Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
NL18.3512
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel opvolgende aanvraag. Gestelde homoseksuele gerichtheid. De staatssecretaris motiveert niet goed waarom een langdurige homoseksuele relatie in dit geval niet als nieuw element wordt beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.3512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2018

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [datum] 1992,

v-nummer [nummer] ,

eiseres,

mede namens haar minderjarige kind

[kind] ,

geboren op [datum] 2016,

v-nummer [nummer] ,

beiden van Oegandese nationaliteit,

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Wildeboer).


Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is aan haar ook een inreisverbod opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.3513, plaatsgevonden op 8 maart 2018. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft al eerder een asielaanvraag ingediend, waarvan het door verweerder genomen afwijzende besluit van 21 februari 2017 in rechte vast staat sinds de uitspraak van 17 augustus 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). In deze procedure is onder meer komen vast te staan dat eiseres middels haar verklaringen onvoldoende inzicht kon geven in haar persoonlijk bewustwordingsproces en het proces van zelfacceptatie van haar gestelde homoseksuele gerichtheid.

2. Aan haar huidige aanvraag legt eiseres wederom haar gestelde homoseksuele gerichtheid ten grondslag. Ter staving van haar aanvraag overlegt zij de volgende documenten:

  1. Verklaring [naam] (29 juli 2017);

  2. Verklaring [naam] (31 juli 2017);

  3. Verklaring [naam] en [naam] (augustus 2017);

  4. Verklaring [naam] (3 augustus 2017);

  5. Verklaring [naam] , (6 augustus 2017);

  6. Verklaring [vriendin] (7 augustus 2017);

  7. Verklaring [naam] (7 augustus 2017);

  8. Verklaring [naam] (10 augustus 2017);

  9. Verklaring [naam] (20 september 2017);

  10. Verklaring [naam] (zonder datum);

  11. Foto’s eiseres en [vriendin] ;

  12. Kopie medisch dossier.

Daarnaast blijkt uit het verslag van gehoor van 13 februari 2018 dat eiseres verklaart sinds januari 2017 gevoelens te koesteren voor mevrouw [vriendin] . Inmiddels hebben zij een duurzame relatie, aldus eiseres.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Met name vindt verweerder van belang dat eiseres haar relatie met [vriendin] in de vorige procedure naar voren had kunnen en dus moeten brengen. In het verslag van gehoor is immers te lezen dat eiseres heeft verklaard dat haar gevoelens voor [vriendin] er al in januari 2017 waren, terwijl het besluit in de vorige procedure is genomen op 21 februari 2017. Ten aanzien van de overgelegde verklaringen stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet afkomstig zijn uit objectief verifieerbare bronnen en op zichzelf niet kunnen bewijzen dat eiseres homoseksueel gericht is. Voor zover daaruit blijkt dat eiseres actief is in verschillende belangenorganisaties, levert dit geen nieuw feit op, omdat dit ten tijde van de vorige procedure al bekend was, aldus verweerder.

4. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1256), moet verweerder inzichtelijk maken hoe hij de verklaringen over een gestelde seksuele gerichtheid heeft beoordeeld en gewaardeerd. Verweerder kan bij deze beoordeling in beginsel doorslaggevende waarde toekennen aan de ontoereikende verklaringen van een vreemdeling over zijn eigen ervaringen. De omstandigheid dat een vreemdeling ontoereikend heeft verklaard over zijn eigen ervaringen zonder dat hiervoor een rechtvaardiging bestaat, hoeft echter niet in alle gevallen ertoe te leiden dat verweerder de door die vreemdeling gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig acht. Daarbij kan van belang zijn dat die vreemdeling over andere aspecten die verband houden met zijn seksuele gerichtheid volgens verweerder wél overtuigend kan verklaren.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het gehoor opvolgende aanvraag heeft uitgelegd waarom zij in die eerdere procedure niet over haar beginnende relatie met [vriendin] heeft verteld (pagina 7). [vriendin] was al langer verliefd op eiseres, maar zij dacht nog aan haar vriendin in Oeganda en had veel stress in verband met haar ongewenste zwangerschap. In januari 2017 wist eiseres wel dat zij ook van [vriendin] hield en een relatie met haar wilde aangaan. De vraag is dus of verweerder hieruit mag afleiden dat de relatie geen novum ten opzichte van de vorige procedure vormt. Als een relatie inmiddels ruim een jaar voortduurt, zoals die van eiseres en [vriendin] (naar gesteld), dan vormt dit een belangrijk aspect dat verweerder inhoudelijk moet beoordelen. Als verweerder per definitie geen waarde meer hecht aan relaties die volgens hem eerder naar voren gebracht hadden moeten worden, loopt hij het risico dat hij dit aspect bij zijn beoordeling veronachtzaamt. Het feit dat een relatie bestendig blijkt, kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk op zich een novum vormen.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop verweerder de homoseksuele gerichtheid van eiseres op geloofwaardigheid heeft beoordeeld niet strookt met het beleid dat is neergelegd in Werkinstructie 2015/9. Uit dit beleid volgt immers dat het hebben van een homoseksuele relatie een (zelfstandig) onderdeel is van de beoordeling van de seksuele gerichtheid. Ook volgt uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde uitspraak van 10 mei 2017, dat overtuigende verklaringen van een vreemdeling over andere aspecten dan het bewustwordings- en acceptatieproces, zoals het hebben van een relatie, ertoe kunnen leiden dat de gestelde homoseksuele gerichtheid desondanks geloofwaardig wordt geacht.

Hoewel verweerder eiseres heeft tegengeworpen dat zij de relatie eerder had moeten vermelden, blijft hij wel gehouden om inhoudelijk te motiveren waarom deze relatie volgens hem geen afbreuk kan doen aan haar ongeloofwaardig bevonden seksuele gerichtheid. Verweerder legt in het bestreden besluit de nadruk op de verwijtbaarheid en het tijdsaspect, terwijl hij niet ingaat op de inhoud van de verklaringen van eiseres ten aanzien van haar relatie met [vriendin] . Juist omdat een relatie of het hebben van contacten een objectieve manier is om de gerichtheid te onderbouwen, ligt het op de weg van verweerder om dit aspect beter te motiveren. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt deze motivering in het bestreden besluit.

6. De beroepsgrond slaagt. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten omdat het gelet op de enigszins terughoudende toetsingsbevoegdheid van de rechter, primair aan verweerder is om een gestelde homoseksuele gerichtheid te beoordelen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Naast hetgeen hiervoor over de verklaringen van eiseres over de gestelde relatie met [vriendin] is overwogen, betrekt verweerder daarbij ook hetgeen derden met hun schriftelijke verklaringen daarover hebben ingebracht. Hoewel verklaringen van derden niet af kunnen doen aan de verantwoordelijkheid van eiseres om overtuigend te verklaren, kunnen deze volgens bestendige jurisprudentie van de Afdeling immers wel van belang zijn als ondersteunend bewijs.

7. Het beroep is gegrond. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 19 februari 2018;

- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 501.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Tj. Gerbranda, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.F. van den Brink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 maart 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: 26 maart 2018

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.