Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
09/767042-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Criminele organisatie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het - in georganiseerd verband - uitbuiten van meerdere jonge vrouwen in de prostitutie.

Verwerping preliminair verweer ten aanzien van schending specialiteitsbeginsel in het kader van overlevering. Geen sprake van een “ander feit” in de zin van het kaderbesluit. Van schending van het specialiteitsbeginsel is dan ook geen sprake.

Verwerping verweer ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding voor zover deze ziet op de criminele organisatie. De dagvaarding is voldoende duidelijk en is dan ook geldig.

Juridisch kader mensenhandel. Naar het oordeel van de rechtbank is voor artikel 273f, eerste lid, sub 9 van het Wetboek van Strafrecht niet vereist dat daadwerkelijk van bevoordeling sprake is geweest. De tekst van sub 9 biedt ruimte voor die opvatting. Bovendien komt een dergelijke uitleg tegemoet aan de strekking van de strafbaarstelling van mensenhandel, te weten het belang van behoud van iemands geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Immers, door met een dwangmiddel iemand ertoe te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde is daarmee diens geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid reeds geschonden en naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het delict voltooid.

Overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen.

Gebleken is dat tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, de beperkingen die aan de verdachte waren opgelegd ten onrechte op andere wijze (aanmerkelijk verzwarend) zijn toegepast door de lokale, Hongaarse autoriteiten. Gelet hierop, en de lange duur van deze verzwaarde beperkingen, zal de rechtbank de duur van de op te leggen straf beperken met twee maanden.

Korting van 10 % op de op te leggen straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 41 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/767042-13

Datum uitspraak: 23 maart 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

verblijfadres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 24 juni 2015, 26 augustus 2015, 18 november 2015, 5 februari 2016, 19 april 2016 (telkens pro forma), 1, 2, 12, 13, 14 en 19 februari 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. S. M. van der Kallen en mr. E. Visser, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw, mr. C.W. Noorduyn, naar voren is gebracht.

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting van 13 februari 2018 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Srafrecht (hierna: Sr) aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - kort gezegd en na een toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 april 2016 - ten laste gelegd dat zij zich, al dan niet samen met een ander of anderen, in Nederland en/of in Hongarije schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van zeven vrouwen:

- [slachtoffer 1] in de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2012 (feit 1);

- [slachtoffer 2] in de periode van 1 november 2010 tot en met 23 december 2010 en in de periode van 1 maart 2011 tot en met 1 oktober 2012 (feit 2);

  • -

    [slachtoffer 3] in de periode van 1 november 2011 tot en met 26 februari 2012 (feit 3);

  • -

    [slachtoffer 4] in de periode van 1 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 4);

  • -

    [slachtoffer 5] in de periode van 31 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 5);

  • -

    [slachtoffer 6] in de periode van 1 december 2011 tot en met 30 januari 2012 (feit 6);

  • -

    [slachtoffer 7] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 januari 2013 (feit 7).

Voorts wordt de verdachte ervan verdacht dat zij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 13 maart 2014 in Nederland en/of Oostenrijk en/of Duitsland en/of België en/of Hongarije, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 8).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage I bij dit vonnis en maakt daarvan deel uit. De reeds toegewezen wijzigingen in de tenlastelegging zijn daarin cursief weergegeven.

3 Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van feit 9 (criminele organisatie), nu de dagvaarding ten aanzien van dat feit niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voldoet. In de dagvaarding zijn niet de vermeende deelnemers aan de organisatie opgenomen en ook enige feitelijke omschrijving van de door de organisatie gepleegde misdrijven ontbreekt, aldus de verdediging.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet opgaat, nu de tenlastelegging voldoende feitelijk is en het voor iedere procesdeelnemer voldoende duidelijk was waarvan verdachte werd beschuldigd. Hierbij moet de tenlastelegging als geheel worden beschouwd en in samenhang met de inhoud van het dossier worden gelezen. Ook uit de behandeling ter terechtzitting en door hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht is gebleken dat het verwijt duidelijk was, aldus de officieren.

De rechtbank stelt voorop dat een van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de terechtzitting plaatsvindt op basis van de dagvaarding. Dit draagt er zorg voor dat alle partijen (de verdachte, het openbaar ministerie en de rechter) op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging berust. De tenlastelegging heeft twee functies. In de eerste plaats wordt de verdachte geïnformeerd waarvan hij wordt verdacht en waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Dit betekent dat in de tenlastelegging een opgave van het feit wordt opgenomen gespecificeerd naar tijd en plaats. In de tweede plaats beperkt de tenlastelegging de onderzoeks- en beslissingstaak van de rechter tot het voorval zoals dat is tenlastegelegd.

Tenlastegelegd is deelneming aan een criminele organisatie, hetgeen betekent dat de verdenking luidt dat verdachte behoort tot een organisatie en dat hij een aandeel heeft gehad in dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtsreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten: het plegen van misdrijven. In algemene zin is niet vereist dat een persoon bekend moet zijn geweest, laat staan dat hij moet hebben samengewerkt, met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Het concretiseren van de verdenking door het expliciet benoemen van overige deelnemers is dan ook geen vereiste. Bovendien is in de tenlastelegging het oogmerk van plegen van misdrijven in zoverre geconcretiseerd dat het openbaar ministerie daarin de concrete misdrijven heeft opgenomen waarop zij kennelijk het vizier had gericht. Nu het volledige dossier van het onderzoek Apus A onder andere bestaat uit een 21-tal zaaksdossiers aangaande de verdenking van mensenhandel, een zaaksdossier aangaande de verdenking van witwassen en ook een omvangrijk zaaksdossier criminele organisatie en uit de verdachtendossiers van de in feit 9 genoemde deelnemers, kan het niet anders zijn dan dat het ook aan de zijde van de verdediging duidelijk moet zijn geweest waartegen verdachte zich in dit verband moest verdedigen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voldoende duidelijk is. De rechtbank verwerpt het verweer. De dagvaarding is geldig.

4 Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

De raadsvrouw heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit ten aanzien van de feiten 4 ( [slachtoffer 4] ) en 6 ( [slachtoffer 6] ). Verder dient het openbaar ministerie deels niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van een deel van de ten laste gelegde periode in de feiten 1 ( [slachtoffer 1] ) en 3 ( [slachtoffer 3] ). De raadsvrouw wijst erop dat [verdachte] is aangehouden op grond van een Europees arrestatiebevel (hierna EAB), en vervolgens is overgeleverd. Uit de Overleveringswet (OLW) en het kaderbesluit volgt dat een persoon niet vervolgd kan worden voor andere feiten dan waarvoor hij is overgeleverd (specialiteitsbeginsel). Nu de zaaksdossiers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] niet omschreven zijn inzake de overlevering, en bij de zaaksdossiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] een kortere periode is omschreven, moet het ervoor gehouden worden dat [verdachte] niet voor die feiten en perioden is overgeleverd.

De officier van justitie heeft zich, ter zitting van 24 juni 2015, op het standpunt gesteld dat de feiten in het kader waarvan de overlevering wordt gevraagd niet specifiek behoeven te worden vermeld. Volstaan kan worden met algemeenheden. De in het EAB aangeleverde informatie over de verschillende zaaksdossiers dient als extra informatie te worden gezien. Er is geen sprake van toepasselijkheid van het specialiteitsbeginsel.

De rechtbank heeft ter zitting van 24 juni 2015 en 26 augustus 2015 te kennen gegeven dat het niet-ontvankelijkheidsverweer (nog steeds) ontijdig wordt geacht en dat bij einduitspraak nader op dit verweer zal worden ingegaan.

De rechtbank overweegt thans als volgt:

Gelet op artikel 2, tweede lid, OLW dient het EAB te bevatten: “een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit”. De gegevens met betrekking tot het feit moeten worden opgenomen in rubriek e van het EAB. In bijlage 1 bij de OLW is een lijst van strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de OLW opgenomen. Hierin staan, onder meer, vermeld: “deelneming aan een criminele organisatie’ en ‘mensenhandel’.

In artikel 27, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, wordt de specialiteitsregel geformuleerd. Volgens deze regel kan een overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. Het overleveringsverzoek is gebaseerd op de informatie die de stand van het onderzoek op het tijdstip van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel weergeeft. Het is dus mogelijk dat in de loop van de procedure de vastgestelde feiten niet in alle opzichten meer overeenkomen met die welke aanvankelijk waren omschreven. De verzamelde gegevens kunnen leiden tot een precisering en zelfs een wijziging van de bestanddelen van het strafbare feit die de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel aanvankelijk hebben gerechtvaardigd.

De in artikel 27, lid 2, gebruikte termen ‘vervolgd’, ‘berecht’ of ‘van zijn vrijheid beroofd’ wijzen erop dat het begrip ‘enig ander feit’ dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de verschillende stadia van de procedure en rekening houdend met iedere procedurele handeling die de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit kan wijzigen. Om - met betrekking tot het in artikel 27, lid 3, sub g, van het kaderbesluit bedoelde vereiste van toestemming - uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een “ander feit” dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling. Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan de specialiteitsregel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.

Om uit te maken of het aan de orde zijnde strafbare feit geen “ander feit” is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, leden 3, sub g, en 4, van het kaderbesluit moet worden gevolgd, dient te worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden ‘tijd’ en ‘plaats’ zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, mits zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en indien zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.


Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het geval van de verdachte geen sprake is van een “ander feit” in de zin van het kaderbesluit. Van schending van het specialiteitsbeginsel is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Bewijsoverwegingen.

5.1

Inleiding

Naar aanleiding van restinformatie uit het onderzoek ‘Buidelwolf’, waaruit de verdenking was ontstaan dat meerdere personen uit een Hongaarse familie zich zeer waarschijnlijk bezighielden met (georganiseerde) mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr, is in januari 2013 het onderzoek ‘Apus’ gestart.

Het Apus-onderzoek ziet in totaal op 21 aangeefsters c.q. (door het openbaar ministerie veronderstelde) slachtoffers. Uit dit onderzoek is de verdenking gerezen dat de verdachte zich ten aanzien van verschillende van deze vrouwen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel. Ten slotte bestaat jegens verdachte de verdenking dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van mensenhandel en witwassen.

5.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben, zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende feiten:

  • -

    medeplegen feit 1 in de periode 1 april tot 1 juni 2012 ( [slachtoffer 1] );

  • -

    medeplegen feit 2 ( [slachtoffer 2] );

  • -

    medeplegen feit 5, sub 1, 3 en 4 ( [slachtoffer 5] );

  • -

    medeplegen feit 6 ( [slachtoffer 6] );

  • -

    feit 7, sub 1, 3 en 4 ( [slachtoffer 7] );

  • -

    feit 8, ten aanzien van mensenhandel en witwassen (Criminele organisatie).

Ten aanzien van de volgende feiten hebben de officieren van justitie tot (partiële) vrijspraak gerekwireerd:

  • -

    feit 3 ( [slachtoffer 3] );

  • -

    feit 4 ( [slachtoffer 4] );

  • -

    feit 5, sub 6 en 9 ( [slachtoffer 5] );

  • -

    feit 7, medeplegen ( [slachtoffer 7] );

  • -

    feit 8, ten aanzien van mishandeling en bedreiging (Criminele organisatie).

Bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank, voor zover relevant, weergeven wat de officieren van justitie ter onderbouwing hebben aangevoerd.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, zoals verwoord in een uitgebreide pleitnota, uitvoerig verweer gevoerd ten aanzien van (vrijwel) alle onderdelen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Waar nodig zal de rechtbank op de gevoerde verweren responderen.

5.4

Juridisch kader

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII van voornoemd wetboek, de titel die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van die integriteit en vrijheid. Bij mensenhandel moet altijd uitgegaan worden van de intentie van de dader, niet van die van het slachtoffer.

In het onderzoek Apus is een tiental verdachten naar voren gekomen die allen verdacht worden van mensenhandel binnen de prostitutiebranche, ieder ten aanzien van ten minste een paar dames. Het gaat daarbij steevast om de verdenking van diverse varianten van mensenhandel zoals deze zijn opgenomen in de onderscheidenlijke onderdelen van het eerste lid van artikel 273f Sr. De rechtbank zal hierna eerst kort stilstaan bij het juridisch kader van mensenhandel tegen welke achtergrond zij iedere verdenking heeft bezien. De rechtbank zal daarbij de diverse varianten - voor zover relevant - en de uitgangspunten die de rechtbank daarbij hanteert uiteenzetten en dit stuk afsluiten met enkele algemene overwegingen.

Sub 1

In sub 1 zijn diverse handelingen strafbaar gesteld voor zover deze worden gefaciliteerd door een dwangmiddel en met het oogmerk van uitbuiting worden verricht.

Handelingen

De handelingen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen) hebben elk een neutrale en feitelijk betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.

Dwangmiddelen

De dwangmiddelen - voor zover deze voor de officieren van justitie en/of de verdediging een punt van aandacht zijn geweest tijdens de behandeling ter terechtzitting – zijn dwang, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.

Het begrip ‘dwang’ moet ruim worden uitgelegd en worden bekeken in de hele context waarin de handelingen van de verdachte plaatsvinden. Het slachtoffer zal door aanwending van dwang tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting zijn gebracht, waarin hij, als hij daartoe weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Het slachtoffer moet het dwangmiddel dus hebben opgemerkt en het moet bij hem vrees hebben opgeleverd, anders is er geen sprake van dwang. Daarbij doet het niet ter zake dat de dwang op een ander in het algemeen geen indruk zou maken. Het is subjectief.

Het dwangmiddel ‘misleiding’ heeft op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad feitelijke betekenis1. De rechtbank gaat er bij dit dwangmiddel vanuit dat er doelbewust een foute voorstelling van zaken wordt gegeven, iemand wordt overtuigd van iets dat niet waar is, waardoor iemand iets gaat doen dat hij anders niet zou hebben gedaan. Ook dit dwangmiddel is subjectief.

‘Misbruikdwangmiddelen’

Ook de dwangmiddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ hebben feitelijke betekenis.2 Deze dwangmiddelen, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. Deze misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich wel bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer.3De Hoge Raad heeft daarbij expliciet overwogen dat niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.

Ook behoeft voor het bewijs van het misbruik geen verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte te worden vereist dan tot uitdrukking komt in de termen die in de wet staan (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen). De Hoge Raad overweegt daarbij dat het in het bijzonder niet een zelfstandig vereiste is dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en ook niet dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht. Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de omstandigheid dat een slachtoffer tevoren al op een of meer andere plaatsen in de prostitutie had gewerkt, geen aanwijzing behoeft te zijn voor vrijwilligheid en het ontbreken van een uitbuitingssituatie.4

Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen van een van deze twee misbruikdwangmiddelen dient het feitelijk bewezenverklaarde hieraan invulling te geven. Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat ‘beperkt’ niet inhoudt dat er sprake moet zijn van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was; de beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij prostituees stelt dat hiervan sprake is als zij verkeren of komen te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het criterium ‘de gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ omvat in ieder geval dat zij zelf bepaalt waar, wanneer, met wie, onder welke omstandigheden en tegen welke opbrengsten zij werkt. Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een anders ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Aangenomen kan worden dat de ‘misbruiker’ de ander (het latere slachtoffer) in die positie aantreft zonder dat beiden in een relatie tot elkaar staan. Maar zoals gezegd dit middel kan ook overlappen met het misbruik uit overwicht.

Oogmerk van uitbuiting

Zoals gezegd zijn de handelingen omschreven in sub 1 slechts strafbaar als deze zijn gefaciliteerd door een dwangmiddel én als zij zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Het oogmerk veronderstelt een noodzakelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijk opzet volstaat niet. Ook dit bestanddeel van het wetsartikel heeft feitelijke betekenis en hoeft in de tenlastelegging niet nader te worden omschreven. Het oogmerk van uitbuiting kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld verklaringen. Echter, bij afwezigheid van verklaringen kan het oogmerk van uitbuiting ook veelal worden afgeleid uit de omstandigheden. Het tweede lid van artikel 273 f Sr geeft een niet-limitatieve opsomming van wat de term ‘uitbuiting’ omvat. Voor zover in deze zaak relevant staat daar in ieder geval de uitbuiting van een ander in de prostitutie.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd en is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn: de aard en duur van de werkzaamheden; de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht; het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.5

De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 1 ziet - hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt - in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 1 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken. De rechtbank zal bij de beoordeling van de factoren ook rekening houden met het gegeven of een slachtoffer meer- of minderjarig is.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van het oogmerk tot uitbuiting dat voor de vervulling van de delictsomschrijving het niet nodig is dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk volstaat. Dat een betrokkene na overbrenging naar Nederland niet het beoogde werk heeft verricht, staat aan de invulling van de delictsomschrijving niet in de weg.6

Uitgangspunt voor de rechtbank is in ieder geval dat zodra er sprake is van een dwangmiddel, de eventuele vrijwilligheid van het slachtoffer niet meer ter zake doet. Ook het gegeven dat een slachtoffer op enig moment toch ‘vrij’ was om te stoppen met het prostitutiewerk en zich mitsdien aan de uitbuitingssituatie heeft onttrokken, doet in zijn algemeenheid niet af aan het gegeven dat er (voordien) wel sprake is (geweest) van een dwangmiddel. Immers, aan het ‘laten gaan’ van een prostituee kunnen meerdere redenen ten grondslag liggen, waaronder ook opportunistische redenen, bezien vanuit het oogpunt van de dader. Zo kan ook niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat indien er een mogelijkheid was voor het slachtoffer zich aan de uitbuitingsituatie te onttrekken, maar zij dit desalniettemin niet heeft gedaan, er dan dus geen sprake kan zijn van een uitbuitingssituatie.7

Sub 2

Sub 2 is het equivalent van sub 1, maar dan voor gevallen waarbij het slachtoffer minderjarig is (‘terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’). Het verschil zit hem in het feit dat voor strafbaarheid ten aanzien van minderjarige slachtoffers de in sub 1 genoemde dwangmiddelen niet zijn vereist. Dit onderdeel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Verder is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. Er bestaat een verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd.8

Sub 3

In sub 3 zijn de handelingen ‘aanwerven, medenemen en ontvoeren’ van een ander strafbaar gesteld, indien dit geschiedt met het oogmerk die ander in een ander land (kortom, er is grensoverschrijding nodig) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Gelet op de wettekst zijn anders dan bij sub 1 en sub 4 geen dwangmiddelen nodig. Wel dient uitbuiting als bestanddeel te worden ingelezen. De Hoge Raad heeft namelijk uitgemaakt dat de gedragingen genoemd in sub 3, alleen strafbaar zijn, als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.9

Sub 4

Sub 4 ziet op de daadwerkelijk uitbuiting. De uitbuitingsgedragingen - voor zover in deze zaak relevant - hebben het oog op het doen werken in de prostitutie. Het gaat er hierbij om een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerk of onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling te ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degene die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van subonderdeel 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.10 Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren, etc. terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gelinkt aan het laten werken. Het ‘zich beschikbaar stellen’ is daarbij voldoende, wat betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.

