Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3987

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 16065
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, regulier, duurzaam verblijfsrecht, geen onderscheid in soort verblijfsrecht, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/16065, AWB 17/16066, AWB 17/16067 en AWB 17/16068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2018 in de zaak tussen

1. [eiseres sub 1], te [plaats], V-nummer [V-nummer], eiseres sub 1,

2. [eiseres sub 2], te [plaats], V-nummer [V-nummer], eiseres sub 2,

3. [eiser sub 3], te [plaats], V-nummer [V-nummer], eiser sub 3,

4. [eiser sub 4], te [plaats], V-nummer [V-nummer], eiser sub 4,

hierna tezamen aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot afgifte van een document “duurzaam verblijf burgers van de Unie” afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2018. Eiser sub 3 en eiser sub 4 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres sub 1 stelt gehuwd te zijn met [referent] (referent) en stelt dat eiseres sub 2, eiser sub 3 en sub 4 hun kinderen zijn. Eisers bezitten de Pakistaanse nationaliteit. Verweerder heeft bij besluit van 17 juli 2012 aan eisers een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, verleend.

1.1.

Verweerder heeft bij besluit van 29 januari 2015 het verblijfsrecht van eisers beëindigd, omdat het verblijfsrecht van referent bij besluit van 29 januari 2015 is beëindigd. Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen het besluit van 29 januari 2015 gegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) van 20 oktober 2008 (C-480/08; Teixeira) volgt dat eisers en referent op grond van artikel 12 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434 van de Raad van 27 juli 1992 rechtmatig verblijf hebben.

1.2.

Eisers hebben op 28 maart 2017 aanvragen ingediend tot afgifte van een document “duurzaam verblijf burgers van de Unie”.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit – gehandhaafd bij het bestreden besluit –de voornoemde aanvragen van eisers afgewezen, omdat eisers niet hebben aangetoond dat zij voldoen aan de vereisten van artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eisers hebben geen onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn 2004/38/EG. Daarnaast is gebleken dat zowel eisers als referent gedurende een lange periode na 1 november 2012 een uitkering in het kader van de Participatiewet (bijstandsuitkering) hebben ontvangen.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en voeren hiertoe – samengevat weergegeven – aan dat eisers en referent sinds hun komst naar Nederland rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht hebben gehad. Verweerder maakt volgens eisers ten onrechte een onderscheid tussen de gronden waaruit het verblijfsrecht kan volgen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De punten 3 en 17 van de considerans van de richtlijn 2004/38/EG luiden:

(3) Burgerschap van de Unie dient de fundamentele status te zijn van onderdanen van de lidstaten die hun recht van vrij verkeer en verblijf uitoefenen. Derhalve moeten de bestaande gemeenschapsinstrumenten waarin afzonderlijke regelingen zijn vastgesteld voor werknemers, zelfstandigen, studenten en andere niet-actieven worden gecodificeerd en herzien, teneinde het recht van de burgers van de Unie van vrij verkeer en verblijf te vereenvoudigen en te versterken. (…)

(17) Het recht van een duurzaam verblijf voor burgers van de Unie die ervoor gekozen hebben zich in een andere lidstaat blijvend te vestigen, zou het gevoel van Unieburgerschap versterken en is een kernelement voor het bevorderen van de sociale samenhang, zijnde een fundamentele doelstelling van de Unie. Daarom moet worden voorzien in een duurzaam verblijfsrecht voor alle burgers van de Unie en hun familieleden die in overeenstemming met de voorwaarden van deze richtlijn gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar in het gastland verblijf hebben gehad en die niet onderworpen zijn geweest aan een verwijderingsmaatregel.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG heeft iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG is lid 1 tevens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de burger van de Unie hebben gewoond.

4.2.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat enkel rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn 2004/38/EG kan leiden tot een duurzaam verblijfsrecht als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van deze richtlijn, niet. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG geen onderscheid maakt in verblijfsrecht naar verleningsgrond maar slechts als voorwaarde noemt het hebben van “vijf jaar legaal verblijf”. De rechtbank acht daarbij van belang hetgeen onder andere in de punten 3 en 17 van de considerans van de Richtlijn 2004/38/EG is overwogen. Ook daarin ziet de rechtbank geen aanwijzing voor het bestaan van verschillende soorten verblijfsrecht. De rechtbank voelt zich gesteund in dit standpunt nu onderscheid naar soorten verblijfsrecht in strijd is met de ratio van de Richtlijn 2004/38/EG en het Unierecht. Immers een dergelijk onderscheid zou een niet te motiveren verschil in behandeling van Unieburgers met zich brengen en een beperking inhouden van de doelstelling zoals genoemd in 17 van de considerans van de Richtlijn 2004/38/EG.

4.3.

Het is niet in geschil tussen partijen dat eisers vijf jaar rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 12 van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434 van de Raad van 27 juli 1992. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de aanvraag van eisers ten onrechte is afgewezen omdat zij geen rechtmatig verblijf op grond van de Richtlijn 2004/38/EG zou hebben gehad.

Gelet hierop en de omstandigheid dat verweerder ten onrechte een onderscheid heeft gemaakt in de grondslag van het rechtmatig verblijf, is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.

5. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien omdat de rechtbank nader onderzoek geboden acht naar de samenstelling van het gezin en het daaruit afgeleide rechtmatig verblijf.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige.