Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:4004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17.14508
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag. Geloofwaardig asielrelaas. Vestigingsalternatief in de vorm van de stad Bagdad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.14508


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R. Bom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).

Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Katib. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] te Mosul, Irak, en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 11 september 2015 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft aan zijn aanvraag de algemene situatie in Mosul ten grondslag gelegd, alsmede een incident met een lid van IS op 20 augustus 2015, en de daarop volgende problemen.

3. Verweerder heeft eisers asielrelaas geloofwaardig geacht. Eiser kan volgens verweerder echter niet worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Vluchtelingenverdrag). Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij is weliswaar afkomstig uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), te weten: de Iraakse provincie Ninewa, maar er is sprake van een vestigingsalternatief in de stad Bagdad.

4. Eiser stelt in beroep – samengevat – dat hij ten onrechte niet verder is gehoord over nadere nieuwe feiten en omstandigheden sedert 13 september 2015. Verweerder stelt zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt dat hij niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, en dat hij zich zou kunnen vestigen in Bagdad. Eiser stelt dat de huidige situatie in Bagdad onvoldoende is onderkend, en dat verweerder zich ten onrechte enkel baseert op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van 14 november 2016.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn opmerking dat hij ten onrechte niet verder is gehoord niet is bedoeld als een beroepsgrond.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser heeft verklaard in Irak geen problemen te hebben ondervonden vanwege zijn geloof, etnische afkomst of nationaliteit. Tevens heeft hij verklaard geen problemen te hebben ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging dan wel vanwege het verrichten van activiteiten voor (of het behoren tot) enige politieke of maatschappelijke organisatie. Ook heeft eiser verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden vanwege het behoren tot een sociale groep. Eveneens heeft hij verklaard dat hij nooit gearresteerd of gedetineerd is geweest. Verweerder wordt daarom gevolgd in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, en dat hij dus niet als vluchteling moet worden aangemerkt. Dat in het bestreden besluit niet uitgebreid de omstandigheden met betrekking tot de familie van eiser zijn betrokken, doet aan het voorgaande niet aan af, omdat het asielrelaas wordt beoordeeld op grond van feiten en omstandigheden die op eiser persoonlijk betrekking hebben. Gezien het voorgaande is eiser terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

6.1

Verweerder wordt ook gevolgd in zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Verweerder heeft aangenomen dat in de provincie van afkomst van eiser, Ninewa, sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in deze bepaling. Verweerder heeft aan eiser een vestigingsalternatief in de stad Bagdad mogen tegengeworpen. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1744) ten aanzien van een soennitische moslim uit IS-gebied, die geen familie heeft wonen in Bagdad. Hierbij is geoordeeld dat de stad Bagdad als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Daarbij is de Afdeling ingegaan op de administratieve verplichtingen die gelden voor toegang tot en vestiging in Bagdad, en de positie van soennieten in die stad. Bij deze uitspraak is onder meer het voornoemde ambtsbericht van 14 november 2016 betrokken.

6.2

In zijn voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet waarom de stad Bagdad in eisers geval als vestigingsalternatief kan worden beschouwd. Verweerder wordt hierin gevolgd. Hierbij is verweerder terecht uitgegaan van het volgende. Eiser is een etnisch Arabier, hij heeft onderwijs gevolgd en is de Arabische taal machtig. Daarnaast is eiser een alleenstaande meerderjarige, behoort hij niet tot een kwetsbare minderheidsgroep en is hij in het bezit van identificerende documenten. Niet is gebleken dat Soennieten in de stad Bagdad enkel en alleen vanwege het behoren tot die bevolkingsgroep worden vervolgd of blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Eiser heeft zonder problemen de stad Bagdad kunnen inreizen en hij heeft vanaf ongeveer 1 augustus 2014 tot 1 juni 2015 aldaar verbleven. Hij heeft zich in deze periode in de stad Bagdad kunnen handhaven. Daarbij heeft hij in zijn levensonderhoud voorzien middels het pensioen van zijn ouders, de verhuur van een flat en soms met werkzaamheden als taxichauffeur. Eiser heeft volgens eigen verklaring in het verleden op Cyprus als schilder gewerkt. Niet valt in te zien dat hij dit werk niet in de stad Bagdad zou kunnen verrichten. Tijdens zijn verblijf op Cyprus is eiser in Irak op bezoek geweest en is hij ook zonder problemen teruggekeerd.

Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn grond dat hij zich niet zou kunnen vestigen in de stad Bagdad.

6.3

De feiten en omstandigheden van de door eiser genoemde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 7 november 2017 (zaaknummer AWB 17/2447) en zittingsplaats Haarlem van 7 november 2017 (zaaknummer NL17.70), zijn niet vergelijkbaar met eisers asielrelaas, zodat ook deze verwijzing geen doel treft. In de eerstgenoemde uitspraak was sprake van een specifieke familieachtergrond, en in de tweede uitspraak had verweerder miskend dat de betrokken vreemdeling – anders dan eiser – een lange periode (sinds 2008) was weggeweest uit Irak.

7. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom terecht afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.