Sub 5

Voor zover in deze zaak relevant, ziet sub 5 op de strafbaarstelling van degene die een minderjarige ertoe beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van een minderjarige enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die minderjarige zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen. Net als in sub 2 zijn ook hier dwangmiddelen niet vereist, is de eventuele instemming van de minderjarige irrelevant en is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd.11 In de jurisprudentie van de Hoge Raad is uitgemaakt dat het slechts verrichten van faciliterende activiteiten voldoende is.12

Sub 6

Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander.13 De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig.

Sub 8

Dit onderdeel betreft de strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een minderjarige (‘terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’) met of voor een derde tegen betaling. Onder bevoordelen kan ook worden verstaan het begunstigen ten nadele van een ander. De opzet dient gericht te zijn op het voordeel trekken en niet op de minderjarigheid. Net als in sub 6 geldt ook hier dat de profijttrekker niet dezelfde hoeft te zijn als degene die een minderjarige ertoe beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

Sub 9

Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met een van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde. Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen. Uitbuiting is hierbij geen vereiste. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin vereist dat daadwerkelijk van bevoordeling sprake is geweest. De tekst van artikel 273f, eerste lid, sub 9 Sr biedt ruimte voor die opvatting. Bovendien komt een dergelijke uitleg tegemoet aan de strekking van de strafbaarstelling van mensenhandel, te weten het belang van behoud van iemands geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Immers, door met een dwangmiddel iemand ertoe te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde is daarmee diens geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid reeds geschonden en naar het oordeel van de rechtbank is daarmee het delict voltooid.

Nadere overwegingen

Prostitutie is in Nederland een zelfstandig en legaal beroep. Een prostituee kan dit werk doen in loondienst waarbij er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen een prostituee en haar werkgever over onder meer het werk en salaris. Deze afspraken worden dan neergelegd in een arbeidsovereenkomst. Een dergelijke arbeidsovereenkomst zal meebrengen dat de prostituee haar verdiende geld niet bij zich houdt (maar loon ontvangt) en dat de werkgever voorwaarden kan stellen aan de manier waarop zij werkt (tijd, plaats, werkkleding), maar anderzijds komt op hem de (zorg)verplichting te rusten om te zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor zijn werknemer. Ook zal een dergelijke arbeidsovereenkomst meebrengen dat de werkgever de vergunning regelt en zorg draagt voor de inhouding van loonbelasting en de afdracht daarvan aan de belastingdienst. Daarnaast is de werkgever ook verantwoordelijk voor het doen van aangiftes omzetbelasting en de voldoening daarvan. De prostituee zal zelf aangifte inkomstenbelasting moeten doen.

De prostituee die als een zelfstandige zonder personeel (ZZP-er) aan de slag gaat kan haar verdiende geld normaal gesproken bij zich houden en geniet meer vrijheden. Zij moet wel meer dingen zelf regelen, zoals een vergunning aanvragen, zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel, een administratie voeren en bewaren en alle belastingzaken (inkomstenbelasting, omzetbelasting).

Zo bieden beide vormen op hun eigen manier een goede basis om op een voldoende rendabele wijze als prostituee te werken.

Tegen die achtergrond is het niet eenvoudig te begrijpen waarom een prostituee een deel van haar verdiensten zonder meer aan een ander zou afstaan. Op het moment dat een ander (dan de hiervoor bedoelde werkgever) geld krijgt van een prostituee opdat zij haar werkzaamheden hier kan verrichten, of omdat zij een deel van haar verdiensten überhaupt moet afstaan, heeft deze ander feitelijk wat uit te leggen. De rechtbank heeft geconstateerd dat geen van de verdachten zich ten aanzien van de vrouwen in het Apus-dossier als werkgever in voormelde zin heeft gedragen. Dit uitgangspunt is een vertrekpunt van waaruit de rechtbank de zaak heeft bekeken.

Voorts staat de rechtbank op voorhand stil bij de vorm van prostitutie die in voorliggende zaak aan de orde is en betrekt daarbij de afkomst van de dames. Alle dames zijn afkomstig uit Hongarije en op een enkeling na waren zij niet eerder in Nederland, laat staan om hier als prostituee te werken. Alle dames (met uitzondering van een minderjarige die er vanwege haar leeftijd niet kon werken) zijn tewerkgesteld - of het is geprobeerd hen te werk te stellen - in de Doubletstraat . In de Doubletstraat in Den Haag vindt raamprostitutie plaats. Deze vorm van prostitutie komt niet in veel landen voor en in ieder geval niet in Hongarije. Het is een zeer indringende manier van prostitutie, waarbij de prostituee zichzelf gedurende een lange aaneengesloten periode (uit het dossier blijkt dat de vrouwen in de regel van
’s ochtends vroeg tot in de nacht werkten) letterlijk tentoon stelt in een etalage. Voor het raam hangen gordijnen, maar deze worden slechts gesloten als de prostituee een klant heeft. De overige tijd is zij continu zichtbaar voor het publiek, dat kan bestaan uit potentiële klanten, maar evengoed uit mensen die slechts ‘een kijkje’ komen nemen. Sommige dames waren er vooraf überhaupt niet op bedacht dat zij onder dergelijke omstandigheden moesten werken. De rechtbank neemt mee dat het werken als prostituee onder die omstandigheden extra belastend is. Immers, ook in de tijd dat een prostituee niet door een klant wordt bezocht, is het werk belastend omdat zij voortdurend in een cabine te kijk staat.

5.5

Betrouwbaarheid verklaringen

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen komt in de eerste plaats belang toe aan de consistentie, nauwkeurigheid of gedetailleerdheid, en volledigheid van die verklaringen. Echter, waar de verklaringen in de onderhavige zaak op deze punten onvolkomenheden bevatten - daarvan zitten verschillende voorbeelden in het dossier - betekent dat niet automatisch dat deze reeds daarom onbetrouwbaar zouden zijn. Dat heeft te maken met de bijzondere aspecten van deze zaak.

Het Apus-onderzoek is een langdurig en omvangrijk onderzoek, met name door het grote aantal getuigen dat door de politie en/of de rechter-commissaris is gehoord. In de periode van januari 2013 tot en met mei 2017 zijn vele getuigen de revue gepasseerd. Een groot aantal van deze getuigen heeft in de loop van die periode meerdere malen een verklaring afgelegd, soms met tussenpozen van jaren, en in verschillende landen. Enkele uitzonderingen daargelaten, hebben met name de aangeefsters c.q. slachtoffers op uiteenlopende tijdstippen uitgebreide verklaringen afgelegd over feiten en omstandigheden die zich reeds jaren geleden zouden hebben voorgedaan. Verschillen tussen eerdere en latere verklaringen zijn dan bijna onvermijdelijk.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de (relatief) jeugdige leeftijd van aangeefsters en het feit dat zij zich ten tijde van de ten laste gelegde feiten in een voor hen vreemd land bevonden.

De rechtbank beseft verder dat de vrouwen bij het afleggen van hun verklaringen bovendien beïnvloed kunnen zijn geweest door wat zij in de tussentijd van andere betrokkenen - of uit derde hand - over het onderzoek hadden gehoord. Zo blijkt uit het dossier dat de vrouwen - evenals de verdachten - vrijwel allemaal uit de relatief kleine gemeenschap van Mohács, of omgeving, afkomstig zijn.

Van belang is voorts dat de vrouwen bij het afleggen van hun verklaringen specifieke vragen hebben moeten beantwoorden over hun (voorgenomen) werk in de prostitutie en hun redenen om dit werk te gaan doen. De rechtbank realiseert zich dat bij deze onderwerpen ‘schaamte’ een relevante rol kan spelen (dat verschillende vrouwen zich schaamden voor hun werk in de prostitutie blijkt ook uit meerdere verklaringen uit het dossier). Zo kan het zijn dat de vrouwen uit schaamte over sommige zaken niet hebben verklaard, of dat zij juist op een bepaalde wijze hebben verklaard om hun eigen ‘verantwoordelijkheid’ zo klein als mogelijk te maken; ook kan het zijn dat zij bepaalde verklaringen hebben afgelegd, domweg ‘om van de zaak af te zijn’.

Voorts realiseert de rechtbank zich dat de vrouwen die aangifte hebben gedaan, een financieel motief kunnen hebben gehad en dat dit in de voorkomende gevallen de voornaamste reden kan zijn geweest om aangifte te doen, of om op een bepaalde wijze te verklaren. Ook ‘wraak’ zou een relevant motief kunnen zijn.

Ten slotte heeft de rechtbank geconstateerd dat de verhorende verbalisanten de vrouwen in sommige gevallen op indringende wijze hebben gewezen op hun positie van slachtoffer van mensenhandel en op de mogelijkheid om aangifte te doen, vanuit de vooronderstelling dat de verdachten hiervoor verantwoordelijk waren.

Deze factoren bieden naar het oordeel van de rechtbank een mogelijke verklaring voor de omstandigheid dat verschillende verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers weliswaar onvolkomenheden bevatten, maar tegelijk onderdelen die - onmiskenbaar - overeenkomstig de waarheid zijn.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers die onvolkomenheden bevatten niet om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten; de desbetreffende verweren worden dan ook verworpen. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters c.q. slachtoffers zeer behoedzaam moeten worden benaderd, en dat zij slechts kunnen worden gebruikt waar ze voldoende verankering vinden in andere bewijsmiddelen.

5.6

Vrijspraak van feit 3 en 4

Feit 3 (ZD [slachtoffer 3] ) en 4 (ZD [slachtoffer 4] )

De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal de verdachte dan ook van deze feiten vrijspreken.

5.7

Overige zaaksdossiers mensenhandel 14

5.7.1

Feit 2 (ZD [slachtoffer 2] )

De verklaringen van [slachtoffer 2] 15

[slachtoffer 2] heeft op 16 mei 2014 als getuige binnen het Belgische onderzoek Galaton een verklaring afgelegd, is vervolgens op 12 juli 2014 nader gehoord in Hongarije en heeft daarnaast op 25 mei 2016 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.

[slachtoffer 2] is in 2010 voor het eerst in aanraking gekomen met de prostitutie. Haar toenmalige vriend [betrokkene 1] vertelde haar dat hij een mogelijkheid wist om goed te verdienen. Dit ging om prostitutiewerk. Hij heeft haar voorgesteld aan [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij is naar hun woning in Hongarije gegaan en daar werden afspraken gemaakt over haar verdiensten. [slachtoffer 2] zou 50 euro per dag afdragen aan [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij kreeg te horen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in Nederland waren en dat [medeverdachte 3] ook in de prostitutie werkte. Zij is eind november 2010 met de bus vanuit Boedapest samen met [betrokkene 1] naar Nederland gegaan. In Nederland zijn ze opgehaald door [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] en zijn ze naar de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan de [straat 1] te Den Haag gegaan. Daar woonden [betrokkene 2] en zijn vrouw [betrokkene 3] ook. De volgende dag is zij samen met [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] naar de 25-Euro straat, de Doubletstraat , te Den Haag gegaan. [medeverdachte 3] en [betrokkene 3] hadden al een kamer voor haar geregeld en hebben haar toen alles uitgelegd, over wat zij moest doen en hoe dat moest gebeuren, omdat zij nog niet eerder in de prostitutie had gewerkt.

[slachtoffer 2] heeft tot aan de kerst iedere dag van half 11 ’s morgens tot 12 uur ’s avonds gewerkt en heeft per dag 50 euro bewaard voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . Zij moest meebetalen aan het eten en gezamenlijke kosten, en ook haar eigen busticket betalen. [betrokkene 1] leefde ook van haar geld. [medeverdachte 2] en de anderen namen het geld dat zij verdiend had voor de [familienaam] mee toen zij rond kerst naar Hongarije gingen. [slachtoffer 2] is

23 of 24 december 2010 terug gegaan naar Hongarije.

In Hongarije heeft zij verteld dat zij op deze manier niet meer wilde werken, omdat zo al haar geld naar [betrokkene 1] ging en zij niets overhield. [medeverdachte 1] en [verdachte] wilden haar wel helpen. [betrokkene 1] hoefde niet meer mee. Zij zou met [medeverdachte 1] meegaan, alleen zou zij dan niet meer 50 euro, maar de helft van haar verdiensten afdragen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij altijd werd geconfronteerd met de feiten, ze vroegen haar niet of zij wel of niet iets wilde. [slachtoffer 2] is in januari 2011 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] naar Duitsland gegaan om daar in een saunabar te werken als prostituee. Omdat [slachtoffer 2] veel klanten had en maar maximaal 200 euro kon verdienen, realiseerden [medeverdachte 1] en [verdachte] zich dat zij ergens anders veel meer geld konden verdienen. Zij hebben toen besloten dat ze weer naar Nederland zouden gaan. Niemand heeft [slachtoffer 2] iets gevraagd, het werd haar gezegd. Eind maart 2011 zijn ze naar Nederland gegaan. Ze verbleven eerst bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , maar zijn vervolgens aan de [straat 3] gaan wonen. [slachtoffer 2] moest een hele week werken om daar geld voor te sparen.

[slachtoffer 2] verdiende elke dag ongeveer 700 à 800 euro, buiten de huur van haar werkkamer. Zij moest ook werken als zij ziek was. Met Pasen 2011 wilde [slachtoffer 2] naar Hongarije, maar dit mocht niet omdat er dan een te groot inkomstenverlies zou zijn. Vervolgens werd zij vier dagen ziek maar moest zij alsnog 350 euro per dag aan hen betalen, omdat dit de helft was van wat zij gebruikelijkerwijs verdiende. Zij is nooit fysiek mishandeld, maar werd wel geestelijk helemaal afhankelijk van hen. Zij was de “kip met het gouden ei”. Zij zag hen als haar ouders en daar hebben ze misbruik van gemaakt.

In augustus 2011 is [slachtoffer 2] naar huis gegaan. Zij is daar een maand gebleven en is daarna in september 2011 weer naar Den Haag gegaan om te werken. Op de vraag waarom zij toch weer terug is gegaan naar Nederland, heeft [slachtoffer 2] geantwoord dat zij het gevoel had dat [medeverdachte 1] en [verdachte] haar familie waren en dat het dan natuurlijk is om terug te gaan. Ze gedroegen zich als surrogaatvader en -moeder. [slachtoffer 2] noemde hen papa en mama. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heel beïnvloedbaar was, omdat zij 18 jaar was en uit een gebroken gezin kwam. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben misbruik gemaakt van haar behoefte aan liefde. Ze hebben haar doen geloven dat ze van haar hielden als hun kind. Zolang zij goed verdiende, hoefden ze haar niet uit te schelden. Ze leefden goed van haar. Zolang [slachtoffer 2] deed wat [medeverdachte 1] en [verdachte] wilden, waren er geen klachten. Er ontstonden conflicten, zodra [slachtoffer 2] haar eigen wil wilde doorzetten.

Op een dag had zij 725 euro verdiend en omdat zij moe was, is zij een uurtje eerder naar huis gegaan. Zij werd toen helemaal uitgescholden omdat zij te weinig had verdiend. Zij heeft toen gezegd dat zij er helemaal klaar mee was en dat zij naar huis zou gaan. [verdachte] zei toen tegen haar dat zij niet moest vergeten dat zij uit dezelfde stad kwamen en dat als zij naar de politie zou gaan zij rekening moest houden met de gevolgen. [verdachte] zei dat zij alleen weg kon als ze 4000 euro zou geven. [slachtoffer 2] heeft dat bedrag gegeven en is eind november 2011 met [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Hongarije gegaan. Daar werd zij constant in de gaten gehouden door de familie [familienaam] . Zij waren bang haar kwijt te raken omdat zij hun “kip met gouden eieren” was. Na enige tijd was alles weer tot rust gekomen en zeiden [medeverdachte 1] en [verdachte] dat zij haar 4.000 euro terug zou krijgen als zij weer zou komen werken.

In januari 2012 is ze weer met hen terug gegaan naar Nederland, maar de 4.000 euro heeft zij nooit terug gezien. Tijdens deze reis gingen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ook mee. De avond voor vertrek uit Hongarije sliepen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] bij [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden naar [slachtoffer 2] verwezen door te zeggen “Kijk hoe fijn het is om dit te doen”. [slachtoffer 2] leefde best goed van het geld dat zij voor zichzelf kon houden en was dus een goed voorbeeld.

