Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:401

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
09/767167-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak bij witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767167-17

Datum uitspraak: 22 januari 2018

Tegenspraak

(promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

thans gedetineerd in de [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 september 2017 en 12 december 2017 en gesloten ter terechtzitting van 8 januari 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.A. Visser en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart 2017

tot en met 19 juni 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland tezamen en in

vereniging, althans alleen, één of meermalen (telkens):

- van een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal EUR 48.709,96),

althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de

vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld en/of heeft verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en)

is/zijn en/of

- een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal EUR 48.709,96) heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft

omgezet en/of van (een van) die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) - onmiddellijk of middellijk

- van (uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen);

en/of

[Bedrijf verdachte] BV op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20

maart 2017 tot en met 19 juni 2017 te Den Haag en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging, althans alleen, één of meermalen (telkens)

- van een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal EUR 48.709,96),

althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de

vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of

verhuld en/of heeft verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en)

is/zijn, en/of

- een of meer geldbedrag(en) (tot een bedrag van totaal EUR 48.709,96) heeft

verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft

omgezet en/of van (een van) die/dat geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) -onmiddellijk of middellijk-

van (uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen),

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), gevestigd te [land vesting bedrijf] , heeft op 17 en 22 maart 2017 de volgende girale betalingen verricht naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [betrokkene 2] . (hierna: [betrokkene 2] ):

- een bedrag van $ 179.088,00 (€ 165.010,92) op 17 maart 2017;

- een bedrag van $ 1.089.648 (€ 1.006.789,25) op 22 maart 2017.

Voornoemde betalingen waren bestemd voor het zusterbedrijf van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ), gevestigd te [land vesting bedrijf] . De ontvangst van het bedrag van in totaal € 1.171.800,17 op de bankrekening van [betrokkene 2] lijkt te zijn veroorzaakt doordat met gebruikmaking van valse e-mailadressen - te weten e-mailadressen die slechts een geringe afwijking vertoonden ten opzichte van de werkelijke e-mailadressen - is gecommuniceerd tussen een medewerker van [betrokkene 1] enerzijds (de heer [betrokkene 4] ) en een medewerker van [betrokkene 3] anderzijds (de heer [betrokkene 5] ). Omdat [betrokkene 1] nog onbetaalde facturen met betrekking tot de aankoop van ammoniumchloride van [betrokkene 3] had openstaan, heeft [betrokkene 3] verzocht om betaling van deze facturen. Door middel van een vals e-mailbericht is vervolgens verzocht om de betaling van deze facturen te verrichten naar een ander bankrekeningnummer dan gebruikelijk in verband met een accountantscontrole. Daarbij is een bankrekening met het nummer [rekeningnummer] aan [betrokkene 1] doorgegeven. In de veronderstelling dat [betrokkene 1] de openstaande facturen van [betrokkene 3] betaalde, zijn voornoemde betalingen op 17 en 22 maart 2017 verricht naar het bankrekeningnummer van [betrokkene 2] .

Vaststaat dat een deel van het door [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] overgemaakte bedrag van € 1.171.800,17, namelijk € 48.709,96, is overgemaakt naar het bankrekeningnummer van [Bedrijf verdachte] (hierna: [Bedrijf verdachte] ). De verdachte is eigenaar en enig aandeelhouder van [Bedrijf verdachte] . Door de verdachte zijn vervolgens diverse overschrijvingen en contante opnamen gedaan vanaf het bankrekeningnummer van [Bedrijf verdachte] .

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte voornoemd bedrag dat van [betrokkene 1] afkomstig was, heeft witgewassen, of dat de verachte feitelijk leiding heeft gegeven aan witwassen door [Bedrijf verdachte] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, zowel als natuurlijk persoon als in zijn hoedanigheid als feitelijk leidinggevende van [Bedrijf verdachte] .

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van enig ten laste gelegd feit te komen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt vast dat verdachte eigenaar en enig aandeelhouder was van [Bedrijf verdachte] . Verdachte heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat hij via een bekende, medeverdachte [medeverdachte] , dit bedrijf op zijn naam heeft gekregen. De verdachte heeft met [medeverdachte] gesproken over zijn problemen met het verkrijgen van een paspoort. [medeverdachte] heeft vervolgens voorgesteld dat de verdachte zich als eigenaar van het bedrijf liet registreren, om zo een inkomen te genereren en de procedure om een paspoort te verkrijgen te vergemakkelijken. Feitelijk deed verdachte daarbij slechts wat hem werd opgedragen door [medeverdachte] .

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen inzage had in de rekening van [Bedrijf verdachte] . Wel beschikte hij over een bankpas en pinde hij met enige regelmaat contante bedragen in opdracht van [medeverdachte] .

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat de verklaring van de verdachte ontkracht. Ook kan de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat de verdachte op de hoogte was van de oplichting van [betrokkene 1] en daarmee van de criminele herkomst van het geld dat op de rekening van [Bedrijf verdachte] is gestort. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte daarom vrijspreken van het witwassen.

Voorts wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan witwassen door [Bedrijf verdachte] . In zijn algemeenheid kan weliswaar gesteld worden dat een directeur en enig aandeelhouder moet weten wat zich binnen zijn bedrijf afspeelt. Maar dat kan niet wegnemen dat in een concreet geval bewijsmateriaal in het dossier voorhanden moet zijn waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk feitelijke leiding is gegeven aan de verboden gedraging. Gelet op de niet ontkrachte verklaring van verdachte dat hij feitelijk slechts deed wat hem werd opgedragen door [medeverdachte] en dat hij geen inzage had in de rekening van [Bedrijf verdachte] kan in deze zaak echter niet worden bewezen dat verdachte zich bewust was van hetgeen zich afspeelde omtrent de betaling van [betrokkene 1] . De rechtbank weegt daarbij mee dat de verdachte op het moment van binnenkomst van het geld nog maar zeer kort eigenaar was van het bedrijf en dat hij nog geen zicht had op de normale geldstromen binnen het bedrijf.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op het moment van de witwashandelingen bekend was, of bekend had moeten zijn met deze handelingen. Het feit dat het bedrijf op zijn naam stond maakt dit niet anders.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen en zal zij verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

4 De vordering van de benadeelde partij

[betrokkene 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 176.086,41. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij het bedrag van de vordering verhoogd tot een bedrag van € 239.678,86, te weten het bedrag dat na betaling van de geldbedragen aan [betrokkene 2] niet aan [betrokkene 1] is geretourneerd.

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 48.709,96 en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

5 De schadevergoedingsmaatregel

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 48.709,96, ten behoeve van de gedupeerde rechtspersoon [betrokkene 1] .

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de schadevergoedingsmaatregel.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken, is er geen grond om aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opleggen.

6 De inbeslaggenomen goederen

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerp, een geldbedrag van € 2.413,06, zal worden teruggegeven aan [betrokkene 1] International.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het de beslaglijst genoemde voorwerp.

7 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;

gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 2.413,06.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H. Steenhuis, voorzitter,

mr. F.A. Veraart, rechter,

mr. H.J. Doets, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2018.