde rechtspersoon] (hierna: [gedupeerde rechtspersoon] ), gevestigd te [Land vestiging bedrijf] , heeft op 17 en 22 maart 2017 de volgende girale betalingen verricht naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ):

- een bedrag van $ 179.088,00 (€ 165.010,92) op 17 maart 2017;

- een bedrag van $ 1.089.648 (€ 1.006.789,25) op 22 maart 2017.

Voornoemde betalingen waren bestemd voor het zusterbedrijf van [gedupeerde rechtspersoon] , [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ), gevestigd te India. De ontvangst van het bedrag van in totaal € 1.171.800,17 op de bankrekening van [betrokkene 4] lijkt te zijn veroorzaakt doordat met gebruikmaking van valse e-mailadressen - te weten e-mailadressen die slechts een geringe afwijking vertoonden ten opzichte van de werkelijke e-mailadressen - is gecommuniceerd tussen een medewerker van [gedupeerde rechtspersoon] enerzijds (de heer [betrokkene 5] ) en een medewerker van [betrokkene 1] anderzijds (de heer [betrokkene 5] ). Omdat [gedupeerde rechtspersoon] nog onbetaalde facturen met betrekking tot de aankoop van ammoniumchloride van [betrokkene 1] had openstaan, heeft [betrokkene 1] verzocht om betaling van deze facturen. Door middel van een vals e-mailbericht is vervolgens verzocht om de betaling van deze facturen te verrichten naar een ander bankrekeningnummer dan gebruikelijk in verband met een accountantscontrole. Daarbij is een bankrekening met het nummer [rekeningnummer] aan [gedupeerde rechtspersoon] doorgegeven. In de veronderstelling dat [gedupeerde rechtspersoon] de openstaande facturen van [betrokkene 1] betaalde, zijn voornoemde betalingen op 17 en 22 maart 2017 verricht naar het bankrekeningnummer van [betrokkene 4] .

Vaststaat dat een deel van het door [gedupeerde rechtspersoon] aan [betrokkene 4] overgemaakte bedrag van € 1.171.800,17 is overgemaakt naar diverse bankrekeningen en contant is opgenomen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er sprake is geweest van oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] en of de verdachte in strafrechtelijke zin betrokken is geweest bij deze oplichting. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan verduistering van het bedrag van € 1.171.800,17 dat [gedupeerde rechtspersoon] naar de bankrekening van [betrokkene 4] heeft overgemaakt en of de verdachte voornoemd bedrag dat van [gedupeerde rechtspersoon] afkomstig was, heeft witgewassen.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] . De officier van justitie acht echter geen bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] en vraagt daarom vrijspraak van het op dagvaarding I onder 2 primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie is voorts van oordeel dat wél wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan verduistering en het witwassen van een bedrag van € 1.171.800,17.

3.1.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] primair op het standpunt gesteld dat er in het geheel geen sprake is geweest van oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] . Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van dit onderwerp aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van de verduistering heeft de verdediging vrijspraak bepleit op grond van het feit dat [betrokkene 4] rechtmatig – immers uit hoofde van een onverschuldigde betaling - over het geld van [gedupeerde rechtspersoon] beschikte.. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat onduidelijk is wie de girale betalingen heeft verricht en dat het dossier te weinig aanknopingspunten bevat voor het bewijzen van het ten laste gelegde medeplegen van verduistering. Dat de verdachte over de bankpas van de bankrekening op naam van [betrokkene 4] kon beschikken, houdt nog niet in dat hij de betalingen vanaf die bankrekening heeft verricht. Voor zover wel sprake zou zijn van verduistering kan het hoogstens gaan om de overgeschreven bedragen.

Met betrekking tot het witwassen heeft de verdediging aangevoerd dat indien ervan wordt uitgegaan dat er geen sprake was van oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] , het geld dat op de bankrekening van [betrokkene 4] is overgemaakt dan ook geen criminele herkomst had. Daarnaast heeft er geen enkele verduisteringshandeling met het geld plaatsgevonden om welke reden de verdediging vrijspraak van het witwassen vraagt. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het witwassen slechts bewezen kan worden voor zover dat ziet op het bedrag dat is verduisterd.