In maart 2012 is zij weer naar Hongarije gegaan en zij is daar gebleven tot eind mei, begin juni 2012. In de tussentijd waren [medeverdachte 1] en [verdachte] met een ander meisjes naar Nederland gegaan. In mei 2012 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] haar weer benaderd en hebben zij haar overgehaald om mee terug te gaan naar Nederland. Ze zeiden dat het anders zou gaan en haar niet zouden afvallen als zij minder zou verdienen. Zij ging met hen mee naar Nederland en heeft weer geld aan [medeverdachte 1] en [verdachte] afgestaan. Na mei 2012 is [slachtoffer 2] nog een keer met [medeverdachte 1] en [verdachte] terug gegaan naar Hongarije. Dit was voor een bruiloft van een vriendin van [slachtoffer 2] in juni 2012.

[slachtoffer 2] heeft op fifty-fifty basis gewerkt voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . Van haar vijftig procent van de inkomsten moest de kamerhuur nog af en zij moest de woning en alle andere dingen nog betalen. Ze moest 750 euro per dag verdienen en werd gebeld door [medeverdachte 1] en [verdachte] met de vraag hoeveel zij verdiend had. Zij moest van hen ook een auto van 4.000 euro kopen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat andere meisjes qua verdiensten met haar werden vergeleken, zij voelde zich een wedstrijdpaard. Medio september 2012 is [slachtoffer 2] uiteindelijk met behulp van een vriendin, Falusi, bij [medeverdachte 1] en [verdachte] weggegaan.

Getuigen

[slachtoffer 6] heeft op 5 april 2016 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat zij haar vergeleken met [slachtoffer 2] , door te zeggen “Kijk wat [slachtoffer 2] verdiend heeft”. Zij heeft ook verklaard dat [slachtoffer 2] haar geld aan [verdachte] heeft gegeven. Zij hoorde dat tegen [slachtoffer 2] werd gezegd dat zij het ook zonder condooms moest doen om zo meer geld te verdienen. Over de wijze waarop de [familienaam] met [slachtoffer 2] omgingen verklaarde [slachtoffer 6] : “ze gingen echt op een hele lelijke manier met [slachtoffer 2] om”. “ [slachtoffer 2] was heel bang voor hen. Dat zag ik aan haar. Als zij tegen haar begonnen te gillen, dan kroop ze in elkaar.”.16

[betrokkene 4] heeft verklaard17 dat hij een gesprek tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] had gehoord, waarin door [medeverdachte 1] werd gezegd dat alles voor de helft gedeeld werd. Ook heeft [betrokkene 4] een paar keer meegekregen dat de [familienaam] ontevreden waren over [slachtoffer 2] ; zij hebben toen tegen haar gezegd dat zij nog meer bij elkaar moest sprokkelen.

Overige bevindingen

Op 6 januari 2012 vond er een gerechtelijke ontruiming plaats van de woning aan de [straat 3] in Den Haag. Uit een mutatie blijkt dat op dat moment [slachtoffer 2] , [alias verdachte] ( [verdachte] ), [medeverdachte 1] , [alias slachtoffer 6] (dat is [slachtoffer 6] ) en [slachtoffer 5] aanwezig waren.18

Op 2 maart 2012 is [slachtoffer 2] op de [straat 3] in een auto gecontroleerd in het bijzijn van [medeverdachte 1] en [alias verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] ). De auto kwam uit de nabijheid van het prostitutiegebied Hunsestraat/Geleenstraat. [slachtoffer 2] verklaarde dat zij werkzaam was in de Doubletstraat [huisnummer] en dat [alias verdachte] haar tante is. [slachtoffer 2] heeft als adres opgegeven [adres 2] . Zij zouden daar alledrie verblijven.19

Uit de bij Kamerverhuurbedrijf [bedrijf] opgevraagde en ontvangen huuradministratie met betrekking tot [slachtoffer 2] blijkt dat zij werkruimte heeft gehuurd in de Doubletstraat in de volgende periodes: drie dagen eind maart 2011, 7 januari 2012 tot en met 29 februari 2012, 24 mei 2012 tot en met 16 juli 2012, 15 augustus 2012 tot en met 5 oktober 2012, 19 november 2012 tot en met 18 december 2012 en 12 januari 2013 tot en met 6 februari 2013. Hierbij heeft [slachtoffer 2] als adres [straat 3] te Den Haag en vanaf 28 juni 2012 [adres 3] opgegeven.20

De verklaringen van [medeverdachte 1] 21

[medeverdachte 1] heeft op 20 mei 2015 bij de politie, op 16 december 2015 bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 1 en 2 februari 2018 als getuige verklaringen afgelegd met betrekking tot [slachtoffer 2] .

[medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 2] in december 2010 leren kennen via [betrokkene 1] . [betrokkene 1] wilde geld van hem lenen. [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] zijn met de bus naar [medeverdachte 2] in Nederland gegaan. Hij heeft achteraf vernomen dat [slachtoffer 2] toen in de prostitutie heeft gewerkt. Een paar weken later kwam [betrokkene 1] weer naar Mohács en betaalde hem het geleende geld terug.

[slachtoffer 2] kwam een paar dagen later en zij zei dat zij klaar was met [betrokkene 1] . Ze hadden ruzie gekregen. [slachtoffer 2] vertelde dat zij voor haarzelf in de prostitutie wilde gaan werken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de financiële situatie van [slachtoffer 2] niet goed was, ze had geen goede relatie met haar moeder en haar ouders waren gescheiden. Zij vroeg hem of hij haar kon helpen met werk. [slachtoffer 2] vertelde dat zij had gehoord dat [medeverdachte 4] in Duitsland was. [slachtoffer 2] wilde daar gaan werken. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer 2] met de auto naar Duitsland gebracht. [medeverdachte 4] reed ook mee. [slachtoffer 2] heeft daar gewerkt in een saunabar. [medeverdachte 1] is na een paar dagen terug gegaan naar Hongarije, omdat hij geen werk kon vinden.

Toen hij weer in Hongarije was, wilden [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Nederland gaan om werk te vinden. In de tussentijd had [slachtoffer 2] een relatie gekregen met [betrokkene 4] . Zij heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd dat zij graag naar Nederland wilde gaan, onder de voorwaarde dat [medeverdachte 1] mee zou komen, zodat zij in Nederland nergens problemen mee zou krijgen. [slachtoffer 2] had voorgesteld om 70 euro per dag aan [medeverdachte 1] te betalen en dat heeft hij geaccepteerd. Hij is samen met [verdachte] en [betrokkene 4] met de auto naar Duitsland gereden en ze hebben daar [slachtoffer 2] opgehaald. Daarna reden ze naar Nederland.

Ze gingen naar Den Haag naar de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ze besloten samen met [slachtoffer 2] en [betrokkene 4] een woning te zoeken en gingen met zijn vieren wonen aan de Rijkswijkseweg 602 in Den Haag. Dat was in maart 2011. [slachtoffer 2] is in de prostitutie gaan werken. [medeverdachte 1] wilde in Nederland ook werk vinden, maar dit is niet gelukt. [medeverdachte 1] en [verdachte] wilden toen terug gaan naar Hongarije. [slachtoffer 2] heeft toen aangeboden om vijftig procent van haar inkomsten af te staan, omdat zij het prettig vond dat zij [medeverdachte 1] en [verdachte] om haar heen had. Zij vond het prettig dat er een familiegevoel was als zij thuiskwam en dat de woning schoon was. Daarnaast zorgde [medeverdachte 1] met zijn aanwezigheid voor bescherming, zodat anderen niets met haar konden beginnen. Nadat [medeverdachte 1] de afspraak van vijftig procent had geaccepteerd, konden hij en [verdachte] in Nederland blijven en wist [verdachte] ook van de afspraak.

[betrokkene 4] kreeg ruzie met [slachtoffer 2] en ging na ongeveer anderhalve maand of twee maanden weg. Tot ongeveer januari 2012 zijn ze met zijn drieën aan de [straat 3] blijven wonen. Soms sliepen er wel mensen: familie van [verdachte] zoals [medeverdachte 5] en vriendinnen van [slachtoffer 2] . Er sliepen ook weleens andere meisjes bij hen, bijvoorbeeld [naam 1] . Daarna gingen ze naar een andere adres.

[slachtoffer 2] heeft niet voor [medeverdachte 1] en [verdachte] gewerkt. Hij en [verdachte] hebben alleen met [slachtoffer 2] samengewoond. [slachtoffer 2] voelde zich thuis bij hen en zij zijn op haar verzoek bij haar gebleven. [verdachte] kookte en [verdachte] en hij betaalden de boodschappen. In het begin betaalden [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] de huur samen, na de fifty-fifty afspraak betaalden [verdachte] en [medeverdachte 1] de huur met de vijftig procent van de verdiensten van [slachtoffer 2] . Zelf hadden [medeverdachte 1] en [verdachte] in het begin nog spaargeld, maar later hadden zij geen andere inkomsten. Zij konden geen werk vinden. [slachtoffer 2] heeft de auto van [medeverdachte 1] gekocht voor 4000 euro.

Tot april 2012 hebben ze aan de [straat 3] gewoond. Daarna verhuisden ze naar het [adres 3] in Nootdorp. Daar woonden zij samen met een Hongaar die daar al woonde. Hij kreeg nog steeds de vijftig procent van [slachtoffer 2] . In mei 2012 is het contact tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] opgehouden. Hij weet niet wat de reden daarvoor was. [slachtoffer 2] kwam niet meer thuis en toen zijn [verdachte] en hij weer terug gegaan naar Mohacs. Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] niet op het [adres 3] heeft gewoond.

Conclusie

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] in twee periodes voor [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft gewerkt, in de zin dat zij een deel van haar verdiensten aan hen heeft afgedragen. Zo heeft zij in de periode november-december 2010 50 euro per dag aan de [familienaam] afgedragen en in de periode maart-oktober 2012 de helft van haar verdiensten. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt op deze punten voldoende verankering in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat de inkomsten van [slachtoffer 2] gedeeld werden. Volgens de verklaring van [slachtoffer 2] moeten uit haar verdiensten forse bedragen aan de [familienaam] zijn toegekomen en dat strookt ermee dat de [familienaam] , van wie niet is gebleken dat zij inkomsten uit eigen werk hadden, wel een woning in Nederland huurden, een auto reden (etc.). En ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er sprake was van een afspraak op grond waarvan de helft van de verdiensten van [slachtoffer 2] aan hem toe zou komen (al verklaart hij anders over de aanleiding van deze afspraak).22 Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat die afspraak heeft bestaan. Hieruit leidt de rechtbank bovendien af dat het de praktijk was dat de [familienaam] aan de prostitutie van [slachtoffer 2] verdienden en dat dit de reden was waarom zij bij hen verbleef. Dit biedt verankering voor het onderdeel van de verklaring van [slachtoffer 2] , waar zij verklaart over de financiële afspraken (50 euro per dag) vóór de periode waarin zij de helft van haar inkomsten afdroeg. Het valt niet in te zien waarom [slachtoffer 2] steeds bij de [familienaam] zou hebben verbleven als zij niet aan haar verdienden; dit was kennelijk de basis van hun verhouding. De verklaringen van [verdachte] , die er in de kern op neerkomen dat zij van niets wist, acht de rechtbank op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet geloofwaardig.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] nog jong was toen zij aan de [familienaam] werd voorgesteld. Bovendien kwam zij uit een gebroken gezin, had zij geen (goede) relatie met haar ouders en verkeerde bovendien in financiële problemen. [medeverdachte 1] heeft verklaard van deze omstandigheden op de hoogte te zijn geweest. [verdachte] moet eveneens van die omstandigheden op de hoogte zijn geweest, in ieder geval vanaf het moment dat [slachtoffer 2] van [betrokkene 1] afwilde en [verdachte] zich (steeds meer) ging opstellen als ‘surrogaatouder’ van [slachtoffer 2] . Indien [slachtoffer 2] ‘echte’ ouders zou hebben gehad, was de rol van surrogaatouder immers niet mogelijk geweest. Ook overigens moet [verdachte] vanaf dat moment van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte zijn geweest: [verdachte] ging vanaf dat moment immers steeds intensiever met [slachtoffer 2] om, en ook haar man (met wie [verdachte] de afspraken met [slachtoffer 2] maakte) was van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte. Het tegendeel (dat [verdachte] in al die tijd van toeten noch blazen zou hebben geweten) zou betekenen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] nooit met elkaar hebben gesproken over de achtergrond van een voor hen kennelijk uitermate belangrijke persoon. Dit is volstrekt ongeloofwaardig.

Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hun overwicht (als ‘surrogaatouders’) en de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] hebben aangegrepen om te leven van haar verdiensten als prostituee. In dit verband hebben zij met [slachtoffer 2] aanvankelijk afgesproken dat zij 50 euro per dag aan hen zou betalen, en later de helft van haar inkomsten. In beide gevallen komen de afspraken erop neer dat [slachtoffer 2] een deel van haar inkomsten afstond, zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover stond.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] door middel van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 2] hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen en aangeworven om [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 2] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken (sub 6) uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 8] en dat zij haar heeft bewogen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 2 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [verdachte] heeft deze feiten vanaf 1 januari 2011 gepleegd (pas in die periode was zij van de omstandigheden van [slachtoffer 2] op de hoogte), en wel als medepleger samen met [medeverdachte 1] .

5.7.2

Feit 1 ( [slachtoffer 1] )

De verklaringen van [slachtoffer 1]

Op 3 september 2014 en 29 oktober 2015 heeft [slachtoffer 1] in Bolton (Engeland) verklaringen afgelegd. Daarnaast heeft zij op 23 januari 2017 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.23

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij in Hongarije in een moeilijke situatie leefde, de situatie was hopeloos. Zij woonde samen met haar moeder en met vier kinderen (waarvan drie van haar zus) in één kamer waar geen verwarming was. Zij leerde [betrokkene 4] Kender kennen die drugs gebruikte en heeft toen ook drugs gebruikt. Ze hebben toen op een gegeven moment gesproken met een vriend van [betrokkene 4] , [medeverdachte 1] . [slachtoffer 1] kende [medeverdachte 1] al van jongs af aan, ze woonden allebei in Mohács. Zij kende zijn vrouw [verdachte] ook al lang.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben haar verteld dat ze een meisje hadden. Ze hebben haar verteld dat je in Nederland heel veel geld kan verdienen. [slachtoffer 1] is meerdere keren bij hen geweest. Ze lieten zien hoeveel je hiermee kon verdienen. Het meisje had een auto gekocht, dus zoveel geld kon je daarmee verdienen. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben gezegd wat je in Nederland kon doen. [medeverdachte 1] wist dat [slachtoffer 1] en haar familie geen geld had. Ze konden thuis niet eens de kachel stoken. [medeverdachte 1] vertelde dat het goed zou zijn om te werken en zo haar financiële problemen op te lossen. [medeverdachte 1] vertelde dat hij de reis, het werk en een huis kon regelen. De kosten zou [slachtoffer 1] dan later terug betalen Zij is toen akkoord gegaan om dat werk te doen. Vooral omdat [medeverdachte 1] haar vertelde dat hij op haar zou passen en als zij wilde stoppen dit ook gebeurde. Ze zouden ieder weekend naar huis gaan. [medeverdachte 1] vertelde haar dat hij op haar zou passen alsof zij een dochter van hem was. [slachtoffer 1] zou vijftig procent mogen houden. De andere vijftig procent zou [medeverdachte 1] krijgen voor eten, huur, kamer en de woning. Zij sprak wel altijd met [medeverdachte 1] , maar het was ook een afspraak met [verdachte] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om naar Nederland te komen. [slachtoffer 1] wist eigenlijk niets over werken in de prostitutie in Nederland.

[slachtoffer 1] is samen met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 4] met de auto naar Nederland gegaan. Ze gingen daar naar de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] had haar verteld dat er voor haar een ander meisje in de woning had gewoond, zij heette [slachtoffer 2] . De dag na de aankomst in Nederland heeft zij een werkkamer gehuurd. Zij kreeg instructies van [medeverdachte 1] en [verdachte] over de kamerhuur. De eerste drie dagen was de situatie niet zo slecht. Daarna begon de druk op haar en werd zij belast met extra kosten. Er werd een schuld berekend van 5000 euro. Zij moest al haar geld afgeven. [slachtoffer 1] heeft geen geld gezien, omdat haar werd gezegd dat zij en [betrokkene 4] geld verschuldigd waren vanwege de reis en de huisvesting. [medeverdachte 1] vergeleek [slachtoffer 1] ook met anderen qua verdiensten. Het leek wel of hij met zijn zwager [alias betrokkene 5] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 8] ) een wedstrijd deed wie het meeste verdiende. De omslag in het gedrag van [medeverdachte 1] en [verdachte] vond vooral plaats op het moment dat [betrokkene 4] was vertrokken. [betrokkene 4] is weggestuurd als gevolg van een ruzie met [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] werkte als prostituee en moest tijdens het werken steeds bellen over haar verdiensten. Zij had van [medeverdachte 1] en [verdachte] een prepaid telefoon gekregen. [slachtoffer 1] kreeg iedere dag instructies. De zus van [verdachte] genaamd [alias medeverdachte 4] of [alias medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 4] ) stond tegenover of achter haar te werken en hield haar in de gaten. Men wist wanneer zij niet werkte. Zij werd overal in de gaten gehouden, op het werk en thuis.

Ze vertelden haar hoe lang zij de kamer moest huren. Zij werkte telkens 16 uur per dag. [slachtoffer 1] vertrok vroeg in de ochtend en het was al donker als zij naar huis kon. Zij werd elke ochtend wakker gemaakt door [verdachte] en moest zich dan haasten om de tram te halen.

[slachtoffer 1] mocht niet te lang douchen, zodat zij zo lang mogelijk kon slapen en de volgende ochtend weer kon gaan werken en geld voor hen kon verdienen.

