Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3975

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
NL18.1498
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster betreft een vrouw van 85 jaar uit Iran. Nadat de asielaanvraag is afgewezen is aan haar uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing in het kader van artikel 64 van de Vw 2000. Uit het BMA-advies blijkt dat het uitblijven van behandeling zou kunnen lijden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verzoekster kan, onder begeleiding, wel reizen en de benodigde behandeling is aanwezig in Iran. Verweerder stelt conform beleid dat de zorg toegankelijk wordt geacht omdat verzoekster de identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. In de asielprocedure is verweerder uitgegaan van de identiteit en nationaliteit vanwege het echt bevonden paspoort. Dat het paspoort nu is verlopen is onvoldoende om alsnog te twijfelen aan de nationaliteit. De voorzieningenrechter is daarom van voorlopig oordeel dat niet kan worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1498

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 april 2018

in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [datum] 1932,

v-nummer [nummer] ,

van Iraanse nationaliteit,

verzoekster

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen.

Daartegen heeft verzoekster op 1 maart 2018 bezwaar gemaakt. Verzoekster is meegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar in beginsel niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 1 maart 2018 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst en dat de verstrekkingen gecontinueerd kunnen worden totdat op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, wanneer onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Gelet op het navolgende is de voorzieningenrechter van oordeel dat hiervan sprake is. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder behandeling van het verzoek ter zitting.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij meeromvattend besluit van 28 augustus 2016 is de asielaanvraag van verzoekster afgewezen. Dit besluit is in rechte komen vast te staan bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2016. Aan verzoekster is in afwachting van de beslissing op de aanvraag herhaaldelijk en aansluitend uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Op 23 februari 2018 heeft het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) een advies uitgebracht. Daaropvolgend heeft verweerder bij het bestreden besluit van 28 februari 2018 de aanvraag van verzoekster afgewezen. Daarmee is het voorlopig uitstel van vertrek beëindigd.

4. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COa) heeft aan verzoekster op 3 april 2018 medegedeeld dat haar recht op verstrekkingen eindigt op 6 april 2018. Het COa heeft medegedeeld dat aan verzoekster enkel opvang kan worden geboden indien een voorlopige voorziening is toegewezen en de rechter expliciet in de uitspraak overweegt dat verzoekster recht op verstrekkingen heeft.

5. Verzoekster heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 4 april 2018 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening met spoed toe te wijzen zodat zij ook na 6 april 2018 haar recht op verstrekkingen kan behouden. Een eventuele toewijzing van dit verzoek heeft tot gevolg dat verzoekster de beslissing op haar bezwaar in Nederland mag afwachten. Dit betekent echter niet dat dan ook de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort. Een eventuele toewijzing van het verzoek heeft dus niet als gevolg dat verzoekster recht heeft op de verstrekkingen zoals zij die voor het bestreden besluit genoot. Gelet op de inhoud van het verzoek om een voorlopige voorziening begrijpt de voorzieningenrechter het verzoek daarom zo, dat verzoekster tijdens de behandeling van het bezwaar wenst te worden behandeld als ware artikel 64 van de Vw 2000 op haar van toepassing.

6. Uit het BMA-advies van 23 februari 2018 blijkt onder meer het volgende. Verzoekster heeft diverse medische problemen waarvoor zij onder behandeling staat. Zo heeft verzoekster suikerziekte en als gevolg daarvan oogklachten en een verminderde nierfunctie. Er is geen sprake van nierfunctievervangende therapie. Ook is sprake van een verhoogde bloeddruk die met medicatie goed wordt gereguleerd. De functie van de linkerhartkamer is redelijk, maar de cardioloog sluit enige mate van hartfalen niet uit. De behandeling is vooral medicamenteus. Uitblijven van behandeling van verzoekster zal naar verwachting leiden tot een ontregeling van de bloedsuikerhuishouding met mogelijk coma en overlijden als gevolg daarvan. Verder is stijging van de bloeddruk mogelijk en daaruit zijn complicaties te verwachten als een beroerte. Ook een afname van de pompfunctie met toenemend hartfalen is mogelijk. Verzoekster is niet meer volledig ADL-zelfstandig. Het BMA concludeert dat verzoekster zal kunnen reizen naar Iran. Er zijn echter wel medische voorzieningen noodzakelijk. Verzoekster dient tijdens de reis begeleid te worden door een verpleegkundige in verband met het toedienen van medicatie en ADL-assistentie. Na de reis is er een fysieke overdracht noodzakelijk van verzoekster aan de behandelaar ter plekke. Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie stelt het BMA als laatste dat de benodigde behandeling, inclusief medicatie, aanwezig is in Iran. Opname in een verpleeghuis is mogelijk, bijvoorbeeld bij [verpleeginstelling] in Teheran.