3.1.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Oplichting

De rechtbank stelt voorop dat voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van oplichting uitgangspunt is of bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven is geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen zijn gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek van de politie naar de gebruikte valse e-mailadressen weliswaar geen resultaat heeft opgeleverd, maar dat wel vaststaat dat bij de e-mailwisseling tussen [gedupeerde rechtspersoon] en [betrokkene 1] gebruik is gemaakt van valse e-mailadressen. Bovendien is gebleken dat daarbij een valse hoedanigheid is aangenomen doordat men zich op enig moment heeft voorgedaan als medewerker van [gedupeerde rechtspersoon] enerzijds en een medewerker van [betrokkene 1] anderzijds. Ook staat vast dat door middel van het verzenden van een e-mailbericht met een vals adres een onjuist bankrekeningnummer aan [gedupeerde rechtspersoon] is doorgegeven waarna [gedupeerde rechtspersoon] is overgegaan tot de betaling van een bedrag van in totaal € 1.171.800,17 aan [betrokkene 4] .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij [gedupeerde rechtspersoon] door listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen waardoor zij is bewogen tot de afgifte van een bedrag van € 1.171.800,17 aan [betrokkene 4] . Alhoewel deze vorm van bedrieglijk handelen in strafrechtelijke zin is aan te merken als oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] , bevat het dossier onvoldoende bewijs om de conclusie te rechtvaardigen dat de verdachte de persoon is geweest die [gedupeerde rechtspersoon] - al dan niet in vereniging - heeft opgelicht, zodat de rechtbank de verdachte daarvan zal vrijspreken.

Verduistering

Voor een bewezenverklaring ter zake van verduistering is uitgangspunt dat de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich heeft verkregen. De rechtbank komt op gronden zoals hierna in dit vonnis vermeld tot de conclusie dat de verdachte van de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] heeft geweten en dus wist van de criminele herkomst van de geldbedragen die aan [betrokkene 4] zijn overgemaakt. Hiermee is gegeven dat de verdachte het geld ten bedrage van € 1.171.800,17 niet anders dan door misdrijf onder zich had. De omstandigheid dat er in civielrechtelijke zin sprake kan zijn geweest van een onverschuldigde betaling aan [betrokkene 4] maakt het voorgaande niet anders nu in strafrechtelijke zin een oplichting aan de verkrijging van de geldbedragen ten grondslag heeft gelegen. Aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich heeft verkregen, acht zij de verduistering niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij de verdachte daarvan vrijspreken.

Witwassen

Gelet op het voorgaande is uitgangspunt dat de geldbedragen die [gedupeerde rechtspersoon] naar de bankrekening van [betrokkene 4] heeft overgemaakt afkomstig zijn van misdrijf, namelijk de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] .

De verdachte heeft ter terechtzitting voor het eerst verklaard dat hij - op het moment dat de geldbedragen van [gedupeerde rechtspersoon] op de bankrekening van [betrokkene 4] stonden - de vennootschap [betrokkene 4] ter beschikking heeft gesteld aan twee personen die met deze vennootschap handel dreven. Genoemde personen zouden nadat de geldbedragen waren ontvangen op de bankrekening van [betrokkene 4] bij de verdachte thuis in zijn aanwezigheid girale betalingen hebben verricht, aldus de verdachte. De rechtbank acht het verhaal van de verdachte dat anderen dan hijzelf en zijn medeverdachte de vennootschap [betrokkene 4] in gebruik hadden echter niet aannemelijk. Het dossier bevat daar verder ook geen aanknopingspunten voor.

De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de verdachte vast dat hij geweten heeft van de binnenkomst van de geldbedragen van [gedupeerde rechtspersoon] op de bankrekening van [betrokkene 4] en dat hij betrokken is geweest bij het feitelijk uitvoeren van de girale overboekingen naar derden.2 Dit wordt ook ondersteund door het feit dat er twee bankpassen van twee bankrekeningen van [betrokkene 4] in de woning van de verdachte zijn aangetroffen.3 De verdachte had daarmee de feitelijke mogelijkheid om over het geld op de bankrekening van [betrokkene 4] te beschikken. De rechtbank stelt in het licht van het voorgaande voorts vast dat de verdachte degene is geweest die de overboekingen vanaf de bankrekening van [betrokkene 4] heeft verricht en dat het ervoor gehouden moet worden dat de verdachte zich op dat moment bewust was van het feit dat [gedupeerde rechtspersoon] substantiële geldbedragen aan [betrokkene 4] had overgemaakt.