Er waren dagen dat zij 600 euro moest verdienen en er waren ook dagen dat zij 800 euro moest verdienen. Dat was afhankelijk van of het een doordeweekse dag of het weekend betrof en afhankelijk van hoeveel klanten konden worden verwacht. Daarbij moest zij ook handelingen verrichten die zij niet wilde doen. Ze vertelden dat zij met een bedrag van minder dan die 600 of 800 euro niet thuis hoefde te komen. Als zij dit niet had verdiend, schreeuwden ze tegen haar. [slachtoffer 1] werkte ook als zij menstrueerde. Ze kochten een roze spons en [verdachte] vertelde dat zij op haar werk moest vragen hoe het werkte. [medeverdachte 1] vertelde dat zij het niet moest wagen om te vluchten, omdat haar moeder en kind dan in de problemen zouden komen. Zij kon niet naar Hongarije gaan. Zij nam de bedreigingen serieus. Van de beloften is niets terecht gekomen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden geen werk in Nederland.

Uiteindelijk heeft zij de beslissing genomen om weg te gaan. Zij kon er niet meer tegen. De situatie werd steeds grover. Zij was wel bang dat er iets met haar familie zou gebeuren. [slachtoffer 1] had tijdens het werken een Irakese man leren kennen. Zij is uiteindelijk naar hem gevlucht en naar Engeland vertrokken. Zij heeft ongeveer drie weken tot een maand voor [medeverdachte 1] en [verdachte] gewerkt.

[slachtoffer 1] heeft de woning aan de [straat 3] in Den Haag herkend als het adres waar zij heeft gewoond.

Getuigen

[betrokkene 4] heeft op 23 november 2016 als getuige bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] werk voor [slachtoffer 1] had geregeld en dat hij [medeverdachte 1] daarvoor benaderd had. [verdachte] was ook bij dat gesprek in Hongarije aanwezig. Er is toen besproken dat zij met [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Nederland konden reizen en een kamer in hun woning zouden krijgen. [medeverdachte 1] en [verdachte] zouden hen helpen tot [betrokkene 4] ook een baan zou hebben. [verdachte] was in Den Haag aanwezig. Zij zijn met zijn vieren naar Den Haag gereisd. [slachtoffer 1] vertrok in de ochtend en zij kwam in de avond thuis. [betrokkene 4] heeft [slachtoffer 1] gevraagd waarom zij nog geen contract had en geen geld kreeg. Hij had het gevoel dat [slachtoffer 1] daarover loog.24

[getuige 1] heeft op 15 januari 2015 bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] naar hem was gevlucht en dat het geld voor het ticket naar Engeland door de zus van [slachtoffer 1] is betaald.25

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in maart 2012 naar Hongarije is gegaan en dat zij daar is gebleven tot eind mei, begin juni 2012. In de tussentijd waren [medeverdachte 1] en [verdachte] met een ander meisje naar Nederland gegaan. In mei 2012 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] haar weer benaderd en hebben zij haar overgehaald om mee terug te gaan naar Nederland.26

Overige bevindingen

Op 15 april 2012 hebben gecertificeerde mensenhandel rechercheurs in de Doubletstraat in Den Haag tijdens een controle gesproken met [slachtoffer 1] . De rechercheurs zagen in de telefoon van [slachtoffer 1] dat zij 20 keer gebeld was door een contactpersoon genaamd [verdachte] . [slachtoffer 1] vertelde dat dit [verdachte] moest zijn, dat zij een vrouw is, haar man heet [medeverdachte 1] . Ze woonden ergens op de [straat 3] .27

Uit de bij Kamerverhuurbedrijf [bedrijf] opgevraagde en ontvangen huuradministratie met betrekking tot [slachtoffer 1] blijkt dat zij werkruimte heeft gehuurd in de Doubletstraat van 14 april 2012 tot en met 5 mei 2012. Hierbij gaf zij als adres [straat 3] op.28

De verklaringen van [medeverdachte 1]

heeft op 12 april 2015 bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet in Nederland heeft gezien, dat hij [betrokkene 4] al heel lang kent en dat [slachtoffer 1] niet met hem, [verdachte] en [betrokkene 4] naar Nederland is gekomen.

Ter terechtzitting van 1 februari 2018 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij naar Nederland wilde gaan om zijn spullen uit de woning aan de [straat 3] te halen. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij en [slachtoffer 1] mee konden gaan. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij hen kon helpen met het vinden van een woning, zodat zij in Nederland konden blijven. Zij zijn met zijn drieën naar Nederland gereden. Zij verbleven samen in de woning aan de [straat 3] . [medeverdachte 1] wist niet wat voor werk [slachtoffer 1] in Nederland zou doen. [medeverdachte 1] is ongeveer vier dagen gebleven en is toen weer terug gegaan naar Hongarije. [verdachte] was niet mee.29

Conclusie

De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden voldoende verankering in overige bewijsmiddelen. Zij heeft verklaard dat zij door een idee van [betrokkene 4] Kender met [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft gesproken over het werken als prostituee in Nederland. Dit wordt door de verklaring van [betrokkene 4] bevestigd. Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat de [familienaam] zeiden dat zij op dat moment al een meisje ‘hadden’, ene ‘ [slachtoffer 2] ’, die bij hen had gewoond. Dit strookt met hetgeen hiervoor in zaaksdossier [slachtoffer 2] is vastgesteld en met de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij in maart 2012 naar Hongarije is gegaan en daar tot eind mei, begin juni 2012 was gebleven, en dat in de tussentijd de [familienaam] met een ander meisje naar Nederland waren gegaan (dit moet [slachtoffer 1] zijn geweest). Uit [slachtoffer 1] ’ verklaring volgt verder dat zij, eenmaal werkend in de prostitutie in Nederland, de helft van haar verdiensten zou moeten afstaan aan de [familienaam] . Uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] al haar geld afgedragen; zo zou er volgens de [familienaam] een schuld zijn ontstaan van 5.000 euro. Dit wordt ondersteund door de verklaring van Kender, waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] wel werkte maar geen geld kreeg. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij de [familienaam] steeds over haar verdiensten moest informeren. Dit wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van de controle op 15 april 2012; tijdens die controle is geconstateerd dat [slachtoffer 1] een telefoon bij zich had, die 20 keer was gebeld door een contactpersoon ‘ [verdachte] ’, over wie [slachtoffer 1] direct verklaarde dat dit ‘ [verdachte] ’ moest zijn, wier man ‘ [medeverdachte 1] ’ heet. Dit ondersteunt tegelijkertijd de verklaring van [slachtoffer 1] waarin zij verklaart dat er druk op haar werd uitgeoefend. [slachtoffer 1] heeft ten slotte verklaard dat zij er op enig moment niet meer tegen kon en toen naar een Irakese man ( [getuige 1] ) is gevlucht. Dit wordt door getuige [getuige 1] bevestigd.

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [slachtoffer 1] , een jonge Hongaarse vrouw, naar een voor haar onbekend land hebben gebracht om haar daar - onder voor haar kennelijk verder onbekende omstandigheden - in de prostitutie te laten werken. Dat [slachtoffer 1] zich door deze omstandigheden in een afhankelijke situatie bevond, blijkt wel uit de omstandigheid dat zij zich kennelijk slechts van de [familienaam] kon losmaken door naar een klant, [getuige 1] , te vluchten.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben bovendien de nodige druk op [slachtoffer 1] uitgeoefend: zij werd steeds door hen gebeld met de vraag hoeveel zij had verdiend. Ondertussen gaf [slachtoffer 1] al haar verdiensten aan de [familienaam] af - waardoor haar afhankelijke positie werd versterkt - en heeft daarvan niets teruggezien. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben niets gedaan dat het ontvangen van die verdiensten zou kunnen rechtvaardigen.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] door middel van dwang, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 1] hebben gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen om [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 1] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken (sub 6) uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] en dat zij haar hebben bewogen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 1 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben dit feit tezamen en in vereniging gepleegd.

5.7.3

Feit 5 (ZD [slachtoffer 5] ) en feit 6 (ZD [slachtoffer 6] )

Inleiding

Op 9 januari 2011 troffen verbalisanten naar aanleiding van een melding twee Hongaarse meisjes aan, die verklaarden dat zij gedwongen waren in de prostitutie te werken en dat zij waren ontsnapt uit een woning. De meisjes waren [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] .30

Aangezien het vermoeden bestond dat beide meisjes slachtoffer waren van mensenhandel werden zij overgedragen aan de Unit Commerciële Zeden van de politie Haaglanden. Door personeel van de Unit Commerciële Zeden werd op 9 januari 2011 afzonderlijk met beide meisjes een zogenaamd intakegesprek gehouden.

[slachtoffer 5] is op 2 september 2014 in Bolton (Engeland) gehoord. Zij bleef bij haar verklaring die zij op 9 januari 2011 tijdens het intakegesprek heeft gegeven.

Nadat [slachtoffer 4] op 5 maart 2015 in Mohács (Hongarije) had verklaard dat zij niet met [slachtoffer 5] naar Nederland was gekomen en dat zij hun eerdere verklaringen onderling hadden afgestemd, is [slachtoffer 5] nogmaals gehoord.

[slachtoffer 5] heeft op 28 oktober 2015 in Bolton (Engeland) opnieuw een verklaring afgelegd. Zij heeft toen bevestigd dat zij haar eerdere verklaring met [slachtoffer 4] had afgesproken en dat zij niet samen met haar naar Nederland was gekomen. [slachtoffer 5] heeft daarnaast op 16 mei 2017 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Hierin heeft zij haar laatste verklaring bevestigd.

De verklaringen van [slachtoffer 5] 31

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij en haar partner, nadat zij haar zoontje had gekregen, weinig geld hadden en dat zij toen alleen met haar zoontje naar haar moeder in Mohács is verhuisd. Haar moeder zei tegen haar dat zij naar de broer van haar moeder moest gaan om geld te vragen of om werk voor haar te zoeken. Dat is [medeverdachte 1] . Toen zij daar was, waren ook zijn vrouw [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en [slachtoffer 2] aanwezig. Daar hebben zij gesproken over de armoede en haar slechte financiële omstandigheden. [medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden haar dat zij naar [slachtoffer 2] moest kijken, zij droeg goud. Ze zeiden dat [slachtoffer 5] dat ook kon verdienen. Ze vertelden dat [slachtoffer 5] in Nederland in de prostitutie zou werken. [slachtoffer 5] heeft met [slachtoffer 2] gesproken over het werk. [slachtoffer 2] vertelde haar dat je in Nederland goed geld kon verdienen. Zij vertelde [slachtoffer 5] dat ze heel rijk was en een huis en een auto had gekocht. [slachtoffer 5] heeft met [verdachte] en [slachtoffer 2] over het werk gesproken. Ze heeft erover nagedacht en is na Kerst of oud en nieuw naar Nederland gegaan. Haar zoontje heeft zij bij haar moeder gebracht en de avond voor het vertrek heeft zij bij [medeverdachte 1] geslapen. Zijn vrouw, [slachtoffer 2] en een andere vrouw genaamd [slachtoffer 10] (of [slachtoffer 6] ) [slachtoffer 6] waren daar ook. Zij zijn met zijn vijven in de auto naar Nederland gegaan. [slachtoffer 2] werkte al in de prostitutie, [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] gingen mee om dat ook te doen. [slachtoffer 6] heeft haar verteld dat zij ook haar gezin had achtergelaten en dat zij dit werk zou gaan doen om geld te verdienen.

In Nederland zijn zij naar een woning gegaan die [medeverdachte 1] met een sleutel opende. Zij denkt daarom dat het de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] was. Het was een soort flat. Ze verbleef daar met de personen met wie ze naar Nederland waren gereden. [slachtoffer 2] had daar al een kamer en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] sliepen bij [slachtoffer 2] op de kamer op een matras op de grond. Zij waren in de ochtend in Nederland aangekomen en hebben die dag nog wat uitgerust.

De volgende dag zijn [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] met [slachtoffer 2] naar de straat gegaan. [slachtoffer 2] heeft een kamer voor de hele dag geregeld en heeft dat ook voorgeschoten en betaald. [slachtoffer 5] is weggegaan omdat de locatie haar vanaf het moment dat zij begon te werken niet beviel. Daarnaast belde [verdachte] haar om de vijf minuten en vroeg haar dan of zij de cabine al had terugverdiend. [verdachte] zei altijd dat zij hoopte dat [slachtoffer 5] al meer had verdiend dan alleen de cabine. De telefoon hadden zij en [slachtoffer 6] van [medeverdachte 1] en [verdachte] gekregen. Ze konden alleen gebeld worden.

Op een gegeven moment werd [slachtoffer 5] gebeld door [slachtoffer 2] dat [verdachte] naar haar toe wilde komen. [slachtoffer 5] wilde dit werk niet meer doen en had er spijt van dat zij dit deed. Ze wilde niet meer terug naar [medeverdachte 1] en [verdachte] . Toen [slachtoffer 5] haar nicht [slachtoffer 4] samen met [medeverdachte 6] , [slachtoffer 3] en [betrokkene 6] (de moeder van [medeverdachte 6] ) zag lopen, was ze heel blij om hen te zien en is ze met hen meegegaan. Zij vertelde hen dat zij bang was voor [verdachte] omdat zij steeds belde, dat [slachtoffer 5] niet genoeg geld verdiende om de kamerhuur te betalen. [slachtoffer 5] zei dat zij daar weg wilde en ze zeiden haar dat zij met hen mee kon gaan. Omdat [medeverdachte 6] een relatie heeft gehad met de broer van [slachtoffer 5] , dacht zij dat [medeverdachte 6] haar wel zou helpen om terug te gaan naar Hongarije.

Ze zijn vervolgens met zijn allen in een taxi gestapt en naar een woning gegaan. In die woning was geen verlichting. [medeverdachte 6] vertelde dat zij een andere woning wilde huren. [slachtoffer 5] vroeg hen of zij met hun mee mocht. [medeverdachte 6] vroeg [slachtoffer 5] om een woning te regelen en zij zou [slachtoffer 5] helpen om een busticket te regelen zodat zij terug kon naar Hongarije. [slachtoffer 5] gaf haar verdiende geld aan [medeverdachte 6] en diezelfde avond zijn ze naar een andere woning gegaan die werd gehuurd door [medeverdachte 6] .

Toen ze naar die woning gingen, bleek dat [slachtoffer 4] in die woning aan het werk was en daar schrok [slachtoffer 5] van. Er kwamen klanten naar de woning en het was altijd [slachtoffer 4] die met de klant mee moest gaan. Op een gegeven moment kwam een klant langs en [medeverdachte 6] zei dat [slachtoffer 5] met hem mee moest gaan. [slachtoffer 5] wilde dat niet, want dat was de reden waarom zij uit de straat was weggegaan. [medeverdachte 6] zei dat [slachtoffer 5] dat moest doen zodat zij een busticket kon regelen. [slachtoffer 5] is met hem in de kamer geweest, maar is ook weer direct weggegaan. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 4] de klant afgewerkt. Het is ook voorgekomen dat [slachtoffer 4] helemaal geen seks wilde, omdat zij ongesteld was. Op dat moment werd tegen haar gezegd dat zij dat wel moest doen. [slachtoffer 5] weet niet hoeveel klanten er binnen zijn geweest. [slachtoffer 4] moest van [medeverdachte 6] geld verdienen. [slachtoffer 4] gaf haar geld aan [medeverdachte 6] .

[slachtoffer 5] is hier één of twee dagen gebleven en is toen met [slachtoffer 4] gevlucht. [betrokkene 6] , [medeverdachte 6] en [slachtoffer 3] gingen op een gegeven moment de stad in. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] werden in de woning opgesloten. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] zijn uit het raam geklommen en via het balkon van de buren de straat op gegaan en gevlucht. Daar hebben zij voorbijgangers gevraagd de politie te bellen. De politie nam hem toen mee. Dit betrof de melding van 9 januari 2012.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij bang was voor [verdachte] omdat zij steeds belde, dat [slachtoffer 5] niet genoeg geld verdiende om de kamerhuur te betalen. In de woning van [medeverdachte 6] heeft zij geen seks gehad met mannen. Ze was bij de gerechtelijke ontruiming van de woning aan de [straat 3] op 6 januari 2012. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij dit alles voor zich heeft gehouden omdat ze geen problemen wilde voor haar oom ( [medeverdachte 1] ) en zij zich schaamde. [medeverdachte 1] had haar daarheen gebracht om te werken [slachtoffer 5] verklaarde hierover: “Natuurlijk had ik voor hem gewerkt. Dat was de bedoeling.”.

[slachtoffer 5] heeft verder verklaard dat zij op verzoek van haar moeder door [medeverdachte 1] is opgehaald. [slachtoffer 5] heeft [medeverdachte 1] gebeld om haar te halen, omdat hij haar oom is en zij erop vertrouwde dat hij haar ging helpen om terug te gaan naar Hongarije. [slachtoffer 5] heeft hem toen gezegd dat het werk in de cabine haar niet goed afging en dat zij het niet meer wilde. [medeverdachte 1] is daar nooit boos over geweest en [slachtoffer 5] heeft nooit geld moeten betalen aan [medeverdachte 1] . [slachtoffer 5] is toen nog een nacht bij [medeverdachte 1] en [verdachte] gebleven. [slachtoffer 6] was daar toen ook nog. [slachtoffer 6] zei tegen haar dat het voor haar wel goed liep en dat zij wilde blijven werken. [slachtoffer 5] is de volgende dag met de bus teruggegaan naar Hongarije.

De verklaringen van [slachtoffer 6] 32

[slachtoffer 6] heeft op 6 maart 2015 in Hongarije een verklaring afgelegd en heeft daarnaast op 5 april 2016 als getuige nog een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.