7. Het bestreden besluit van 28 februari 2018 is gebaseerd op het BMA-advies. Verweerder gaat ervan uit dat de noodzakelijke medische zorg voor verzoekster aanwezig en toegankelijk is. Omdat verzoekster haar identiteit en nationaliteit niet door middel van originele documenten heeft aangetoond, kan verzoekster volgens verweerder niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst, of het land waarnaar zij kan vertrekken, niet toegankelijk is voor haar. Verweerder verwijst in dit verband naar paragraaf A3/7.1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000).

8. In het bestreden besluit wordt volgens verzoekster ten onrechte gesteld dat zij haar identiteit en nationaliteit niet zou hebben aangetoond door middel van documenten. Ten tijde van de asielaanvraag was verzoekster in het bezit van een geldig paspoort. In het besluit op de asielaanvraag heeft verweerder bevestigd dat verzoekster hiermee haar identiteit en nationaliteit heeft aangetoond. Door het verlopen van de geldigheid van haar paspoort kan niet worden gesteld dat er nu alsnog getwijfeld wordt aan haar identiteit en nationaliteit. Verzoekster betoogt dat haar dan ook ten onrechte geen gelegenheid is geboden om aan de hand van documenten aannemelijk te maken dat de zorg niet toegankelijk is voor haar. Volgens verzoekster is die zorg daadwerkelijk niet toegankelijk voor haar. Ter onderbouwing overlegt zij een e-mail van haar neef waarin hij verklaart telefonisch contact te hebben gehad met de instelling in Teheran die volgens het BMA-advies de benodigde zorg zou kunnen leveren. Uit dit gesprek bleek dat er in Iran geen verpleeghuis aanwezig is die de benodigde zorg kan leveren. [verpleeginstelling] is een particuliere verzorgster. Om de benodigde zorg te realiseren zijn er hoge kosten die verzoekster niet kan voldoen. Bovendien is aanwezigheid van familie essentieel. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd, aldus verzoekster.

9. In paragraaf A3/7.1.5 van de Vc 2000 staat dat op de vreemdeling de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg. Dit is van belang in het geval waarin het BMA in het medisch advies:

- heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en

- heeft aangegeven, dat de medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is.

Verder staat in deze paragraaf dat in de situatie dat de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond door middel van documenten, verweerder het medisch advies ter informatie voorlegt aan de vreemdeling en hem daarbij de mogelijkheid biedt om aan de hand van documenten aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. Verweerder geeft de vreemdeling een termijn van twee weken om te reageren.

10. Voorlopig oordelend kan niet worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Daarvoor is het volgende van belang. In het meeromvattend besluit van verweerder van 28 augustus 2016 zijn de volgende elementen geloofwaardig geacht:

- verzoekster heeft de door haar gestelde identiteit en nationaliteit met haar echt bevonden paspoort aannemelijk gemaakt;

- verzoekster beschikt niet over voldoende geld om ergens anders in Iran te gaan wonen en thuiszorg te bekostigen; en

- verzoekster heeft niemand meer in Iran die voor haar kan zorgen en er is geen familie aanwezig die toezicht kan houden op eventuele thuiszorg.

Gelet op het voorgaande valt niet zonder meer in te zien dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt stelt dat verzoekster haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom is evenmin begrijpelijk dat verzoekster niet de gelegenheid heeft gekregen om binnen twee weken aan te tonen dat de zorg voor haar feitelijk niet toegankelijk is.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster er belang bij heeft om de beslissing op bezwaar in Nederland te mogen afwachten. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en verweerder opdragen verzoekster te behandelen als ware artikel 64 van de Vw 2000 op haar van toepassing. Dit betekent concreet dat verzoekster recht houdt op de verstrekkingen die haar in dat kader toekomen.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek toe;

  • -

    draagt verweerder op verzoekster te behandelen als ware artikel 64 van de Vw 2000 op haar van toepassing tot op het bezwaar is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R. Visscher, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2018

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op 6 april 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.