De verdachte heeft ter terechtzitting voor het eerst verklaard dat hij zowel een stempel als een contract waarop “international sale contract” staat - beiden direct in verband te brengen met zijn wetenschap van de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] - aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft overhandigd.4 Ook zijn in de woning van de verdachte handgeschreven notities aangetroffen. In deze notities staat onder andere geschreven: “totaalbedrag = 1.089.648,00” en “verkoop amonnium chloride Fertilizer”. Deze zinsneden zijn dusdanig van aard, dat ook deze direct in verband zijn te brengen zijn met wetenschap van de verdachte van de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] .5

Bovengenoemde omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - maken, gelet op het feit dat de verdachte geen enkele aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij erop kon vertrouwen dat de van [gedupeerde rechtspersoon] ontvangen geldbedragen niet van misdrijf afkomstig waren, dat het ervoor gehouden moet worden dat de verdachte van de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] heeft geweten en dus wist van de criminele herkomst van de geldbedragen.

Ook blijkt uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1]6 en medeverdachte [medeverdachte 2]7 dat de verdachte degene is geweest die opdracht heeft gegeven tot het pinnen van contant geld en staat bovendien vast dat de verdachte zelf contant geld heeft opgenomen.8

Met de wetenschap dat de geldbedragen van [gedupeerde rechtspersoon] van misdrijf afkomstig waren, heeft de verdachte een bedrag van ruim € 370.000,- voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en dat geld in de periode van 17 maart 2017 tot en met 13 juni 2017 daarbij als volgt aangewend:9

- naar Yokko B.V. is in totaal een bedrag van € 19.050,10 overgemaakt;

- naar een privébankrekeningnummer van medeverdachte [medeverdachte 1] is in totaal een bedrag van € 10.010,00 overgemaakt;

- naar [betrokkene 6] is in totaal een bedrag van € 48.709,96 overgemaakt;

- naar [betrokkene 7] is een bedrag van € 108.406,02 overgemaakt;

- naar [betrokkene 8] is in totaal een bedrag van € 118.001,14 overgemaakt;

- naar [betrokkene 9] is een bedrag van € 27.500,00 overgemaakt;

- verschillende contante opnames hebben plaats gevonden tot een bedrag van € 40.000,00.

Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 370.000,00. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte een bedrag van € 1.171.800,17 heeft witgewassen. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid dat de verdachte voor een bedrag hoger dan € 370.000,00 witwashandelingen heeft verricht. De enkele ontvangst van het bedrag van € 1.171.800,17 op de bankrekening van [betrokkene 4] is voor een bewezenverklaring ter zake van witwassen van laatstgenoemd bedrag onvoldoende.

De rechtbank ziet voorts geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat tussen de verdachte en een van de medeverdachten dan wel anderen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het witwassen van enig bedrag dat van misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

3.2

[betrokkene 10] (dagvaarding II)

3.2.1

Inleiding

In de zaak van [betrokkene 10] speelt een soortgelijke oplichting als in de voorgaande zaak van [gedupeerde rechtspersoon] . [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) had een betalingsverplichting aan [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) voor de levering van olie. In dat verband werd door middel van verzending van e-mailberichten met een vals adres een onjuist bankrekeningnummer doorgegeven aan [betrokkene 10] , te weten [rekeningnummer] . Dit bankrekeningnummer stond op naam van [betrokkene 12] (hierna: [betrokkene 12] ), gevestigd aan de [adres betrokkene 12] . Op 31 augustus 2015 heeft [betrokkene 10] - in de veronderstelling daarmee te voldoen aan haar betalingsverplichting aan [betrokkene 11] - een bedrag van € 43.030,62 overgemaakt naar het bankrekeningnummer van [betrokkene 12] .

Op dezelfde dag (31 augustus 2015) is vanaf het bankrekeningnummer van [betrokkene 12] :

- een bedrag van € 10.000,00 contant opgenomen in Rijswijk;

- een bedrag van € 10.200,56 overgemaakt naar [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] );

- een bedrag van € 9.800,00 overgemaakt naar [betrokkene 2] ;

De vennootschap [betrokkene 12] stond op naam van [betrokkene 13] . Hij was tot 19 februari 2016 enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. [betrokkene 13] heeft verklaard dat hij zijn bedrijf heeft verkocht aan de verdachte.

Van 20 augustus 2014 tot 2 oktober 2015 was [medeverdachte 1] , die verklaarde dat hij dat deed voor zijn oom, de verdachte, bestuurder en enig aandeelhouder van [betrokkene 2] .

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging witwassen van gelden afkomstig van de oplichting van [betrokkene 10] en komt tot een bewezenverklaring van het op dagvaarding II primair ten laste gelegde feit.

3.2.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om witwassen door de verdachte aan te nemen. Wellicht is de verdachte op enige wijze betrokken geweest bij de vennootschap [betrokkene 12] , maar verdere aanknopingspunten bevat het dossier niet. De verdediging vraagt dan ook algehele vrijspraak van hetgeen in dagvaarding II aan de verdachte ten laste is gelegd.