Hoewel [slachtoffer 6] aanvankelijk heeft verklaard dat zij nog nooit in het buitenland is geweest, dat zij niemand kent die prostituee is en dat zij zeker niet de [alias slachtoffer 6] is die in Den Haag was gecontroleerd, is zij hier later op terug gekomen.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] haar een baan had aangeboden. Hij wist een goede baan als keukenhulp. Omdat [slachtoffer 6] het geld goed kon gebruiken, heeft zij dat geaccepteerd. Ze zouden naar Nederland gaan om te gaan afwassen. [slachtoffer 6] heeft haar dochter bij vrienden ondergebracht. [medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden haar dat zij tijd met haar dochter zou kunnen doorbrengen omdat zij elke maand naar huis zou komen. [medeverdachte 1] heeft haar deze mogelijkheid geboden, daar was ook [verdachte] toen bij. [slachtoffer 6] heeft met hen beiden gesproken. [slachtoffer 6] is met de auto naar Nederland gegaan. De woning in Nederland was niet helemaal leeg, daar waren problemen mee. [slachtoffer 6] wist dat zij in Den Haag was.

[slachtoffer 6] blijft er bij dat zij van tevoren niet wist dat zij in de prostitutie zou gaan werken. Toen [slachtoffer 6] hoorde waar het om ging raakte zij erg overstuur. Zij zei tegen [medeverdachte 1] dat zij het niet wilde doen, maar werd ertoe gedwongen. Ze begonnen te schreeuwen dat het veel geld heeft gekost om hen naar Nederland te brengen en dat [slachtoffer 6] dit terug moest betalen. Gelijk na aankomst hebben ze haar telefoon afgepakt en een ander toestel gegeven waarop ze [slachtoffer 6] de hele dag aan het bellen waren. [slachtoffer 6] heeft haar eigen telefoon niet teruggekregen. [slachtoffer 6] sliep op een matras in een klein kamertje. [medeverdachte 1] en [verdachte] sliepen in de woonkamer.

De ochtend na aankomst gingen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] om 7 uur met zijn drieën in de taxi naar de 50-euro straat. [slachtoffer 2] betaalde de taxi. Een ander keer gingen ze met de tram heen en met de taxi terug. Aangekomen in de straat sprak [slachtoffer 2] met iemand die de cabine had geregeld. [slachtoffer 6] wilde de cabine niet in, maar [medeverdachte 1] had haar bedreigd dat zij niet eens te eten zou krijgen. Dat zei hij in de telefoon die [slachtoffer 6] had gekregen. Hij zei ook dat zij onmiddellijk naar binnen moest. [slachtoffer 2] kwam meerdere keren langs en zei hoe [slachtoffer 6] de dingen moest doen. Dat heeft zij ook aan het andere meisje verteld. [slachtoffer 6] heeft met [slachtoffer 5] , die naast haar in de cabine stond, gesproken en ze hadden afgesproken dat ze alleen het bedrag bij elkaar zouden verdienen dat nodig was om terug te kunnen gaan naar Hongarije. Dit konden ze doen door niet te vertellen hoeveel klanten ze hadden.

[slachtoffer 6] heeft twee à drie dagen in de straat gewerkt en moest al het geld afdragen aan [medeverdachte 1] of aan [verdachte] . Zij vond het afgrijselijk toen ze naar de straat werd gebracht. Zij probeerde de klanten weg te sturen, maar werd continu gebeld door [medeverdachte 1] en [verdachte] . [verdachte] was altijd alleen maar aan het schreeuwen. Elke dag had zij alleen het minimaal aantal klanten. Als het geld dat ze verdienden te weinig was, gingen ze schreeuwen van waarom het zo weinig was. Ze gaven hen alleen geld om de spullen te kopen die ze nodig hadden. Avondeten kregen ze wel, maar alleen de restjes.

[slachtoffer 5] was na drie dagen ontsnapt en [slachtoffer 6] hoefde daarna ook niet meer te werken. [slachtoffer 6] durfde niet weg te lopen omdat zij de taal niet sprak en misschien was zij dan op een nog slechtere plek terecht gekomen. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren erg geschrokken, ze schreeuwden tegen haar en bleven bellen. Zij zei elke dag tegen hen dat zij dit niet wilde doen en pas toen hebben ze een ticket voor haar gekocht. Toen ze haar op de bus hadden gezet zeiden ze nog dat [slachtoffer 6] hen het geld in Hongarije terug zou moeten betalen wat zij hen verschuldigd was. Ze hebben nooit fysiek geweld gebruikt, alleen [verdachte] zat tegen haar te schreeuwen. [slachtoffer 6] moest wel werken, al was het alleen maar om thuis te kunnen komen. [slachtoffer 6] denkt dat [slachtoffer 2] ook bang was voor hen omdat zij ook niet tegen [slachtoffer 6] had durven te vertellen wat er in Nederland zou gaan gebeuren. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben de tickets tot Boedapest gekocht, daarvandaan heeft zij de rest van de reis bij elkaar gebedeld.

Getuigenverklaringen

[getuige 2] (de moeder van [slachtoffer 5] en de zus van [medeverdachte 1] ) heeft op 28 oktober 2015 aanvankelijk verklaard dat zij niets weet van het feit dat [slachtoffer 5] in 2012 in Nederland slachtoffer zou zijn geworden van mensenhandel. Nadat [getuige 2] werd geconfronteerd met bevindingen waaruit zou blijken dat zij op de hoogte was van het feit dat [slachtoffer 5] in Nederland verbleef, verklaarde zij dat zij zich ervoor schaamt dat haar dochter in de prostitutie heeft gewerkt en begon zij te huilen. [slachtoffer 5] heeft haar kind bij [getuige 2] achtergelaten en heeft geen woord gezegd wat zij ging doen. Een soort gezinshulp belde [getuige 2] en vroeg om geld zodat [slachtoffer 5] kon reizen. [getuige 2] hoorde dat haar jongste broer (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) daar was en zij belde hem met de vraag of hij [slachtoffer 5] geld kon brengen zodat zij naar huis kon. Dat heeft hij gedaan. Haar broer heeft gezorgd dat [slachtoffer 5] weer naar Hongarije kon.33

[betrokkene 1] heeft op 3 december 2015 bij de politie en op 28 september 2016 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer 6] financiële problemen had en daarom naar het buitenland is gegaan om in de prostitutie te werken. Een week later was zij echter alweer thuis. [slachtoffer 6] had geen werk en ook geen geld voordat ze naar het buitenland ging. Toen zij naar het buitenland ging om te werken, verbleef haar dochter bij [betrokkene 1] . Die dochter heeft ongeveer een week bij hem gewoond. [slachtoffer 6] zei dat zij naar Nederland kwam om met seks haar geld te verdienen en dat wilde zij zelf. Zij had geen geld en zei dat zij dat wel aankon. Zij vroeg of [betrokkene 1] iemand kende die zich hiermee bezig hield en [betrokkene 1] vroeg aan [medeverdachte 1] of hij iemand wist. [betrokkene 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] een vriendenkring had die zich hiermee bezig hield. Dat was de reden dat [slachtoffer 6] contact met hem had opgenomen. Het gesprek was op verzoek van [slachtoffer 6] . [betrokkene 1] heeft het contact tot stand gebracht. [betrokkene 1] was niet de hele tijd aanwezig bij het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 6] . Toen hij erbij was, is gezegd dat [slachtoffer 6] de kosten van haar verblijf en andere kosten aan [medeverdachte 1] terug zou moeten betalen. [betrokkene 1] heeft van [slachtoffer 6] gehoord dat [medeverdachte 1] vrouwen tewerk stelde. [slachtoffer 6] is met [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het buitenland gegaan en daarom denkt [betrokkene 1] dat zij ook door [medeverdachte 1] tewerk is gesteld. [medeverdachte 1] en de anderen gingen naar Nederland om te werken en [slachtoffer 6] kwam met hen mee. [slachtoffer 6] is met de bus teruggekomen. Zij klaagde dat het niet fijn was. Volgens [betrokkene 1] was het niets voor haar terwijl zij daarvoor volhield dat seks echt iets voor haar was. [betrokkene 1] noemt het ‘onzin’ dat [slachtoffer 6] in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat zij als keukenmeid zou gaan werken. “Ik denk dat zij zich er heel erg voor geschaamd heeft dat zij het fysiek niet aankon. Ze had een grote mond”. Later zei zij dat zij er niet tegen kon. Het werk vond zij zwaar. [slachtoffer 6] heeft [betrokkene 1] over het werk verteld dat zij achter ramen stond en dat zij weinig verdiende.34

[slachtoffer 2] heeft op 25 mei 2016 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij de avond voor vertrek uit Hongarije heeft gesproken met [slachtoffer 6] . [slachtoffer 6] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] sliepen toen bij [medeverdachte 1] en [verdachte] . [slachtoffer 6] vroeg toen aan [slachtoffer 2] hoe zij er tegen kon om dit werk te doen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden ook naar [slachtoffer 2] verwezen door te zeggen “Kijk hoe fijn het is om dit te doen:”. [slachtoffer 2] leefde best goed van het geld dat zij voor zichzelf kon houden en was dus een goed voorbeeld. [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat [medeverdachte 1] of [verdachte] haar had gebeld om naar de kamer van [slachtoffer 6] te gaan en haar mee te nemen zodat zij er niet vandoor kon gaan. Ze zeiden dat ze haar liever op de bus zouden zetten dan dat ze er vandoor zou gaan.35

[medeverdachte 6] heeft op 21 april 2016 als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer 5] in de straat tegen haar heeft gezegd dat zij met [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Nederland was gekomen om voor hen te werken en dat ze hulp wilde om naar huis te gaan.36

Overige bevindingen

Op 6 januari 2012 vond er een gerechtelijke ontruiming plaats van de woning aan de [straat 3] in Den Haag. Uit een mutatie blijkt dat op dat moment [slachtoffer 2] , [alias verdachte] ( [verdachte] ), [medeverdachte 1] , [alias slachtoffer 6] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer 6] ) en [slachtoffer 5] aanwezig waren.37

De verklaringen van [medeverdachte 1] 38

[medeverdachte 1] heeft op 9 oktober 2015 bij de politie, op 16 december 2015 en 13 juni 2016 bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 2 februari 2018 als getuige verklaringen afgelegd met betrekking tot [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .

Ten aanzien van [slachtoffer 5]

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn zus (de moeder van [slachtoffer 5] ) hem had benaderd om hen te helpen omdat zij in slechte (financiële) omstandigheden verkeerden. Ze wisten dat hij in Nederland zat. [slachtoffer 5] had gevraagd of hij kon helpen omdat zij in Nederland in de prostitutie wilde gaan werken. Zij wist wat voor werk dat zou zijn en zij wilde dat doen omdat zij in Hongarije in moeilijke omstandigheden zat. Hij zei tegen haar dat hij daar niets mee te maken wilde hebben, maar op verzoek van zijn zus heeft hij [slachtoffer 5] daar toch bij geholpen zodat zij uiteindelijk voor zichzelf kon gaan zorgen. Anders was zij misschien met iemand anders naar Nederland gegaan en was zij misschien in een slechte situatie terechtgekomen, bijvoorbeeld uitbuiting. Ze zeiden tegen hem dat zij al eerder dit werk had gedaan en dat het voor haar geschikt was. Ze hebben alleen gevraagd om te helpen met onderdak. [medeverdachte 1] heeft haar geld gegeven. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij erop stonden dat hij zou helpen. Hij heeft er spijt van, maar had daar op geen enkele wijze compensatie van verwacht.

[medeverdachte 1] begrijpt niet dat [slachtoffer 5] niet heeft verteld dat zij in Nederland zelf de zaken heeft geregeld. Hij heeft haar geholpen met huisvesting. Zij zou bij hem wonen totdat ze op haar eigen benen kon staan. Dat was in de woning aan de [straat 3] . [slachtoffer 5] is met [medeverdachte 1] , [verdachte] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] met zijn auto meegereisd. Zij hoefden niets voor de reis te betalen.

[medeverdachte 1] heeft aan [verdachte] verteld dat [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] mee zouden komen. Hij zei dat hij hen onderdak wilde bieden omdat ze daar hulp bij nodig hadden. Hij vertelde haar eerst dat ze op zoek waren naar werk in de bloemen, net als zijzelf. Later vertelde hij haar dat ze in de prostitutie wilden werken. Hij heeft het niet meteen tegen [verdachte] gezegd, omdat zij volgens hem dan niet had toegestaan dat hij hen meenam en hen hielp. [verdachte] wist dit pas toen zij aan het vertrekken waren.

[slachtoffer 5] ging met [slachtoffer 2] mee naar het werk. [verdachte] had daar geen rol bij. Hij had geen financiële afspraken gemaakt met [slachtoffer 5] . Zij kon blijven totdat ze financieel genoeg had om zelf een woning te kunnen huren. Na de eerste dag kwamen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] thuis en ze zeiden dat [slachtoffer 5] met [medeverdachte 6] mee was gegaan. Later was [slachtoffer 5] blij dat hij haar kwam ophalen. Zij zei dat zij met [medeverdachte 6] en die anderen mee was gegaan en daar tot prostitutie werd gedwongen.

[getuige 2] had hem gebeld omdat [slachtoffer 5] wilde dat hij haar zou ophalen. Hij heeft haar opgehaald bij een tehuis. Zij vertelde hem toen dat zij bij [medeverdachte 6] , [betrokkene 6] en [slachtoffer 3] had gezeten.

Ten aanzien van [slachtoffer 6]

kwam ook mee om in Nederland in de prostitutie te gaan werken. [slachtoffer 6] had al eerder met [slachtoffer 2] gesproken en wilde van de mogelijkheid gebruik maken om naar Nederland te komen want zij had net een scheiding achter de rug en had het financieel slecht.

[slachtoffer 6] had hem via [betrokkene 1] benaderd om werk te vinden in Nederland. [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] waren naar [slachtoffer 6] gegaan en hebben met haar gepraat. [slachtoffer 6] vertelde dat zij gescheiden was en dat haar man haar geen steun gaf. Zij had wel een woning, maar daar zat een grote lening op en die kon zij niet betalen van alleen een uitkering. Zij gaf meteen al aan in Nederland in de prostitutie te willen werken. Haar twee nichten deden dit werk ook al en zij zag dat ze het goed hadden en [medeverdachte 1] denkt dat ze dit met elkaar besproken hadden. Ook had [slachtoffer 6] met [slachtoffer 2] gesproken en gezien en gehoord dat zij het ook goed had. [medeverdachte 1] had het gevoel dat zij het er met [slachtoffer 2] over had gehad, want [slachtoffer 2] woonde toen al met [medeverdachte 1] en [verdachte] en [slachtoffer 6] vroeg of zij ook bij hun kon blijven. [slachtoffer 6] had hem gezegd dat zij heel graag in Nederland wilde wonen. [slachtoffer 6] heeft in Mohács geld van [medeverdachte 1] geleend zodat ze haar kind ergens kon onderbrengen. Hij heeft haar hetzelfde aangeboden als [slachtoffer 5] . Zij kon blijven totdat zij genoeg geld bij elkaar had om een huis te huren.

Zij zat zelf in een moeilijke situatie en Nederland was ver van huis, zodat niemand hoorde wat voor werk zij deed. En zij vertrouwde op de discretie van [medeverdachte 1] dat het ook niet naar buiten zou komen dat zij prostitutiewerk zou gaan doen. Het ging bij haar ook om de voogdij van haar kind, misschien is dat de reden dat zij niet de waarheid vertelde aan de politie. Zij heeft gevraagd haar te helpen met huisvesting. En vanaf dat moment zou zij met [slachtoffer 2] de zaken verder regelen. Zij had hem dus niet gevraagd te helpen om aan werk in de prostitutie te komen. Hij heeft haar gezegd haar met huisvesting te helpen. En wat zij verder regelde was haar zaak. Hij heeft haar ook geholpen met het lenen van een bepaald bedrag. Als zij door zou gaan met werken en nog niet binnen een maand of wat een eigen woning zou hebben, moest zij wel meebetalen aan de huur van de woning aan de [straat 3] . [slachtoffer 6] wist naar welke stad in Nederland zij zouden gaan. Toen [slachtoffer 6] naar Nederland kwam om te werken, heeft zij haar dochter voor die periode bij [betrokkene 1] en zijn gezin ondergebracht.

Op de dag dat ze aankwamen in Nederland, was de politie er al. De politie heeft hen toen gecontroleerd. Daarna zijn ze niet nog ergens anders heen gegaan. Ze hadden net een reis van 1600 kilometer gehad. Vervolgens spraken [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] met [slachtoffer 2] hoe ze dit werk moesten aanpakken. [slachtoffer 2] had een telefoonnummer van een eigenaar en vroeg of er nog cabines beschikbaar waren. [verdachte] en hij gingen werk zoeken. [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] zijn met zijn drieën naar de straat gegaan. Hij en [verdachte] zijn niet meegegaan.

[slachtoffer 2] had achterin de woning een kamer. De drie dames sliepen samen en hijzelf en [verdachte] sliepen in de woonkamer. Iedereen kon komen en gaan waar die zin in had. Niemand was op geen enkele wijze beperkt. [medeverdachte 1] heeft haar niet doorlopend ter controle gebeld. Hij heeft hen alleen maar geholpen en heeft verder geen enkel belang bij die dames. Toen zij nog in Hongarije was en geld van hem had geleend, hadden ze de afspraak dat zij dit ooit, als zij in de gelegenheid zou zijn, aan hem zou betalen. Ze hadden helemaal geen overeenkomst. Er waren geen afspraken over haar verdiensten.

[slachtoffer 6] besloot na twee dagen dat het genoeg voor haar was. Hij weet niet waarom, dat was haar beslissing. Maar zij vertelde dat het niet haar werk was en dat zij wat anders in gedachten had. Zij is vervolgens terug gegaan naar Hongarije. Volgens [medeverdachte 1] had ze er niet goed over nagedacht. Hij heeft voor haar een busticket gekocht want daar had zij niet genoeg geld voor. [verdachte] heeft nog eten voor haar ingepakt en ze hebben haar geld meegegeven zodat zij in Hongarije nog naar Mohács kon reizen. Hij heeft daarna nog met [betrokkene 1] gebeld om te vragen of zij thuis was gekomen.

