Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
C-09-545274-KG ZA 17-1633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Taakverdeling tussen enerzijds de uitleveringsrechter en anderzijds de Minister en de kort gedingrechter, Voltooide schendingen artikelen 3 en 6 EVRM en dreigende schending artikel 3 EVRM wegens slechte detentieomstandigheden. Garantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/545274 / KG ZA 17-1633

Vonnis in kort geding van 5 april 2018

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,

eiser,

advocaat mr. E. Sahin te Eindhoven,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brieven van de Staat van 19 en 23 januari 2018 en van 13 en 19 maart 2018, (telkens) met producties;

- de op 22 maart 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij uitspraak van de Hogere Rechtbank te Novi Sad van 7 september 2012 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar wegen medeplegen van een gewapende roofoverval. Deze uitspraak is op 27 september 2013 bekrachtigd door de "Court of Appeal" te Novi Sad.

2.2.

Op 23 november 2016 hebben de Servische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten om de uitlevering van [eiser] verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van voormelde straf.

2.3.

Bij uitspraak van 21 februari 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. In de uitspraak wordt onder meer het volgende overwogen:

"De rechtbank volgt het verweer niet. Er zijn geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij, toen hij in een Servische penitentiaire inrichting in voorarrest verbleef, het slachtoffer is geweest van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Omdat aldus niet gebleken is dat in Servië reeds een inbreuk op artikel 3 EVRM heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat het verweer een dreigende schending van artikel 3 EVRM betreft. Om die reden staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank zal dan ook niet, zoals de verdediging heeft verzocht, de uitlevering ontoelaatbaar achten. Ook zal de rechtbank daarom geen vragen stellen aan de Servische autoriteiten omtrent de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting waar de gevangenisstraf van de opgeëiste persoon ten uitvoer zal worden gelegd gelet op het vonnis van de verzoekende staat.

Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank het CPT-rapport dat door de verdediging is overgelegd in het dossier zal voegen en in haar adviesbrief aan de Minister aandacht zal vragen voor dit rapport en de zorgen van de verdediging over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon in een Servische penitentiaire inrichting komt te verkeren indien hij wordt uitgeleverd. De rechtbank acht het van belang, gelet op de inhoud van het rapport, dat de Minister aandacht besteedt aan die zorgen met het oog op een mogelijke dreigende schending van artikel 3."

2.4.

Op 21 februari 2017 adviseert de rechtbank Oost-Brabant de minister van Justitie en Veiligheid (hierna 'de Minister') aan het verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van [eiser] gevolg te geven.

2.5.

Bij arrest van 12 september 2017 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] tegen de uitspraak van 21 februari 2017 verworpen.

2.6.

Op 8 november 2017 heeft de Minister aan de Servische autoriteiten een aantal vragen gesteld over de detentieomstandigheden die op [eiser] van toepassing zullen zijn en verzocht om een toezegging dat de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in overeenstemming zal zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM').

2.7.

De Servische autoriteiten hebben vervolgens op 27 november 2017 gereageerd. Daarbij geven zij - onder andere - aan dat [eiser] zijn straf zal moeten ondergaan in de penitentiaire inrichting " [naam PI] ", met de toezegging dat daarbij de internationale standaarden - en meer specifiek het bepaalde in artikel 3 EVRM - in acht zullen worden genomen.

2.8.

Bij beschikking van 7 december 2017 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan Servië toegestaan.

2.9.

Op 22 en 29 januari 2018 heeft de Minister nadere/aanvullende vragen gesteld aan de Servische autoriteiten. Deze hebben daarop op 24 januari 2018 respectievelijk 2 maart 2018 gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair

- zijn uitlevering aan Servië te verbieden;

subsidiair

- zijn uitlevering aan Servië te verbieden of uit te stellen totdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') een eindbeslissing heeft genomen op zijn klacht;

meer subsidiair

- zijn uitlevering aan Servië uit te stellen tot op zijn verzoek op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen ('Wots') een onherroepelijk beslissing is gegeven;

meest subsidiair

- zijn uitlevering aan Servië te verbieden of uit te stellen totdat hij in de nieuwe penitentiaire inrichting te [plaats] terecht kan;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De door de Minister voorgenomen uitlevering van [eiser] naar Servië is onrechtmatig, aangezien sprake is van:

(i) een voltooide schending van artikel 3 EVRM, nu hij destijds door de Servische politie - door middel van foltering - is gedwongen een bekennende verklaring af te leggen in de onderliggende strafzaak;

(ii) een voltooide schending van artikel 6 EVRM, nu hij op basis van die onder dwang, bedreiging en mishandeling afgelegde (bekennende) verklaring is veroordeeld door de Servische strafrechter;

(iii) een dreigende schending van artikel 3 EVRM, gelet op de slechte detentieomstandigheden en het gevaar voor zijn persoonlijke veiligheid in de penitentiaire inrichting waarin [eiser] na zijn uitlevering zal worden geplaatst.

Voor zover wordt geoordeeld dat de uitlevering van [eiser] naar Servië toch toelaatbaar is, moet deze worden verboden c.q. uitgesteld totdat is beslist op een nog in te dienen klacht bij het EHRM wegens schending van de artikelen 3, 6 en 13 EVRM, dan wel op een nog in te dienen Wots-verzoek. Indien ook dat niet toewijsbaar is, moet met de uitlevering worden gewacht totdat [eiser] kan worden geplaatst in de in aanbouw zijnde penitentiaire inrichting in [plaats] , waar de detentieomstandigheden beter zijn dan in de penitentiaire inrichting [naam PI] , waar de Servische autoriteiten hem willen plaatsen.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek, dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

4.2.

Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister, zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.3.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten, zoals bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister en zal deze bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien vervolgens tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277).

4.4.

Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op diens fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

4.5.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1680) kan echter worden afgeleid dat in de hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister een uitzondering kan worden aanvaard indien vaststaat dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd en er is dus sprake is van een voltooide inbreuk. In een zodanig geval is een besluit van de Minister waarbij de uitlevering (desondanks) wordt toegestaan zonder meer onrechtmatig en moet de uitlevering door de burgerlijke rechter worden verboden. Beroept de opgeëiste persoon zich daarbij echter op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep worden voorbijgegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure.

4.6.

Reeds op grond van het voorgaande treft het beroep van [eiser] op voltooide schendingen van de artikelen 3 en 6 EVRM geen doel. Deze - vermeende - schendingen zijn immers reeds, overeenkomstig voormelde taakverdeling, beoordeeld door de rechtbank Oost-Brabant, als uitleveringsrechter, en door haar ongegrond verklaard, welke beslissing vervolgens door de Hoge Raad in stand is gelaten, terwijl [eiser] zich noch bij de Minister, noch in het kader van het onderhavige kort geding heeft beroepen op nieuwe feiten en/of omstandigheden, dan wel ander bewijsmateriaal. In feite komen de stellingen van [eiser] in dit kort geding neer op een verkapt rechtsmiddel tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en de Hoge Raad, maar daarvoor leent deze procedure zicht niet.

4.7.

Voor wat betreft de door [eiser] gestelde dreigende schending van artikel 3 EVRM geldt in het algemeen dat aan uitlevering in de weg staat de omstandigheid dat er gegronde redenen ("substantial grounds") zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar ("a real risk") loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, (o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158). Doet zo’n situatie zich voor, dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de "mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3" (EHRM 11 februari 2013, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia).

4.8.

Voor zover [eiser] zich in de onderhavige zaak heeft beroepen op de foltering die hij destijds heeft ondergaan toen hij in Servië in voorarrest verbleef, op grond waarvan - volgens hem - moet worden aangenomen dat hij ook na zijn uitlevering zal worden gefolterd, moet daaraan worden voorbijgegaan. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen, kan in het bestek van dit kort geding immers niet ervan worden uitgegaan dat tijdens het voorarrest sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. Overigens bracht [eiser] het voorarrest door in een politiecel, wat na zijn uitlevering niet het geval zal zijn.

4.9.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de onderhavige kwestie is dat [eiser] na zijn uitlevering zal worden geplaatst in de penitentiaire inrichting [naam PI] , zoals aangegeven door de Servische autoriteiten op 27 november 2017. Voorts wordt - gelet op de onweersproken stellingen van [eiser] - ervan uitgegaan dat [eiser] zal worden gedetineerd in een meerpersoonscel. Verder is van belang [eiser] aannemelijk moet maken dat er daadwerkelijke concrete redenen bestaan op grond waarvan moet worden aangenomen dat juist hij het hiervoor onder 4.7 beschreven risico loopt.