3.2.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Witwassen

De verdachte wordt verweten dat hij het een geldbedrag van € 20.000,56 dat [betrokkene 12] heeft overgemaakt naar de bankrekening van [betrokkene 2] , via girale overboekingen en contante opnames van de bankrekening van [betrokkene 2] heeft witgewassen.

Om tot een bewezenverklaring van witwassen te kunnen komen, dient de verdachte wetenschap, of in ieder geval het redelijke vermoeden, te hebben gehad dat het bedrag van € 20.000,56 dat is overgeboekt naar de bankrekening van [betrokkene 2] van misdrijf afkomstig was. Uit het dossier blijkt evenwel dat op de bankrekening van [betrokkene 2] regelmatig (substantiële) geldbedragen binnenkwamen. Zo stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat naast de overboekingen van [betrokkene 12] op 31 augustus 2015 (inkomstdatum 1 september 2015), op 2 september 2015 drie geldbedragen van het bedrijf [betrokkene 14] binnenkwamen op de bankrekening van [betrokkene 2] ten bedrage van respectievelijk € 9.800,00, € 18.750,46 en € 14.900,00.

Ook komt uit het dossier naar voren dat in de periode rondom 31 augustus 2015 (de dag waarop [betrokkene 2] eerdergenoemde geldbedragen van [betrokkene 12] ontving), zevenenzeventig contante opnames van de bankrekening van [betrokkene 2] zijn gedaan en dat er meerdere malen vergelijkbare bedragen giraal zijn overgemaakt naar diverse bankrekeningen.

Het dossier bevat echter geen bewijsmiddelen waaruit de rechtbank kan afleiden dat de geldbedragen afkomstig van [betrokkene 12] door [betrokkene 2] op andere wijze zijn aangewend dan in het geval van andere transacties. Ook volgt uit het dossier niet dat de verdachte had moeten vermoeden dat de betalingen van [betrokkene 12] met enig misdrijf in verband waren te brengen. Bovendien kan, gelet op de geldtransacties met betrekking tot de bankrekening van [betrokkene 2] , niet meer worden vastgesteld dat de bedragen die door de verdachte zijn aangewend (door middel van girale overboekingen dan wel contante opnames), afkomstig waren van de betalingen van [betrokkene 12] .

De rechtbank kan gelet op voorgaande niet bewezen verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en zal de verdachte om die reden daarvan vrijspreken.

Feitelijk leiding geven aan witwassen

Zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verantwoordelijken binnen het bedrijf [betrokkene 2] bekend zijn geweest met de omstandigheid dat de geldbedragen die op 31 augustus 2015 van [betrokkene 12] zijn ontvangen een criminele herkomst hadden. Het feitelijk leiding geven aan witwassen kan daarom niet bewezen worden verklaard. De rechtbank zal de verdachte om die reden ook van het hem op dagvaarding II subsidiair ten laste gelegde feit vrijspreken.

Feitelijk leiding geven aan verduistering

Voorts is de verdachte meer subsidiair ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan verduistering gepleegd door [betrokkene 2] van de gelden van [betrokkene 10] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat [betrokkene 10] een bedrag van € 43.030,62 heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer van [betrokkene 12] . [betrokkene 12] heeft vervolgens een deel van dit bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [betrokkene 2] . Uit het dossier valt echter niet af te leiden dat de geldbedragen die [betrokkene 12] aan [betrokkene 2] heeft overgemaakt afkomstig zijn van [betrokkene 10] , noch dat [betrokkene 12] dit geld zonder rechtsgrond aan [betrokkene 2] heeft betaald.

Uit het dossier komt wél naar voren dat er ook andere betalingen van [betrokkene 12] aan [betrokkene 2] zijn gedaan. Alhoewel het alleszins opmerkelijk is dat de betalingen van [betrokkene 12] ten bedrage van € 20.000,56 aan [betrokkene 2] op dezelfde dag plaatsvinden als de ontvangst door [betrokkene 12] van het geld van [betrokkene 10] , kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat het bedrag van € 20.000,56 ontvangen door [betrokkene 2] geheel of ten dele toebehoort aan een ander dan aan [betrokkene 2] zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan verduistering gepleegd door [betrokkene 2] .