De verklaringen van [verdachte] 39

[verdachte] heeft op 2 november 2015 bij de politie, op 14 december 2015 en 13 juni 2016 bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 2 februari 2018 verklaringen afgelegd met betrekking tot [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] .

[verdachte] heeft - anders dan bij de politie en de rechter-commissaris - ter terechtzitting verklaard dat zij bij het vertrek in Hongarije wist dat [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] in de prostitutie gingen werken. [slachtoffer 5] is een nicht van haar man. Zij had ruzie met haar man. Ze woonden toen nog bij haar moeder. [slachtoffer 6] had haar verteld dat zij op het punt stond te scheiden en dat zij problemen had met de plaatsing van haar kind. [slachtoffer 6] had haar verzocht niet te vertellen waarom zij naar Nederland kwam. [slachtoffer 2] zou aan [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] vertellen wat ze moesten doen. [verdachte] was het er niet mee eens dat ze met hen mee kwamen naar Nederland, maar het was de beslissing van [medeverdachte 1] .

[slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zijn samen met [slachtoffer 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] met de auto op 6 of 7 januari 2012 naar Nederland gereisd. Die dag zijn ze bij de woning in Den Haag ook gecontroleerd. De politie was bij de woning bezig toen ze aankwamen. Ze wilden de eigenaar of de verhuurder van de woning eruit laten zetten omdat die geen gas/water en elektriciteit betaalde. Ze huurden van die persoon.

Ze zijn de ochtend na aankomst vertrokken naar het werk. [slachtoffer 5] kwam [slachtoffer 3] , [medeverdachte 6] , [betrokkene 6] en [slachtoffer 4] tegen en is met hun vertrokken. [medeverdachte 6] heeft vroeger samengewoond met de oudere broer van [slachtoffer 5] . [slachtoffer 6] kwam wel terug en zij vertelde dat [slachtoffer 5] met die personen weg was. [medeverdachte 1] belde [slachtoffer 5] nog op, maar kreeg geen contact. [medeverdachte 1] belde direct de vader van [slachtoffer 5] in Hongarije dat zij met die personen weg was gegaan. De vader vroeg gelijk of we konden laten weten als ze terecht was. Twee dagen later werd er gebeld dat [slachtoffer 5] in Rotterdam zat in een moederopvang en dat zij was gevlucht van [medeverdachte 6] en [betrokkene 6] . Ze vroegen hen om [slachtoffer 5] op te halen en een ticket voor haar te kopen zodat ze naar Hongarije kon. Ze hebben haar ‘s avonds opgehaald en de volgende dag ging [slachtoffer 5] met de bus naar huis. [verdachte] vroeg haar waarom ze zo snel van hen was weggegaan. [slachtoffer 5] vertelde haar dat ze [medeverdachte 6] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [betrokkene 6] was tegengekomen. Ze was naar de woning van [medeverdachte 6] gegaan. Daarvandaan vluchtte ze met [slachtoffer 4] , omdat [betrokkene 6] en [medeverdachte 6] hun in de prostitutie lieten werken in het huis.

[slachtoffer 5] heeft niet betaald voor het verblijf in Nederland. [verdachte] heeft haar reis naar Hongarije betaald, de ouders van [slachtoffer 5] hadden dit gevraagd. Op 11 januari 2012 is [slachtoffer 5] met de bus naar Hongarije gegaan.

[slachtoffer 6] zat op 10 januari alweer in de bus naar Hongarije. [slachtoffer 6] heeft na de eerste dag werken in de straat al gezegd dat ze terug wilde naar Hongarije. De volgende dag is [slachtoffer 6] in de middag thuisgekomen en de dag daarna is ze naar Hongarije gegaan. [medeverdachte 1] heeft op 11 januari in de avond [betrokkene 1] gebeld om te vragen of [slachtoffer 6] goed was aangekomen, omdat haar dochter daar was. En er werd verteld dat zij goed was aangekomen.

[slachtoffer 6] heeft voor de reis naar Nederland helemaal niets betaald, want zij had geen geld. De afspraak was dat zij de reiskosten zou betalen zodra zij werk zou hebben. Wat er verder met [medeverdachte 1] is besproken, weet zij niet. Het klopt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook weinig geld hadden. Ze verbleven in de woning aan de [straat 3] in Den Haag. [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2] sliepen met zijn drieën in die ene kamer en haar man en zijzelf sliepen op een matras in de woonkamer. De afspraak was dat zij kon blijven totdat ze zelf een baan en inkomen zou hebben. [slachtoffer 6] was na drie dagen weer weg. Zij hoefde niets te betalen voor die drie dagen. [verdachte] heeft het buskaartje voor [slachtoffer 6] gekocht. Dat was ongeveer 87 of 89 euro en was naar Budapest. Vandaar moest zij verder naar Mohács. De bedoeling was dat zij dit geld zou terugkrijgen maar dat is niet gebeurd. [verdachte] heeft nog brood voor haar gemaakt en zij heeft haar nog sigaretten en 20 euro gegeven om in Budapest de buskaartjes te kunnen betalen. Dit was vanzelfsprekend want [slachtoffer 6] had geen geld om naar Hongarije te reizen en ook geen geld om van Budapest naar Mohács te reizen.

[verdachte] heeft hen in Nederland geen instructies gegeven, niet gezegd dat ze zich moesten klaarmaken voor het werk en heeft hen niet gebeld. Niemand heeft van haar een telefoon afgepakt. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben niet voor [medeverdachte 1] en [verdachte] gewerkt.

Conclusie ten aanzien van [slachtoffer 5]

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] en [verdachte] - een jonge vrouw - naar Nederland hebben meegenomen om in de prostitutie te werken, terwijl zij wisten dat [slachtoffer 5] in moeilijke omstandigheden verkeerde. Juist die omstandigheden waren immers de reden dat zij dit werk in Nederland ‘wilde’ gaan doen. Nederland was een voor [slachtoffer 5] onbekend land en zij sprak de taal niet. Zij was dan ook afhankelijk van anderen om zich in Nederland te kunnen bewegen; dit blijkt uit de omstandigheid dat zij 1) [slachtoffer 3] , [medeverdachte 6] ’ (zogenaamde) hulp aangreep om uit de Doubletstraat te kunnen weggaan; 2) na de vlucht uit [medeverdachte 6] ’ woning de politie heeft gebeld en 3) in de gegeven omstandigheden kennelijk alleen via een opvanghuis en de hulp van [medeverdachte 1] uit Nederland naar Hongarije kon reizen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [slachtoffer 5] in hun woning ondergebracht, waar zij op een matras moest slapen. Pas als zij ‘op eigen benen kon staan’, kon zij daar vertrekken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij slechts (de rechtbank begrijpt: belangeloos) heeft willen helpen, maar dat is niet geloofwaardig. [slachtoffer 5] heeft immers verklaard dat zij voor [medeverdachte 1] werkte en dat impliceert dat zij in ieder geval een deel van haar verdiensten aan hem moest afstaan. Bovendien werd [slachtoffer 5] steeds gebeld door [verdachte] die haar vertelde dat zij niet genoeg verdiende, hetgeen impliceert dat (ook) zij een financieel belang had bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 5] . Daar ging klaarblijkelijk zo’n druk van uit dat [slachtoffer 5] zo snel mogelijk uit de prostitutiestraat weg wilde ( [slachtoffer 5] was bang voor [verdachte] ). Niet gebleken is dat [medeverdachte 1] en/of [verdachte] jegens [slachtoffer 5] een prestatie hebben geleverd die het ontvangen van (een deel van) haar verdiensten

zou kunnen rechtvaardigen.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] door middel van dwang, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 5] hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen en aangeworven om [slachtoffer 5] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 5] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachten [slachtoffer 5] hebben gedwongen en bewogen hen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 5 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben dit feit tezamen en in vereniging gepleegd. Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr omdat niet is gebleken dat zij daadwerkelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 5] .

Conclusie ten aanzien van [slachtoffer 6] :

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat [slachtoffer 6] juist vanwege haar problematische situatie in Hongarije [medeverdachte 1] heeft benaderd om in Nederland te kunnen werken in de prostitutie. De rechtbank heeft geconstateerd dat [slachtoffer 6] heeft verklaard voor haar reis naar Nederland niet te hebben geweten dat zij daar in de prostitutie zou gaan werken, maar die verklaring is, naar het de rechtbank voorkomt, nu typisch iets wat uit schaamte is verteld. Dat [slachtoffer 6] zich schaamde blijkt ook duidelijk uit haar eerste verklaring (bij de politie): eerst verklaart zij met zoveel woorden niets van prostitutie in Nederland te weten, maar later wordt zij emotioneel en verklaart dan (wel degelijk) over haar prostitutiewerk in Nederland.

Blijkens de verklaringen van [slachtoffer 6] was haar financiële en sociale status in Hongarije zeer slecht. [medeverdachte 1] was hiervan op de hoogte. Blijkens haar verklaring ter terechtzitting gold dat ook voor [verdachte] , bovendien wist zij dat [slachtoffer 6] in Nederland in de prostitutie zou gaan werken. Onder die omstandigheden hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] [slachtoffer 6] naar Nederland meegenomen en haar bij hen thuis ondergebracht (waar [slachtoffer 6] op een matras sliep). Nederland was een voor [slachtoffer 6] onbekend land en zij sprak de taal niet. Bovengenoemde omstandigheden maakten haar afhankelijk van [medeverdachte 1] en [verdachte] . [slachtoffer 6] werd door [medeverdachte 1] en Eirka [verdachte] gecontroleerd; zij kreeg een telefoon waarop zij gebeld werd. Dit wordt bevestigd door [slachtoffer 5] . Bovendien verklaart [slachtoffer 2] dat zij door [medeverdachte 1] en [verdachte] naar de wekkamer van [slachtoffer 6] werd gestuurd om haar mee te nemen zodat zij er niet vandoor kon gaan; de [familienaam] zouden haar liever op de bus zetten. [slachtoffer 6] , van wie vast staat dat zij een aantal dagen in de prostitutie heeft gewerkt, heeft niets aan haar prostitutiewerk overgehouden, dat blijkt wel uit het feit dat zij zelf geen geld had om naar Hongarije te reizen; haar busreis naar Boedapest werd door de [familienaam] voor haar betaald, waarna zij nog heeft moeten bedelen om thuis te komen. Dit ondersteunt haar verklaring dat zij al haar verdiensten aan [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft moeten afdragen.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] door middel van dwang, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 6] hebben vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar hebben meegenomen om [slachtoffer 6] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 6] ertoe hebben bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen hebben ondernomen waarvan zij wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Ten slotte kan worden bewezen dat verdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken (sub 6) uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 6] en dat zij haar hebben bewogen hen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen te bevoordelen (sub 9). Feit 6 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben dit feit tezamen en in vereniging gepleegd.

5.7.4

Feit 7 (ZD [slachtoffer 7] )

De verklaringen van [slachtoffer 7] 40

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat zij voor [verdachte] in Nederland in de prostitutie heeft willen werken. [verdachte] zei dat zij daar in een etalage moest gaan staan en dat de klanten dan zouden komen. Zij zei dat [slachtoffer 7] tegen betaling seks moest hebben met mannen. Haar verdiensten zouden ze opzij leggen. Zij moest deze afdragen aan [medeverdachte 1] en zijn vrouw. [slachtoffer 9] (rechtbank: [slachtoffer 9] ) en [slachtoffer 10] (rechtbank: [slachtoffer 10] ) zouden net zo hun verdiensten moeten afdragen. Een deel van de verdiensten zouden ze terugkrijgen. [verdachte] regelde alles omtrent Nederland. Zij zei dat ze daar al eerder waren geweest en meerdere meisjes daar hadden gebracht. [slachtoffer 7] had niet eerder in de prostitutie gewerkt. De afspraak was dat zij in Nederland iedere dag zou moeten werken, van ’s ochtends tot ’s avonds 21:00 uur en dat ze het geld zou moeten afstaan aan de [familienaam] .

Begin 2013 kwam zij in Nederland aan. [verdachte] had de kosten voor de reis betaald. [slachtoffer 7] was opgedragen te zeggen dat zij zelf de kosten had betaald. [slachtoffer 7] had gelogen tegen de KMAR, omdat ze bang was voor [verdachte] . Alle reiskosten en het hotel werden door [verdachte] betaald. In het hotel waar zij verbleef had [verdachte] de sleutel van haar kamer in beheer en woonde zij in de kamer van [verdachte] . De andere twee meisjes woonden in een andere kamer in hetzelfde hotel. [verdachte] gaf de eerste dag dat [slachtoffer 7] ging werken geld voor de huur van een raam. Zij mocht tijdens haar werk niet zelf bepalen wat ze deed, [verdachte] zei dat zij moest doen wat men haar vroeg. [verdachte] was niet in Nederland om te werken, omdat zij de baas was over haar. [verdachte] zou in het hotel blijven.

[verdachte] had haar gezegd wat zij allemaal moest zeggen als de politie haar vragen zou stellen. [slachtoffer 7] durfde de politie niet in te schakelen. Zij was bang en zat ver weg van haar kinderen en was bang dat er iets met hen zou gebeuren. [verdachte] was boos en ging schreeuwen toen ze hoorde dat zij een negatief werkadvies had gekregen. Al het geld dat ze had uitgegeven voor de reis was nu weg. Ze zijn de volgende ochtend met zijn vieren met het vliegtuig terug naar Boedapest gegaan. [verdachte] heeft de tickets geregeld.

[slachtoffer 7] heeft [medeverdachte 1] niet in Nederland gezien, het was de bedoeling dat hij twee weken later achter hen aan zou komen.

Getuigen

[slachtoffer 9]

heeft op 8 juni 2015 in Baja (Hongarije) bij de politie een verklaring afgelegd en daarnaast op 31 augustus 2016 als getuige bij de rechter-commissaris.41

Zij heeft verklaard dat zij in de prostitutie wilde werken en dat zij werd opgehaald door [medeverdachte 1] , en naar Mohács gebracht. Daar heeft zij twee of drie dagen in een flat verbleven. [slachtoffer 7] , [medeverdachte 1] en [verdachte] verbleven daar ook. Na een paar dagen werd [slachtoffer 9] met [slachtoffer 7] en [verdachte] naar het vliegveld gebracht.

In het andere land werden ze bij aankomst gecontroleerd. [verdachte] had haar verteld wat zij bij aankomst moest zeggen. Ze moesten zeggen dat ze geen pooier hadden en dat ze vrijwillig waren gekomen om dit werk te doen. Ze verbleven in een hotel.

[slachtoffer 9] is één keer bij de cabines geweest. Dat was in het begin, na aankomst. [verdachte] wist de weg en zij liet hen zien welke cabine ze zouden krijgen. [verdachte] verzorgde ook glijmiddel, condooms en werkkleding en vertelde dat als ze ongesteld waren, ze een sponsje moesten gebruiken. [slachtoffer 9] werd gecontroleerd bij een soort vitrine. Daar mochten zij niet werken.

[slachtoffer 9] heeft verklaard dat niet is gesproken over hoeveel dagen zij moest werken, maar zij denkt iedere dag. Het werk in de cabine zou misschien van ’s ochtends tot ’s avonds of in de nachtelijke uren zijn. Dat weet zij niet want het is er niet van gekomen. Er was een 60/40 verdeling van de inkomsten afgesproken. Veertig procent zou voor [verdachte] zijn.

[slachtoffer 9] heeft [medeverdachte 1] niet in Nederland gezien en is met [slachtoffer 7] en [verdachte] naar Hongarije teruggereisd.

[slachtoffer 10]

heeft op 9 juni 2015 in Kalocsa (Hongarije) bij de politie een verklaring afgelegd en daarnaast op 26 september 2016 als getuige bij de rechter-commissaris.42

[slachtoffer 10] heeft verklaard dat [verdachte] haar via Facebook had benaderd. Zij vertelde haar dat ze twee meisjes naar Nederland zou brengen en dat deze twee meisjes in de prostitutie zouden gaan werken. [verdachte] zei dat je daar voor 50 euro per dag een raam kon huren en dat je tot 700 of 800 euro per dag kon verdienen. Zij was daar namelijk al vaker geweest en omdat ze deze werkplek voor [slachtoffer 10] had gevonden moest zij haar 50 euro per dag geven, als vaste kosten.

[slachtoffer 10] is naar Mohács gegaan en is daar 3 à 4 uur in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] gebleven. Toen zij aankwam, belde [verdachte] de andere twee meisjes die daarna kwamen en daarna vertrokken ze samen naar het vliegveld. [medeverdachte 1] heeft daar geen rol in gespeeld. Zij heeft [medeverdachte 1] alleen ontmoet toen ze in januari 2013 uit Mohács vertrokken. Zij is samen met [verdachte] , [slachtoffer 9] en een jonger meisje naar Nederland gereisd. Ze kwamen in de middag in Den Haag aan. [verdachte] liet hen de straat van een grote afstand zien. Daarna gingen zij naar het hotel.

[verdachte] betaalde alle (reis)kosten. [verdachte] zou alles regelen. Eerst zouden ze in een hotel overnachten en als ze begonnen met werken zou [verdachte] een huurwoning zoeken. Ze zouden (kennelijk: ondertussen) de kosten (eten, overnachting) samen betalen en de 50 euro per dag aan [verdachte] betalen. [verdachte] regelde en betaalde het hotel. Zij wist de weg van het Centraal Station naar het hotel. [verdachte] zei dat ze haar naam beter niet konden noemen bij de autoriteiten, bijvoorbeeld de politie. [verdachte] had twee goedkopere toestelletjes gekocht. Ze gaf een toestel aan het oudere meisje zodat ze met elkaar konden praten op het moment dat ze naar de straat zouden gaan. De andere telefoon hield zij zelf.