4.10.

Voor wat betreft de door hem gestelde slechte detentieomstandigheden doet [eiser] een beroep op het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna 'CPT') van 14 juni 2015 naar aanleiding van een bezoek van een delegatie aan Servië van 26 mei 2015 tot 5 juni 2015 en (de samenvatting van) het Serbia 2015 Human Rights Rapport van het United States Department of State.

4.11.

Uit die rapporten volgt dat de detentieomstandigheden in 2015 in Servië - in het algemeen - als zorgelijk moeten worden aangemerkt. In het CPT-rapport wordt (op de pagina's 37 en 38) ook nog specifiek ingegaan op de penitentiaire inrichting [naam PI] , waar [eiser] zal worden geplaatst. Met betrekking tot bepaalde paviljoens van die inrichting is het rapport (zeer) kritisch.

4.12.

Mede met het oog op het voorgaande heeft de Minister verschillende keren om nadere - specifiek op de persoon/situatie van [eiser] toegesneden - informatie verzocht aan de Servische autoriteiten. Hieraan is echter slechts gedeeltelijk voldaan. De Servische autoriteiten garanderen weliswaar dat de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in overeenstemming zal zijn met artikel 3 EVRM, maar zij werken dat voor wat betreft alle door de Minister aangevoerde punten/aspecten niet verder uit. Volgens hen kan daarover eerst na afloop van een intakeprocedure, waarbij ten aanzien van [eiser] onder andere de risicocategorie, gezondheid en individuele behoeften worden beoordeeld, uitsluitsel worden gegeven.

4.13.

Uit de - in feite onweersproken gebleven - reacties van de Servische autoriteiten naar aanleiding van de door de Minister gestelde vragen volgt overigens wel, dat zich na het uitbrengen van voormelde rapportages voor wat betreft de inrichting [naam PI] positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan, zoals:

- inmiddels afgeronde renovatiewerkzaamheden met betrekking tot de ziekenafdeling, de keuken en paviljoen [paviljoen] ;

- geplande renovatiewerkzaamheden voor wat betreft paviljoen 4;

- de bouw van een nieuw paviljoen ten behoeve van 320 gedetineerden;

- de bouw van een nieuwe penitentiaire inrichting te [plaats] , met een capaciteit van 500 gedetineerden, mede bedoeld om de overbevolking binnen [naam PI] te doen afnemen;

- invoering van een trainingsprogramma teneinde de agressie tussen gedetineerden (meer/beter) te reguleren;

- uitbreiding van het aantal bewakers.

4.14.

Daarnaast hebben de Servische autoriteiten en/of de Staat - ook onbetwist - gewezen op:

- het bestaande klachtrecht van gedetineerden in twee instanties en de mogelijkheid van rechtsbijstand daarbij;

- controle van de inrichting door een onafhankelijke Ombudsman;

- het in maart 2016 verschenen jaarrapport 2015 van die Ombudsman, waaruit volgt dat vooruitgang is geboekt bij de preventie van foltering;

- het jaarrapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken voor wat betreft 2016, waarin is vermeld dat voor wat betreft geheel Servië bij een capaciteit voor 9.459 gedetineerden feitelijk sprake was van de insluiting van 10.065 gedetineerden (ofwel een bezetting van ruim 106%) en in de periode 2012-2016 de totale detentiecapaciteit is toegenomen met 50%.

4.15.

Op grond van een en ander moet in het bestek van dit kort geding worden aangenomen dat de situatie binnen de penitentiaire inrichting [naam PI] de laatste jaren - en dus ook na het uitbrengen van de onder 4.10 vermelde rapportages - substantieel is verbeterd.

4.16.

Op de zitting heeft [eiser] aangegeven dat het dreigende gebrek aan persoonlijke ruimte - als gevolg van overbevolking binnen de inrichting [naam PI] - zijn voornaamste bezwaar is tegen zijn uitlevering.

4.17.

