Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4007

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
18.2857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag. Algerije is een veilig land van herkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2857


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J.J. Janssen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2858, plaatsgevonden te Breda op 7 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Algerijnse nationaliteit. Zij heeft op 30 januari 2018 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder acht het asielrelaas van eiseres geloofwaardig, maar heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Algerije een veilig land van herkomst is.

2. De rechtbank verwijst met betrekking tot de beroepsgrond van eiseres dat verweerder Algerije ten onrechte als een veilig land van herkomst heeft aangemerkt naar de brief van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 26 september 2017 (Kamerstukken II, 2016/17, 19 637, nr. 2349) en de bijlage daarbij, waaruit blijkt dat ten aanzien van Algerije nog geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:630, waaruit blijkt dat verweerder Algerije terecht als een veilig land van herkomst heeft aangewezen.

3. In geschil is vervolgens of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat Algerije in haar specifieke geval niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in dat land problemen heeft ondervonden met haar broer vanwege een bezoek van haar aan een kerk en haar bekering tot het christendom. Daarnaast stelt eiseres dat zij geen bescherming kan krijgen van de (hogere) autoriteiten. Om deze reden is het vragen van bescherming volgens haar al bij voorbaat zinloos. Eiseres heeft ook aangevoerd dat door verweerder ten onrechte niet is onderzocht of Algerije voor haar persoonlijk niet als een veilig land kan gelden vanwege haar bekering tot het Christendom en dat zij daarom door haar broer is bedreigd en mishandeld.

De rechtbank roept allereerst in herinnering dat het, anders dan eiseres stelt, niet op de weg van verweerder ligt om daar onderzoek naar te doen. Uitgangspunt is dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat een land dat met een afdoende motivering als veilig land van herkomst is aangewezen voor hem persoonlijk niet als veilig kan gelden. Reeds omdat eiseres heeft verklaard dat zij nooit bescherming heeft gevraagd bij de autoriteiten, is de rechtbank van oordeel dat zij daarin niet is geslaagd. Niet valt immers in te zien dat eiseres, die hoog opgeleid is en in Algerije heeft gewerkt bij de media en op een advocatenkantoor, ten aanzien van haar problemen zich voor bescherming tot geen enkele autoriteit in Algerije zou kunnen wenden. Dat eiseres moet worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw en dat de bedreiging door haar broer als een vrees voor eerwraak moet worden beschouwd, zoals door eiseres ter zitting is verklaard, doet aan het voorgaande niet af.

4. Verweerder heeft de aanvraag terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft verweerder op goede gronden een vertrektermijn kunnen onthouden en een inreisverbod kunnen opleggen, zoals vermeld in het bestreden besluit.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.