[slachtoffer 10] heeft vroeger als prostituee gewerkt. Zij had zelf bepaald dat zij in Nederland ging werken. [verdachte] zei waar ze naartoe zouden gaan. Zij wilde drie weken werken en dan weer teruggaan. [slachtoffer 10] verklaarde dat over de inkomsten was afgesproken dat zodra zij aan de slag zou gaan, dit op 50/50 basis zou zijn.

De volgende dag zijn ze naar de straat gegaan. Toen ze in de straat aankwamen waar ze wilden werken, zeiden ze dat ze daar niet mochten werken. Daarna gingen ze terug naar het hotel. De volgende dag ging [slachtoffer 10] terug naar Hongarije.

Overige bevindingen

Op 22 januari 2013 werden op luchthaven Eindhoven vier vrouwen door de KMAR gevraagd naar hun identiteitsbewijs. Het betreft [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en [alias verdachte] . [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] verklaarden vrijwillig naar Nederland te zijn gekomen en in Den Haag in de prostitutie te willen gaan werken. Zij verklaarden ook dat zij het geld wat zij daarmee verdienen zelf mogen houden. [slachtoffer 7] verklaarde dat ze de andere drie vrouwen had ontmoet in het vliegtuig43

Op 23 januari 2013 werd de Unit Commerciële zeden gebeld door de beheerder van een seksinrichting op de Doubletstraat 18 te Den Haag. De beheerder verzocht de medewerkers om drie vrouwen te controleren die voor het eerst wilden gaan werken. Het betrof [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] . Naar aanleiding van deze gesprekken waren er aanwijzingen voor mogelijke mensenhandel. De vrouwen kregen een negatief werkadvies. De vrouwen verklaarden wisselend en verschillend over geldbedragen en reiskosten. [slachtoffer 7] had geen gespreksgegevens in haar telefoon. [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] verklaarden ook over een vierde vrouw die nog in het hotel is achtergebleven omdat ze ongesteld was.44

De verklaring van [verdachte]

heeft op 2 november 2015 bij de politie verklaard dat zij [slachtoffer 7] herkende van de foto. De verklaring van [slachtoffer 7] is gelogen. Zij weet niet wie [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] zijn. Het verhaal dat zij samen met [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] met het vliegtuig naar Eindhoven Airport is gereisd, klopt niet. Ze is nooit op Eindhoven Airport geweest. [verdachte] is de eerste week van maart 2012 met [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] weer naar Hongarije gegaan en ze zijn niet meer terug geweest. De dag voor hun vertrek in maart, zijn ze aan de [straat 3] gecontroleerd. Ze zat toen in de auto met [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] .

Ter terechtzitting van 2 februari 2018 heeft [verdachte] verklaard dat zij nu graag wilde vertellen wat zij niet eerder had verteld. Zij heeft het niet eerder verteld, omdat zij niet wilde dat haar dochter of kleinkinderen zouden ontdekken dat zij dit ooit heeft gedaan. Zij is in januari naar Nederland gekomen om ook dit werk te doen. Daarom was zij daar met die vrouwen. Zij heeft verklaard dat zij dit werk eerder per gelegenheid heeft gedaan. Het was de eerste keer in Nederland. Zij kende [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] heel goed van Facebook en [slachtoffer 7] kende zij ook omdat zij een relatie had met de neef van [medeverdachte 1] .

Ze hebben vooraf het een en ander afgesproken voor wat betreft wanneer en hoe ze zouden reizen. Ze zouden samen naar Den Haag gaan en hebben samen gereisd. Vooraf hadden ze geen werkplek geregeld. Iedereen had zelf zijn tickets gekocht. Zij heeft in Mohács een taxibus gebeld. Iedereen had zich bij hun woning verzameld. De andere vrouwen kwamen met de bus naar Mohács. Toen gingen ze naar het vliegveld. Vanaf luchthaven Eindhoven zijn ze met de bus naar het station gegaan en daarvandaan met de trein naar Den Haag. In Den Haag zijn ze naar hetzelfde hotel gegaan als waar zij naartoe ging. Zij heeft niets geregeld voor de andere vrouwen, ze had niets met hen te maken. Ze heeft hen nergens geld voor gegeven en ze heeft voor niemand een telefoon gekocht.

Zij heeft het werk niet kunnen doen, omdat zij zware bloedingen had. Zij had gezondheidsproblemen en had twee operaties in de baarmoeder ondergaan. Zij is de dag na aankomst weer terug gegaan naar Hongarije om naar haar arts te gaan.

De verklaring van [slachtoffer 7] dat zij in hun woning zou zijn opgesloten geweest, klopt niet.

Conclusie

De verklaring van [slachtoffer 7] vindt verankering in de verklaringen van [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] en in de bevindingen naar aanleiding van de controles op 22 (vliegveld) en 23 (prostitutiestraat) januari 2013. Deze verklaringen ondersteunen elkaar concreet ten aanzien van de rol van [verdachte] omtrent de voorgenomen prostitutie van [slachtoffer 7] in Nederland.

Uit deze bewijsmiddelen komt duidelijk naar voren dat [verdachte] [slachtoffer 7] , een jonge Hongaarse vrouw, naar een voor haar onbekend land heeft gebracht om haar daar - onder voor haar kennelijk verder onbekende omstandigheden - in de prostitutie te laten werken tegen verdiensten die aan [verdachte] moesten worden afgedragen ( [slachtoffer 7] zou slechts een deel terugkrijgen), zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover stond. [slachtoffer 7] was, eenmaal in Nederland, kennelijk volstrekt afhankelijk van verdachte: [slachtoffer 7] had bij haar immers een ‘schuld’ en het was [verdachte] die de vliegreis had geregeld, die haar instrueerde wat [slachtoffer 7] wel en niet kon zeggen bij een controle, die bepaalde waar er gewerkt zou worden en waar er zou worden verbleven; [verdachte] regelde werkelijk alles tot aan werkkleding (etc). aan toe. Ondertussen wilde [verdachte] (om naar het oordeel van de rechtbank voor de hand liggende redenen) niet met [slachtoffer 7] en de andere dames de prostitutiestraat in.

[verdachte] heeft wisselend verklaard. Aanvankelijk heeft zij (in de kern) verklaard van niets te weten: zo zou zij [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] niet eens kennen. Ter terechtzitting, toen het dossier inmiddels gereed was, heeft [verdachte] opeens verklaard dat zij met [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] was meegegaan om zélf in de prostitutie te werken. Deze verklaring is gelet op de andere bewijsmiddelen en het moment waarop deze is afgelegd, volstrekt ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat [verdachte] door middel van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer 7] heeft gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van seksuele uitbuiting (sub 1). Bovendien kan worden bewezen dat zij haar heeft meegenomen om [slachtoffer 7] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3). Voorts kan worden bewezen dat zij [slachtoffer 7] ertoe heeft bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die arbeid of diensten (sub 4). Feit 7 zal dienovereenkomstig bewezen worden verklaard. Verdachte zal van het onderdeel medeplegen worden vrijgesproken omdat niet is gebleken dat [medeverdachte 1] (de veronderstelde medepleger) ten aanzien van [slachtoffer 7] een relevante rol heeft gespeeld.

5.8

Criminele organisatie (feit 8) 45

Algemeen

Aan de verdachte is, net als aan haar medeverdachten46 ten laste gelegd dat zij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Volgens de tenlastelegging bestond de organisatie onder andere uit de verdachte en haar medeverdachten en had deze het oogmerk om misdrijven - mensenhandel en witwassen - te plegen.

Een criminele organisatie - in de zin van artikel 140 Sr - is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Niet vereist is dat men moet hebben samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie.

De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Er is sprake van deelnemen aan een criminele organisatie indien de betrokkene tot de organisatie behoort en een aandeel heeft in (dan wel ondersteunt:) gedragingen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van misdrijven. De deelnemer dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie het oogmerk had om misdrijven te plegen. Niet vereist is dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, dat hij aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen, of dat hij van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

Elke bijdrage aan de organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Dit betekent dat een verdachte ook een strafbare rol in een criminele organisatie kan hebben gespeeld ten aanzien van feiten waarvan hij of zij is vrijgesproken.

Apus-dossier

Uit hetgeen in dit vonnis is overwogen, volgt dat de verdachte zich binnen de onder feit 8 ten laste gelegde periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van mensenhandel. Het Apus-dossier omvat evenwel aanzienlijk meer zaaksdossiers mensenhandel dan de zaaksdossiers waarin ten laste van de verdachte een bewezenverklaring van mensenhandel volgt (in totaal omvat het Apus-onderzoek 21 zaaksdossiers mensenhandel). In een groot aantal van die andere zaaksdossiers komt de rechtbank bij vonnissen van heden tot de slotsom dat sprake is van het (mede)plegen van mensenhandel door één of meerdere medeverdachten.

Uit de verschillende zaaksdossiers blijkt dat de verdachte en/of zijn medeverdachten in voormelde periode allen in één of meerdere gevallen betrokken zijn geweest bij de werving, het vervoer, de huisvesting, de tewerkstelling en/of controle van Hongaarse vrouwen, steeds met het doel hen te laten werken in de raamprostitutie in Den Haag, en daaraan geld te verdienen. Het gaat in vrijwel alle gevallen om zeer jonge vrouwen, veelal uit (de omgeving van) Mohács, die in sociaal en/of financieel problematische omstandigheden verkeerden en onder die omstandigheden, aangespoord door een van de verdachten, besloten in de prostitutie te gaan werken om daarmee goed te verdienen. In de praktijk werden de vrouwen evenwel door de verdachte en/of zijn medeverdachten uitgebuit. De verdachten, op [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] na, hadden zelf geen werk hier in Nederland en leefden van het geld dat door de door hen tewerkgestelde vrouwen werd verdiend en aan hen werd afgedragen, zonder dat hier een reële tegenprestatie tegenover stond. [medeverdachte 3] , en tijdelijk ook [medeverdachte 4] , werkte zelf in de raamprostitutie in dezelfde straat als waar de vrouwen tewerk werden gesteld en konden op die manier hen controleren.

Structuur

Voorheen werd bij een criminele organisatie vooral gedacht aan een organisatie met een hiërarchische structuur. Het besef is gegroeid dat georganiseerde criminaliteit tegenwoordig veeleer bestaat uit een crimineel netwerk, bestaand uit diverse cellen. Iedere cel bestaat op zijn beurt uit een kleine groep. De cellen werken op zich voor zichzelf, maar werken tegelijkertijd onderling flexibel met elkaar samen, ondersteunen elkaar waar nodig en zorgen ook voor vervanging als dat nodig is. Criminele samenwerkingsverbanden worden meestal gevormd door sociale relaties, zoals familie- en vriendschapsbanden en komen regelmatig ook uit hetzelfde herkomstland. Zo ook bij de verdachten binnen het onderzoek Apus. De kernleden van de organisatie bestaan uit vier zussen ( [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ), een broer ( [medeverdachte 2] ) en - op een uitzondering na, te weten [medeverdachte 7] die weduwe is - hun levenspartners ( [medeverdachte 1] , respectievelijk [betrokkene 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] ). Iedere cel bestaat uit een koppel: [medeverdachte 1] is gehuwd met [verdachte] , [betrokkene 7] is de levenspartner van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] is zoals gezegd alleen. De kernleden woonden voordien allemaal in Mohács, Hongarije. Naast deze kernleden zijn er naar het oordeel van de rechtbank nog anderen die op hun manier een bijdrage aan de organisatie hebben gegeven, maar zij worden op dit moment (nog) niet vervolgd. De rechtbank noemt in dit verband de namen van ‘Porky’ (een vaste chauffeur die dames van Hongarije per auto naar Nederland vervoerde), [betrokkene 8] (iemand die met meerdere dames in contact is getreden als tussenpersoon bij het werven) en [betrokkene 4] (idem dito het aanleveren van meisjes). De organisatie is dan ook zeker niet compleet te noemen met slechts deze verdachten.

In een groot aantal zaaksdossiers hebben de verdachten binnen de netwerkcel als ‘stel’ c.q. ‘koppel’, namelijk steeds in nauwe en bewuste samenwerking met hun partner, de vrouwen uitgebuit:

  • -

    [medeverdachte 1] en [verdachte] : [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] ;

  • -

    [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] : [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 3] [slachtoffer 4] ;

  • -

    [betrokkene 7] en [medeverdachte 4] : [slachtoffer 13] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] : [slachtoffer 14] .

Enige uitzondering op het voorgaande is [medeverdachte 7] , die - voor zover hier relevant - niet in nauwe en bewuste samenwerking met een ander handelde.

(Familie)band

Zoals gezegd behoren de verdachten tot dezelfde familie; zij zijn (schoon)broers en (schoon)zusters. De verdachten zelf beweren steeds dat hun onderlinge band helemaal niet zo goed is. [verdachte] zou altijd zijn achtergesteld ten opzichte van haar broer en zussen, [medeverdachte 1] zou zelfs zijn naam hebben gewijzigd omdat hij ten opzichte van de familie [familienaam 2] van een minderwaardige Roma-stam zou komen, de relatie tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zou tot het vriespunt zijn gedaald, omdat de huidige partner van [medeverdachte 5] voorheen de partner was van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] zou zelfs daarom door haar moeder zijn verstoten, [betrokkene 7] moest al vrij snel nadat hij een relatie kreeg met [medeverdachte 4] een langdurige gevangenisstraf in Hongarije uitzitten. Zij zouden onderling nauwelijks contact met elkaar hebben gehad.

De verklaringen van de verdachten met betrekking tot hun slechte familiaire betrekkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. Juist al deze familieleden komen bij justitie (in hetzelfde onderzoek) in beeld op verdenking van mensenhandel. Zij worden er stuk voor stuk van verdacht betrokken te zijn bij het tewerkstellen van overwegend jonge Hongaarse vrouwen in de raamprostitutie in voornamelijk de Doubletstraat te Den Haag in Nederland. Het is ongeloofwaardig dat de naar eigen zeggen getroebleerde familieleden elkaar, duizenden kilometers van huis dan ‘toevallig’ in dezelfde stad tegen zouden zijn gekomen. Deze verklaringen stroken ook in het geheel niet met de feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen. Uit een groot aantal feiten en omstandigheden uit het Apus-dossier blijkt namelijk dat er tussen hen ook daadwerkelijk een (familie)band was, in de zin dat de verdachten bij elkaar verbleven en/of contact hadden. Zo hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] , en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] , tegelijkertijd op verschillende etages van hetzelfde pand47 gewoond, te weten op de adressen [straat 3] respectievelijk [adres 4] te Den Haag.48 Op laatst vermeld adres hebben tegelijkertijd ook [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] verbleven.49 [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] zijn samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] op het adres [straat 3] gezien.50 Ook [medeverdachte 2] is samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] op het adres [straat 3] gezien.51 Voorts zijn bij een controle op de luchthaven Eindhoven [medeverdachte 8] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] samen gezien52; ook [medeverdachte 2] en [betrokkene 7] zijn bij een dergelijke controle samen gezien.53 Dat de verdachten op persoonlijk vlak contact en in elkaars persoonlijk leven interfereerden blijkt onder meer uit een tapgesprek van 18 augustus 2014, waarin [medeverdachte 2] met [medeverdachte 5] belt over haar zoon [naam 2] die door hun beider moeder was opgevangen.54Verder blijkt uit het dossier dat er in de onderhavige periode telefonische contacten zijn tussen (de telefoons van) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] / [medeverdachte 5]55 en tussen (de telefoons van) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] .56Ook is gebleken dat [medeverdachte 2] telefonisch contact onderhield met [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .57 De rechtbank wijst (bij wijze van voorbeeld) nog met name op een gesprek van 8 maart 2014 tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 7] , waarin laatstgenoemde vertelt dat [slachtoffer 13] een klacht over [betrokkene 4] bij de politie heeft ingediend en dat hij blij is dat zij van hem is weggegaan.58

Duurzaamheid

Juist de familieband werkt als cement voor de organisatie en bestendigt het voortbestaan van de organisatie. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat toen het na het negatieve werkadvies van [naam 3] in Nederland fout dreigde te gaan, zes van de negen verdachten ineens actief werden in België; voor welke periode de Belgische rechter ook het bestaan van een criminele organisatie heeft bewezenverklaard ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 4] , [betrokkene 7] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] , maar waar ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] overduidelijk aanwezig waren. De in Nederland bestaande organisatie ging geruisloos over naar België, waarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] nog steeds in Nederland bleven maar toch hun steentje bijdroegen (waarover later meer) en [verdachte] in Hongarije verbleef. De organisatie kreeg in België weer andere netwerkcellen erbij, maar de Belgische rechter heeft aan [medeverdachte 4] , [betrokkene 7] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] in ieder geval een hoofdrol toegedicht.