Uit het arrest van (de Grote Kamer van) het EHRM van 20 oktober 2016 tussen Muršiç en Kroatië (applicatienummer 7334/13) volgt dat een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM moet worden aangenomen indien de persoonlijke ruimte van een gedetineerde in een meerpersoonscel minder dan 3m² bedraagt, zij het dat bepaalde omstandigheden dat vermoeden kunnen wegnemen, waarbij onder andere de volgende factoren van belang kunnen zijn: "the time and extent of restriction; freedom of movement and adequacy of out-of-cell activities; and general appropriateness of the detention facility."

4.18.

Aan voormelde (specifieke/concrete) voorwaarde dient - ter voorkoming van een schending van artikel 3 EVRM - derhalve te worden voldaan gedurende de gehele periode dat [eiser] is gedetineerd na zijn uitlevering, dus zowel vóór als ná de intakeprocedure in [naam PI] . Niet valt in te zien waarom de Servische autoriteiten dienaangaande geen concrete/specifieke garantie zouden kunnen verstrekken, wat zij tot op heden hebben nagelaten.

4.19.

Het vorenstaande brengt mee dat [eiser] in ieder geval niet mag worden uitgeleverd zolang een dergelijke garantie van de Servische autoriteiten ontbreekt. Dat klemt te meer nu uit het door de Staat - als productie 12 - overgelegde vonnis van de voorzieningenrechter van 12 februari 2015 blijkt dat de Servische autoriteiten in die zaak wel bereid zijn geweest garanties te verstrekken, ook voordat een intakeprocedure had plaatsgevonden.

4.20.

Mede bezien in het licht van het voorgaande - in het bijzonder hetgeen onder 4.13 en 4.14 is overwogen - is de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat schending van artikel 3 EVRM dreigt vanwege het gevaar dat zijn persoonlijke veiligheid loopt in [naam PI] als gevolg van discriminatie wegens zijn
(Roma-)Kroatische afkomst en de mogelijkheid dat andere betrokken (medeverdachten
c.q -daders) bij de achterliggende strafzaak, die hij heeft 'verraden', ook zijn gedetineerd in [naam PI] , niet voldoende heeft onderbouwd/geconcretiseerd.

4.21.

Voor een verbod of uitstel van de uitlevering in afwachting van de eindbeslissing van het EHRM op een nog door [eiser] in te dienen klacht tegen Servië ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, aangezien [eiser] - desgewenst - aan het EHRM een interim measure kan vragen. In die situatie is voor een voorziening in kort geding geen plaats.

4.22.

De uitlevering zal ook niet behoeven te worden uitgesteld totdat op een nog door [eiser] nog in te dienen Wots-verzoek zal zijn beslist, omdat - zoals de Staat onbetwist heeft aangevoerd - voor wat betreft [eiser] niet wordt voldaan aan de voor zo'n verzoek geldende voorwaarden.

4.23.

Tot slot komt ook de meest subsidiaire vordering van [eiser] , strekkende tot een verbod c.q. uitstel van zijn uitlevering totdat hij in de (nog in aanbouw zijnde) penitentiaire inrichting te [plaats] zal worden geplaatst, niet voor toewijzing in aanmerking. De Servische autoriteiten zijn voornemens [eiser] te detineren in de penitentiaire inrichting [naam PI] . Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit niet in de weg staat aan de uitlevering, mits de hiervoor bedoelde garantie wordt verstrekt. Bovendien is het niet aan de Nederlandse kort gedingrechter om te bepalen in welke Servische penitentiaire inrichting [eiser] moet worden geplaatst na zijn uitlevering.

4.24.

Het bovenstaande brengt mee dat de uitlevering van [eiser] aan Servië op zichzelf toelaatbaar is, maar niet ongeclausuleerd. Daaraan zal de voorwaarde worden verbonden dat de Servische autoriteiten een garantie verstrekken zoals bedoeld onder 4.18. Dit betekent dat zal worden beslist zoals hieronder in het dictum vermeld.

4.25.

Nu partijen op hoofdpunten in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de uitlevering van [eiser] aan Servië, tenzij de Servische autoriteiten garanderen dat de persoonlijke ruimte van [eiser] gedurende zijn gehele detentie (dus zowel vóór als ná de intakeprocedure) minimaal 3m² bedraagt;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

jvl