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

[gedupeerde rechtspersoon] (dagvaarding I)

hij in de periode van 17 maart 2017 tot en met 13 juni 2017 te Den Haag

geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij, verdachte, wist, dat het - onmiddellijk - van misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en)

betrof;

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer zal duren dan 6 maanden, gelet op het feit dat de verdachte first offender is en er geen sprake is geweest van grootschalige handelingen. Daarnaast kan een eventuele werkstraf worden opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van ongeveer € 370.000,00. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en de openbare orde. Ook tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven vergemakkelijkt. De verdachte heeft hierin gefungeerd als een belangrijke schakel. Immers door een bankrekening van de vennootschap [betrokkene 4] ter beschikking te stellen en geldbedragen contant op te nemen en giraal over te boeken naar diverse bankrekeningen heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 15 juni 2017 blijkt dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank heeft dit meegewogen in de strafmaat.

De oriëntatiepunten ten aanzien van fraudedelicten, die weergeven welke straffen in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, gaan bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,00 en € 500.000,00 uit van een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. Daarbij wordt uit gegaan van een hogere gevangenisstraf naarmate het bedrag waarmee het delict is gemoeid hoger wordt.

De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen reden om af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank overweegt daarbij dat de verdachte een bedrag van ongeveer € 370.000 heeft witgewassen. De rechtbank rekent het de verdachte in strafverzwarende zin aan dat hij op enige wijze betrokken moet zijn geweest bij het gronddelict, de oplichting van [gedupeerde rechtspersoon] . Ook rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij - om het gronddelict te verdoezelen - zijn medeverdachte valse contracten heeft gegeven om aan de bank te overleggen en op deze manier ook betrokken is geweest bij de gebruikmaking van een vals geschrift. Verder houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat het nadeel voor [gedupeerde rechtspersoon] lager is dan het witgewassen bedrag, doordat de [Naam bank] een aanzienlijk deel van de betalingen heeft kunnen blokkeren, zodat het nadeel is beperkt tot ruim € 220.000.

Gelet op het voorgaande legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden. Deze straf is hoger dan het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zoals de officier van justitie heeft gevorderd, maar deze straf is naar het oordeel van de rechtbank passend gelet op de hoogte van het witgewassen bedrag. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen noch om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken en deze met een taakstraf te combineren.

7 De vordering van de benadeelde partij

[gedupeerde rechtspersoon] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 176.086,41. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij het bedrag van de vordering verhoogd tot een bedrag van € 239.678,86, te weten het bedrag dat na betaling van de geldbedragen aan [betrokkene 4] niet aan [gedupeerde rechtspersoon] is geretourneerd.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 239.678,86 en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het in de zaak met parketnummer 09/767168-17 onder 1 bewezenverklaarde feit. Door de witwashandelingen van de verdachte is geld van de benadeelde partij buiten het bereik van [gedupeerde rechtspersoon] en is dat geld om die reden niet geretourneerd aan de benadeelde partij.

Uit het dossier komt naar voren dat de [Naam bank] de betaling van € 108.406,02 heeft geblokkeerd en daarmee van de op de bankrekening overgemaakte bedragen van in totaal € 1.171.800,17 een bedrag van € 949.591,31 heeft kunnen veilig stellen. Het daadwerkelijke nadeel van [gedupeerde rechtspersoon] komt daarmee op een bedrag van € 222.209,04. De benadeelde partij heeft haar vordering, in zoverre voldoende met stukken onderbouwd.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 222.209,04. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 13 juni 2017 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade op die dag is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel afwijzen, aangezien dit deel van de vordering redelijkerwijs niet als schade aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op € 1.600,00 (2 punten à € 800,00), vermeerderd met de nakosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8 De schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 239.678,86, ten behoeve van de gedupeerde rechtspersoon [gedupeerde rechtspersoon] .

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de toegewezen vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9 De inbeslaggenomen goederen

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 (een [Naam bank] -bankpas) en 2 (een USB-stick) genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen moeten worden geretourneerd aan de verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2 primair en 2 subsidiair en onder dagvaarding II onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

witwassen, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [gedupeerde rechtspersoon] , een bedrag van € 222.209,04. ,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2017 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.600,00, en de nakosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: een [Naam bank] bankpas;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genummerde voorwerp, te weten: een USB-stick.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mr. F.A. Veraart, rechter,

mr. H.J. Doets, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017084667, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, team financieel-economische criminaliteit met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1370).

2 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 december 2017;

3 Proces-verbaal, blz. 1064 5e alinea en blz. 1065 laatste alinea;

4 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 december 2017;

5 Proces-verbaal, blz. 1065 4e alinea en blz. 1074;

6 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, van 16 juni 2017, ondertekend door de verdachte, blz. 493 onder 5;

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 636, voor zover inhoudende: “In maart moest ik voor hem gaan pinnen. Dat heb ik gedaan”;

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 december 2017;

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 205-212;