Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB 17/13940
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag visum kort verblijf terecht afgewezen - doel/omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond en het voornemen van eiser om NL te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/13940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018.

Eiser is niet verschenen. Na een telefonisch verzoek daartoe door de gemachtigde van eiser is een later tijdstip, op dezelfde dag, voor het houden van de zitting bepaald. Op dit tijdstip was de gemachtigde niet aanwezig en was van hem door de rechtbank ook niks vernomen. Hierop is de zaak door de bode uitgeroepen. De gemachtigde van eiser is aldus niet (tijdig) verschenen.

Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1982, van Afghaanse nationaliteit, heeft op 29 maart 2017 bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Islamabad, Pakistan, verzocht om afgifte van een visum kort verblijf voor de duur van 29 dagen voor het bezoeken van zijn zus en haar man [referent] (referent).

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode), omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en het voornemen van eiser om het Nederlandse grondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, waarbij met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van horen.

4. Eiser kan zich met het betreden besluit niet verenigen. Op hetgeen door hem in beroep is aangevoerd wordt hieronder – voor zover van belang – ingegaan.

Wettelijk kader

5.1

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Visumcode wordt van aanvragers van een eenvormig visum verlangd dat zij informatie verstrekken die het mogelijk maakt het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, te beoordelen.

5.2

Op grond van artikel 32 eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

Op grond van artikel 32 eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

Verweerder heeft de aanvraag om een visum voor kort verblijf allereerst afgewezen, omdat het doel van de reis en de verblijfsomstandigheden onvoldoende zijn aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. Verweerder betoogt daartoe dat eiser de gestelde familiale relatie met zijn zus en zijn zwager (referent) op geen enkele wijze met objectiveerbare bewijsstukken heeft aangetoond.

6.2

Eiser stelt dat hij de familiale relatie met zijn zus (en dus ook die met zijn zwager) wel degelijk heeft aangetoond. Eiser heeft bij zijn aanvraag een schriftelijke verklaring overgelegd waarin zijn zwager hem uitnodigt voor familiebezoek. Ook heeft hij bij zijn aanvraag een door zijn zus en zwager ondertekende en door de gemeente gelegaliseerde garantstelling overgelegd. In beroep overlegt eiser ter onderbouwing van de familieband verder een kopie van het Afghaanse identiteitsbewijs van zijn zus. Hieruit blijkt volgens eiser dat hij en zijn zus dezelfde vader en grootvader hebben. Uit de door eiser in de bezwaarfase met vertaling overgelegde huwelijksakte komen volgens hem dezelfde gegevens naar voren.

6.3

De rechtbank stelt voorop dat het aan de aanvrager is om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voor visumverlening voldoet. De rechtbank overweegt vervolgens dat bij het primaire besluit reeds is aangegeven dat eiser de familiale relatie tussen hem en zijn zus en zwager niet aannemelijk heeft gemaakt middels objectiveerbare bewijsstukken, juist nu het doel van het bezoek van doen heeft met de gestelde familiale band van eiser met referent. Verweerder was daarom gerechtigd om een nadere onderbouwing van die gestelde relatie te vragen. Van de mogelijkheid om de familiale relatie nader te onderbouwen, heeft eiser in de bestuurlijke fase geen gebruik gemaakt. Voornoemde verklaring van eisers zwager en de garantstelling heeft verweerder in dit verband terecht onvoldoende geacht. Verweerder betoogt ook terecht dat enkel aan de hand van de vertaling van de huwelijksakte en de verklaringen van de referent niet kan worden vastgesteld dat eiser en zijn zus dezelfde vader hebben. Over de in beroep alsnog overgelegde kopie van het identiteistbewijs van eisers zus kan de rechtbank geen uitspraak doen, gelet op de ex tunc toetsing (toetsing naar de stand van zaken ten tijde van het bestreden besluit), nog daargelaten dat het om een kopie gaat.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een familiale relatie tussen eiser en zijn zus en referent.

6.4

Verweerder heeft de aanvraag om een visum voor kort verblijf ook afgewezen, omdat niet is gebleken van een sociale en economische binding met het land van herkomst, waardoor tijdige terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Gelet daarop wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur en het opgegeven verblijfdoel.

6.5

Eiser bestrijdt dat sprake is van vestigingsgevaar en ziet niet in waarom getwijfeld wordt aan zijn binding met Afghanistan. Eiser heeft familie en kennissen in dat land. Verder heeft hij bij zijn aanvraag aangetoond dat hij daar over voldoende bestaansmiddelen beschikt. Hij heeft aangetoond dat hij een goede baan en spaargeld heeft. Eiser is daarbij inmiddels verloofd en heeft dus een vaste relatie in Afghanistan.

6.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum terug te keren, nu van een wezenlijke sociale en economische binding met het land van herkomst niet is gebleken.

Eiser is 35 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen, zodat hij niet de verantwoordelijkheid draagt voor een eigen gezin. Aan eisers standpunt in beroep dat hij inmiddels verloofd is, gaat de rechtbank, ex tunc toetsend, voorbij. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat de gestelde verloving niet met stukken is onderbouwd. Verder is niet gebleken dat tussen eiser en zijn in Afghanistan verblijvende broer sprake is van een uitzonderlijke relatie op grond waarvan eiser gehouden is naar Afghanistan terug te keren. Van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser ertoe nopen naar Afghanistan terug te keren, is evenmin gebleken.

Dat eiser in Afghanistan op basis van een regelmatig en substantieel inkomen in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien is ook niet gebleken of aannemelijk gemaakt. Waar eiser volgens een van de door hem bij zijn aanvraag overgelegde verklaringen van zijn werkgever verlof heeft gekregen van 1 mei 2017 tot en met 30 mei 2017, staat in een andere bij eisers aanvraag overgelegde verklaring van diezelfde werkgever dat hij tot 2 april 2017 voor die werkgever heeft gewerkt, waarbij hem succes wordt gewenst met zijn volgende baan. Verweerder betoogt daarom terecht dat uit deze stukken niet blijkt of en in hoeverre eiser daadwerkelijk voor deze werkgever werkzaam is en hiermee een structureel en substantieel inkomen geniet. Verweerder betoogt verder terecht dat uit het door eiser overgelegde bankafschrift niet blijkt dat dit betrekking heeft op een bankrekening van eiser, nu daarop slechts de naam [naam] is vermeld. Verweerder merkt verder terecht op dat uit het bankafschrift blijkt dat de bankrekening pas op 13 maart 2017 is geopend en dat kort voor de visumaanvraag USD 15.000,- daarop is gestort, welke storting niet tot inkomsten uit arbeid is te herleiden. Ook uit de in bezwaar overgelegde verklaring van eisers gestelde werkgever, inhoudende dat eiser vier jaar voor hem werkzaam is geweest, blijkt niet dat eiser met de gestelde werkzaamheden inkomsten genereert en dit ook daadwerkelijk ontvangt.

Verweerder concludeert daarom op goede gronden dat geen sprake is van een zodanig sterke sociale en economische binding van eiser met Afghanistan dat de terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst gewaarborgd is.

6.7

Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar, slaagt evenmin. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van eiser niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op het primaire besluit, hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, en de motivering van het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen kon worden afgezien.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.