Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4008

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
C-09-547048-KG ZA 18-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot verbod overlevering aan Duitsland afgewezen. Eiser is niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot opheffing of schorsing van zijn overleveringsdetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/547048 / KG ZA 18/96

Vonnis in kort geding van 2 maart 2018

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.F. Bögemann te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Op 2 maart 2018 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij Europees Aanhoudingsbevel van 12 oktober 2017 hebben de Duitse autoriteiten gevraagd om de aanhouding en overlevering van eiser. Eiser is op 10 november 2017 op grond van dit bevel voorlopig aangehouden en in verzekering gesteld. De voorlopige aanhouding is op 13 november 2017 omgezet in een definitieve aanhouding, waarbij eiser in verzekering is gesteld.

2.2.

Op 23 november 2017 heeft de officier van justitie de overleveringsdetentie van eiser geschorst onder voorwaarden.

2.3.

Het gerechtshof Amsterdam heeft eiser eerder een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 119 dagen. Bij brief van 20 december 2017 heeft DJI aan eiser meegedeeld dat hij in aanmerking kwam voor de zelfmeldprocedure en zich op 19 januari 2018 bij de penitentiaire inrichting te [plaats] diende te melden. In reactie op die brief heeft eiser om uitstel verzocht voor zijn meldingsdatum. Uitstel is verleend tot april 2018.

2.4.

Het overleveringsverzoek is op 11 januari 2018 inhoudelijk behandeld door de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam. Bij uitspraak van 25 januari 2018 heeft de rechtbank de overlevering van eiser toegestaan. Met deze uitspraak is de overleveringsdetentie van eiser komen te herleven.

2.5.

Op 2 februari 2018 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de gevangenhouding van eiser toegewezen en het schorsingsverzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen deze beslissing hoger beroep aangetekend.

2.6.

Op 23 februari 2018 heeft de rechtbank Amsterdam de gevangenhouding van eiser opnieuw voor 30 dagen verlengd en andermaal niet geschorst.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven;

I. de Staat te verbieden tot feitelijke overlevering van eiser over te gaan;

II. de Staat te bevelen de huidige (overleverings)detentie van eiser met onmiddellijke ingang op te heffen, dan wel te schorsen, ten minste totdat eiser zich dient te melden voor de tenuitvoerlegging van de nog openstaande Nederlandse strafvonnissen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans de Staat te bevelen de tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde sanctie van 119 dagen op te schorten totdat eiser zich begin april 2018 dient te melden voor het ondergaan daarvan.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Eiser mag op dit moment niet worden overgeleverd omdat er tegen hem nog strafvervolging loopt en er nog een voor executie vatbare gevangenisstraf open staat. De Staat heeft er nu voor gekozen om eiser voorlopig ter beschikking te stellen, maar de voorwaarden waaronder die voorlopige terbeschikkingstelling overeen is gekomen, zijn niet aan eiser bekend. Als de voorwaarden erop neer komen dat eiser voor de duur van de strafvervolging wordt overgeleverd aan Duitsland, is dat feitelijk hetzelfde als de definitieve overlevering die artikel 36 lid 1 Overleveringswet (OLW) verbiedt. Dat is onrechtmatig.

Voortduring van de huidige detentie van eiser is onrechtmatig, omdat de overleveringsdetentie niet kan voorzien in daadwerkelijke overlevering, nu er een voor executie vatbare sanctie open staat die is opgeschort tot 3 april aanstaande. Een geldige titel voor de vrijheidsbeneming ontbreekt en de vrijheidsbeneming is dus in strijd met artikel 5 EVRM.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank te Amsterdam de door de wetgever exclusief aangewezen rechterlijke instantie is voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van een Europees Aanhoudingsbevel. De Internationale Rechtshulpkamer van die rechtbank (IRK) heeft de overlevering van eiser aan Duitsland op 25 januari 2018 toegestaan. Tegen die uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Eiser beroept zich thans evenwel op artikel 36 OLW. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, heeft dat artikel betrekking op de executiefase van de overlevering, zodat de IRK niet de bevoegdheid heeft de overlevering op grond van dat artikel te weigeren. Artikel 36 OLW ziet op de feitelijke overlevering in de situatie dat de rechtbank de overlevering reeds heeft toegestaan, zo volgt uit de formulering van dat artikel, die immers luidt dat de beslissing (door de officier van justitie) omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden in de daar genoemde gevallen. In zoverre is dan ook geen sprake van een verkapt appel tegen de uitspraak van de IRK.

4.2.

Artikel 36 lid 1 OLW bepaalt dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden indien en zolang tegen de opgeëiste persoon strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is of een door de Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of gedeeltelijk voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Dat er tegen eiser nog een voor executie vatbare gevangenisstraf open staat, is niet in geschil. Echter, de Staat is niet voornemens eiser feitelijk over te leveren aan Duitsland, maar beroept zich op de mogelijkheid van artikel 36 lid 2 OLW. Dat artikellid bevat een alternatief voor uitstel indien de situatie van lid 1 zich voordoet. Het alternatief houdt in dat de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting onder voorwaarden voorlopig ter beschikking wordt gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.3.

Uit de overgelegde stukken volgt dat de autoriteiten in Duitsland inmiddels akkoord zijn gegaan met de door de Staat voorgestelde voorwaarden. Van feitelijke overlevering zal dan ook geen sprake zijn. Aangezien de akkoordverklaring van de Duitse autoriteiten dateert van na datum dagvaarding en evident is dat eiser met zijn vordering onder I beoogt te voorkomen dat hij in Duitsland wordt gedetineerd, zal die vordering aldus worden gelezen dat daarmee ook wordt gevorderd de Staat te verbieden eiser voorlopig ter beschikking te stellen aan de Duitse autoriteiten. De Staat heeft zich daar ook niet tegen verzet.

4.4.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat de Staat onrechtmatig handelt door de voorwaarden niet aan hem bekend te maken waaronder hij voorlopig ter beschikking zal worden gesteld, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Uit artikel 36 lid 3 OLW volgt immers dat de voorwaarden worden overeengekomen tussen de officier van justitie en de uitvaardigende justitiële autoriteit, in dit geval het openbaar ministerie te Osnabrück. De instemming en/of bekendheid van de opgeëiste persoon, in dit geval eiser, met de voorwaarden is niet vereist.

4.5.

De Staat heeft ter zitting de veronderstelling van eiser bevestigd dat met de Duitse autoriteiten is afgesproken dat eiser terugkeert naar Nederland zodra de Duitse berechting is afgerond. Eiser heeft betoogd dat de Staat onrechtmatig handelt door het verbod op feitelijke overlevering op deze wijze te omzeilen, met feitelijk hetzelfde resultaat. Dat betoog slaagt niet. De wet biedt immers uitdrukkelijk de mogelijkheid van de voorlopige terbeschikkingstelling als alternatief voor feitelijke overlevering. De Staat handelt niet in strijd met zijn bevoegdheden door van deze mogelijkheid gebruik te maken. De vordering als genoemd onder I zal dan ook worden afgewezen.

4.6.

Eiser vordert voorts zijn huidige (overleverings)detentie op te heffen dan wel te schorsen. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat eiser niet-ontvankelijk is in deze vordering. Op 2 en 23 februari 2018 heeft de rechtbank Amsterdam immers reeds beslist tot verlenging van de overleveringsdetentie van eiser en de schorsingsverzoeken van eiser afgewezen. Eiser heeft in die procedure, die een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang betreft, al zijn bezwaren tegen voortduring van zijn detentie naar voren kunnen brengen en heeft hoger beroep aangetekend tegen de (eerste) beslissing van de rechtbank. De vraag of voortduring van de overleveringsdetentie in strijd is met artikel 5 EVRM dient dan ook bij uitstek door het hof te worden beantwoord. Dat het hof Amsterdam blijkens de door eiser overgelegde e-mail van 27 februari 2018 aanleiding heeft gezien om de behandeling aldaar aan te houden in afwachting van de uitkomst van dit kort geding, maakt niet dat eiser thans in zijn vordering bij de civiele rechter kan worden ontvangen. Gezien het bestaan van die procedure, bestaat voor de voorzieningenrechter geen rol. Dit zou anders kunnen zijn als zich bijzondere omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld als sprake is van een juridische misslag zodat een andere uitspraak in hoger beroep moet worden verwacht. Zulke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat het hoger beroep nog moet worden behandeld, schept geen toegang tot de kortgedingrechter.

4.7.

Eiser vordert tot slot een voorlopig verbod op tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 119 dagen. Die vordering zal worden afgewezen bij gebrek aan belang. De Staat heeft immers onweersproken aangevoerd dat tenuitvoerlegging van die straf thans niet dreigt. Dat wordt gesteund door het feit dat eerder al aan eiser is meegedeeld dat hij zich begin april 2018 dient te melden voor het ondergaan van die straf en dat de Staat voornemens is eiser op 5 maart voorlopig aan Duitsland ter beschikking te stellen.

4.8.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tot opheffing dan wel schorsing van zijn (overleverings)detentie;

- wijst het overige gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.442,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018.

hvd