Werkwijze

Uit de zaaksdossiers komt naar voren dat door de verdachten (al dan niet als ‘stel’) op verschillende punten dezelfde werkwijze werd toegepast. Zo is het in vrijwel alle zaaksdossiers zo, dat door de verdachten (al dan niet op hun initiatief en al dan niet door tussenkomst van een met de verdachten bevriende tussenpersoon) in Hongarije contact werd gelegd met jonge vrouwen. De vrouwen verkeerden nagenoeg allemaal in een slechte financiële positie. Een deel daarvan was al jong moeder geworden en droeg zodoende niet alleen de zorg voor zichzelf, maar ook voor hun jonge kind. Ook zaten er vrouwen bij die juist hun ouders uit de financiële misère wilden helpen, of die uit gebroken gezinnen kwamen of al vanaf jonge leeftijd op slechte voet met hun ouders leefden. Deze vrouwen werd - al dan niet met voorbeelden van vrouwen die dat al deden - verteld hoeveel geld er te verdienen viel met prostitutie in Nederland. Ook bestaan er de voorbeelden van vrouwen ( [slachtoffer 12] , [slachtoffer 2] ) die inmiddels niet beter wisten dan geld te verdienen met prostitutie en die na jarenlang de helft van hun verdiensten te hebben moeten afstaan, blij waren ‘met de deal’ nu slechts € 100 per dag aan verdachten ( [betrokkene 7] en [medeverdachte 4] ) te moeten afdragen; iets dat moest om überhaupt ‘toegang tot de straat’ te hebben. De vrouwen ‘wilden’ uiteindelijk in het buitenland in de prostitutie werken, opdat zij er financieel beter van zouden worden. Vervolgens werden financiële afspraken met deze vrouwen gemaakt die er in een groot aantal gevallen op neer kwamen dat de vrouwen de helft van hun verdiensten59 of een vast bedrag per dag zouden moeten afstaan. De vrouwen werden door of met (financiële) hulp van de verdachten vanuit Hongarije naar Nederland vervoerd. De kosten van vervoer dienden (evenals andere onkosten) vervolgens door de vrouwen aan de verdachten te worden terugbetaald uit hun verdiensten van hun prostitutiewerk. Eenmaal in Nederland werden de vrouwen ondergebracht op een adres waar ook de verdachten woonden en bleek er geregeld sprake te zijn van een grotere ‘schuld’ die moest worden terugbetaald. In een groot aantal gevallen werden de vrouwen ondergebracht in het pand [adres 4] / [straat 3] Den Haag, een pand dat kennelijk door de verdachten werd gebruikt als ‘uitvalsbasis’ in Nederland ten behoeve van de prostitutie van de vrouwen. Na aankomst in Nederland werden de vrouwen (al dan niet met behulp van een ‘ervaren’ prostituee zoals [slachtoffer 2] ) veelal op de dag na aankomst naar de prostitutiestraat gebracht. Zij kregen van de verdachten een telefoon mee, waarmee zij niet konden bellen, maar waarop zij slechts gebeld konden worden en waarop zij steeds door hen gebeld werden teneinde te controleren of zij wel genoeg verdienden, dan wel om hen aan te sporen om meer te verdienen.60 De vrouwen gaven hun verdiensten uit de prostitutie af aan de verdachten en zagen daar in een groot aantal gevallen niets van terug.

In elk zaaksdossier is te zien dat sprake is van exclusiviteit. De vrouwen werden nooit op hetzelfde moment door meerdere stellen tegelijk uitgebuit. Door verschillende getuigen wordt ook verklaard dat vrouwen bij ‘de [familienaam] ’, ‘de [betrokkene 7] ’s’ of de ‘ [medeverdachte 8] ’ hoorden. Daaraan ligt de kennelijke afspraak ten grondslag dat de verdachten zich in beginsel niet met ‘elkaars’ vrouwen bemoeiden als ‘baas’. De rechtbank wijst in dit verband op de verklaring van [slachtoffer 12] bij de rechter-commissaris:61[alias slachtoffer 8] [ [slachtoffer 8] ] hoorde bij [slachtoffer 10] . Zij waren samen. [alias slachtoffer 8] werkte voor [slachtoffer 10] , daarom regelde zij hun zaken samen, buiten onze aanwezigheid. Ik regelde mijn zaken met [medeverdachte 5] ook niet in aanwezigheid van een ander. (…) We hebben daarover gesproken met [medeverdachte 5] en haar man en zij zeiden dat het onze zaken waren en dat de zaken van [alias slachtoffer 8] [slachtoffer 10] aangaan.” en op de verklaring van [slachtoffer 15] bij de politie:62 “Elk meisje hoorde bij een bepaalde vrouw. En degene met wie je was bepaalde eigenlijk de werktijden en daar kon je ook terecht met problemen of geldzaken.”

Samenwerking

Uit verschillende feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachten ook buiten hun ‘koppel’ met elkaar (dan wel met andere koppels) samenwerkten of ondersteuning boden ten behoeve van de uitbuiting van de vrouwen. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende voorbeelden:

- Uit de telefonische contacten zoals hiervoor vermeld onder het kopje ‘(Familie)band’ blijkt dat de verdachten onderling afstemden en (telefonisch) overleg hadden ten behoeve van hun activiteiten. Uit de telefonische contacten van [medeverdachte 2] in maart 2014 blijkt in het bijzonder dat hij bij afwezigheid van de medeverdachten die op dat moment in België waren opgepakt de ‘zorg’ op zich nam voor één van de vrouwen ( [slachtoffer 9] ) die voor die medeverdachten werkte. [medeverdachte 2] stemde dit af met andere medeverdachten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de verdachten klaarblijkelijk voor elkaar ‘insprongen’ indien er sprake was van een noodsituatie.

- Uit een OVC-gesprek van 1 augustus 2014 komt naar voren dat [medeverdachte 2] zich - op het moment dat de [betrokkene 7] ’s en de [medeverdachte 8] vastzaten - zich ook bezig hield met het ‘screenen’ van een door een vriend van hem aangedragen vrouw met het oog op een mogelijke tewerkstelling in Nederland.63

- [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben verklaard dat zij door [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Nederland zijn vervoerd en dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (die volgens [slachtoffer 6] ook meisjes naar Nederland brachten), op dat moment in een andere auto met hen naar Nederland reden.64 Die verklaringen worden ondersteund door de mutatie van 6 januari 2012 waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] - kennelijk kort na aankomst in Nederland - samen met [medeverdachte 2] op het adres [straat 3] te Den Haag zijn gezien. Klaarblijkelijk werd er door de verdachten samen gereisd.

- [slachtoffer 8] , die voor [medeverdachte 7] werkte, is na aankomst in Nederland door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] opgehaald met een auto die werd bestuurd door [medeverdachte 8] . Hij is ook degene geweest die [slachtoffer 8] naar de prostitutiestraat heeft gebracht. [medeverdachte 4] heeft voor [slachtoffer 8] de kamer in de straat geregeld.65

- [slachtoffer 15] , die ten behoeve van [medeverdachte 4] in Nederland zou gaan werken, werd in Eindhoven samen met [medeverdachte 4] opgehaald door [verdachte] en [medeverdachte 1] .66

- [slachtoffer 12] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] haar zus [medeverdachte 7] instrueerde over hoe zij met het voor haar werkende meisje ( [slachtoffer 8] ) moest omgaan, omdat zij anders weg zou kunnen lopen.67

- [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het geld dat zij in 2010 dagelijks aan [medeverdachte 1] moest afdragen voor hem meenamen naar Hongarije68 en ook dat zij door Klaudia gecontroleerd werd of zij wel genoeg verdiende69

- [slachtoffer 2] heeft verklaard dat toen de Nederlandse politie naar haar was toegekomen, en haar was verteld dat zij een verklaring moest afleggen, zij dit aan de [betrokkene 7] ’s had verteld die haar vervolgens smeekten om geen verklaring af te leggen over [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ze zouden [slachtoffer 2] naar België brengen, daar een werkkamer regelen en vanaf dat moment zou zij vrij zijn.70

- Er werd een competitie tussen de verdachten gevoerd, kennelijk met het doel de opbrengsten van de vrouwen te verhogen. Zo heeft [slachtoffer 15] verklaard dat [medeverdachte 4] enerzijds, en [medeverdachte 1] en [verdachte] anderzijds, [slachtoffer 15] en [slachtoffer 2] een ‘wedstrijd’ hebben laten voeren.71 Dit wordt bevestigd door [slachtoffer 2] die daarover verklaarde dat zij als een ‘wedstrijdpaard’ werd behandeld.72 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het leek alsof [medeverdachte 1] een wedstrijd met [medeverdachte 8] deed wie het meest verdiende.73

- [slachtoffer 13] heeft verklaard dat zij haar dagelijkse € 100 aan [medeverdachte 7] moest betalen op momenten dat [betrokkene 7] en [medeverdachte 4] niet in Nederland waren.74 [medeverdachte 7] heeft via Western Union een bedrag van € 1600 gestuurd naar [betrokkene 7] . Het betrof de verdiensten van [slachtoffer 13] die aan [betrokkene 7] dienden te worden afgedragen.75

- Uit tapgesprekken76 en de verklaring van [slachtoffer 11]77 daarover blijkt dat [medeverdachte 3] geld van [slachtoffer 11] dat bestemd was voor [medeverdachte 5] , die op dat moment in België verbleef, moest ophalen.

- [medeverdachte 7] heeft in deze periode eten gekookt voor de Hongaarse vrouwen die voor de organisatie in de prostitutiestraat werkten. De vrouwen konden deze maaltijden op de werkplek tegen betaling van haar afnemen en daar nuttigen78; ook met het eten werd aldus zo min mogelijk tijdverlies geleden en dus verdiencapaciteit bespaard.

- De jonge vrouwen [slachtoffer 12] en [slachtoffer 2] zijn nadat zij door het ene koppel (de [medeverdachte 8] ’s respectievelijk de [familienaam] ) waren uitgebuit waarbij zij 50% van hun verdiensten moesten afstaan, onder de vleugels van [betrokkene 7] gekomen waar zij ‘tot hun opluchting’ slechts € 100 per dag moesten afdragen.

Conclusie: sprake van deelnemen aan een criminele organisatie?

Voorgaande feiten en omstandigheden laten het beeld zien van een familie die vanuit Hongarije in Den Haag is neergestreken met het kennelijke doel geld te verdienen met de uitbuiting van jonge vrouwen in de prostitutie. De verdachten, niet alleen door familiebanden maar ook in de praktijk met elkaar verbonden, opereerden als een samenwerkingsverband dat erop was gericht de verdachten zoveel mogelijk te laten verdienen met mensenhandel, om vervolgens van deze verdiensten te leven.

Zo werd gebruik gemaakt van een gezamenlijke ‘uitvalsbasis’ waar vrouwen werden gehuisvest en van waaruit vrouwen naar de prostitutiestraat konden worden gestuurd en er werd geopereerd in koppels die (kennelijk volgens afspraak) exclusief aan een vrouw waren verbonden. Door de verdachten werd op eenzelfde wijze tewerk gegaan, en op verschillende specifieke punten samengewerkt, overlegd en/of waar nodig ‘ingesprongen’.

De rechtbank realiseert zich dat verschillende van de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden stammen uit een periode die niet is ten laste gelegd, of uit een periode ter zake waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard. Dat kan echter niet wegnemen dat die feiten en omstandigheden relevant blijven voor de beoordeling van de activiteiten van de verdachten in de periode waarover door de rechtbank wél een bewijsbeslissing wordt genomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was het plegen van mensenhandel en witwassen, dat verdachte behoorde tot die organisatie en een aandeel heeft gehad in gedragingen (of deze gedragingen ondersteunde) die strekten tot of rechtsreeks verband hielden met de verwezenlijking van vorenbedoeld oogmerk. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte aan deze criminele organisatie heeft deelgenomen.

Deelnemers aan de organisatie en hun rol daarin

De rechtbank acht bewezen dat aan de criminele organisatie in elk geval deel hebben genomen verdachte alsmede zijn medeverdachten. Zij hebben - behalve wat reeds volgt uit hetgeen ten laste van ieder van hen afzonderlijk bewezen is verklaard - op hoofdlijnen de volgende rol binnen de organisatie gehad:

[medeverdachte 1]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

[verdachte]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

[medeverdachte 8]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

[medeverdachte 5]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

[betrokkene 7]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

[medeverdachte 4]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

[medeverdachte 7]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

  • -

    verdiensten doorsluizen

  • -

    koken tegen betaling

[medeverdachte 2]

  • -

    werven

  • -

    vervoeren

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

  • -

    verdiensten doorsluizen

[medeverdachte 3]

  • -

    organiseren van huisvesting en tewerkstelling

  • -

    controleren

  • -

    verdiensten doorsluizen

6 De bewezenverklaring.

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat zij:

1.

ZD [slachtoffer 1]

in de periode 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2012 te in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander

een ander te weten [slachtoffer 1] , telkens door dwang, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1)

en

- heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 1] ’, seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele

uitbuiting van die [slachtoffer 1] , (sub 6)

en

- [slachtoffer 1] heeft mede genomen met het oogmerk om die [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader

- die [slachtoffer 1] meegenomen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 1] vanuit Hongarije naar Nederland teneinde die [slachtoffer 1] in Nederland als prostituee te laten werken en

- die [slachtoffer 1] verteld dat zij de helft van haar inkomsten uit de prostitutie zelf mocht houden en

- woonruimte voor die [slachtoffer 1] geregeld en

- voor die [slachtoffer 1] een werkkamer laten regelen, en

- een werktelefoon voor die [slachtoffer 1] geregeld en

- die [slachtoffer 1] naar haar werkplek vervoerd en

- die [slachtoffer 1] als prostituee laten werken en

- die [slachtoffer 1] als prostituee gedwongen en bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- die [slachtoffer 1] verteld dat zij een minimum geldbedrag per dag moest verdienen en

- die [slachtoffer 1] gecontroleerd en

- die [slachtoffer 1] gedwongen en bewogen om haar verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of haar mededader af te staan en/of af te dragen en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij een schuld van 5000 euro of daaromtrent bij haar, verdachte had;

2.

ZD [slachtoffer 2]

zij in de periode 1 maart 2011 tot en met 01 oktober 2012 in Nederland en/of in Hongarije tezamen en in vereniging met een ander

een ander, te weten [slachtoffer 2] , telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1)

en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en

- heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 2] ’, seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 6)

en

- [slachtoffer 2] heeft mede genomen en aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader

- die [slachtoffer 2] vanuit Hongarije en/of Duitsland naar Nederland meegenomen en/of laten komen teneinde die [slachtoffer 2] in Nederland als prostituee te laten werken en

- woonruimte voor die [slachtoffer 2] geregeld en

- voor die [slachtoffer 2] een werkkamer geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en

- die [slachtoffer 2] als prostituee laten werken en

- die [slachtoffer 2] bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- die [slachtoffer 2] bewogen om een groot gedeelte van haar verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of zijn mededader af te staan en/of af te dragen en

- die [slachtoffer 2] emotioneel in een afhankelijkheidspositie gebracht door bij die [slachtoffer 2] de indruk te wekken dat verdachte en haar mededader familie van die [slachtoffer 2] waren en

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij 4000 euro moest betalen als zij bij verdachte en haar mededader weg wilde gaan;

5.

ZD [slachtoffer 5]

zij in de periode 31 december 2011 tot en met 09 januari 2012 in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander

een ander, te weten [slachtoffer 5] , telkens door dwang, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 5] (sub 1)

en

- heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 5] ’s, seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en

- [slachtoffer 5] heeft mede genomen en aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 5] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of zijn mededader

- die [slachtoffer 5] meegenomen vanuit Hongarije naar Nederland teneinde die [slachtoffer 5] in Nederland als prostituee te laten werken en

- die [slachtoffer 5] verteld dat zij in Nederland geld kan verdienen en

- woonruimte voor die [slachtoffer 5] geregeld en

- voor die [slachtoffer 5] een werkkamer laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en

- die [slachtoffer 5] naar haar werkplek vervoerd en

- een werktelefoon voor die [slachtoffer 5] geregeld en

- die [slachtoffer 5] als prostituee laten werken en

- die [slachtoffer 5] gecontroleerd en laten controleren en

- die [slachtoffer 5] aangespoord om meer geld te verdienen en

- die [slachtoffer 5] gedwongen en bewogen om (een gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of haar mededader af te staan en/of af te dragen;

6.

ZD [slachtoffer 6]

zij in de periode 1 december 2011 tot en met 30 januari 2012 in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

een ander te weten [slachtoffer 6] , telkens door dwang, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 6] (sub 1)

en

- heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 6] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 6] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 6] , (sub 6)

en

- [slachtoffer 6] heeft mede genomen en aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 6] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader

- die [slachtoffer 6] meegenomen vanuit Hongarije naar Nederland teneinde die [slachtoffer 6] in Nederland als prostituee te laten werken en

- voor die [slachtoffer 6] een werkkamer laten regelen en

- een werk telefoon voor die [slachtoffer 6] geregeld en

- de eigen telefoon van die [slachtoffer 6] afgepakt en

- die [slachtoffer 6] als prostituee laten werken en

- die [slachtoffer 6] als prostituee gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en

- tegen die [slachtoffer 6] geschreeuwd en

- die [slachtoffer 6] gecontroleerd en

- die [slachtoffer 6] gedwongen, althans bewogen om haar verdiensten uit de prostitutie aan haar verdachte en/of haar mededader af te staan en/of af te dragen en

- bepaald hoeveel die [slachtoffer 6] minimaal per dag moest verdienen in de prostitutie en

- aan die [slachtoffer 6] gezegd dat zij een schuld bij haar verdachte en/of haar mededader had die zij moest terugbetalen;

7.

ZD [slachtoffer 7]

Zij in de periode 1 januari 2013 tot en met 30 januari 2013 te in Nederland en/of in Hongarije

een ander te weten naam [slachtoffer 7] , telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

- heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 7] (sub 1)

en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 7] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en

[slachtoffer 7] heeft mede genomen en aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 7] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

immers heeft zij, verdachte,

- bepaald dat die [slachtoffer 7] in de prostitutie moest gaan werken en

- die [slachtoffer 7] meegenomen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 7] vanuit Hongarije naar Nederland teneinde die [slachtoffer 7] in Nederland als prostituee te laten werken en

- die [slachtoffer 7] verteld dat zij de verdiensten van haar inkomsten uit de prostitutie af moest geven en

- woonruimte voor die [slachtoffer 7] geregeld en

- geld voor een werkkamer aan [slachtoffer 7] gegeven en

- die [slachtoffer 7] naar haar werkplek vervoerd en

- tegen die [slachtoffer 7] gezegd wat zij bij een controle moest zeggen;

8.

ZD Criminele Organisatie

zij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 13 maart 2014, in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Hongarije heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het plegen van

-mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht,

en

-witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

8 De strafbaarheid van de verdachte.

De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

9 De strafoplegging.

9.1

De vordering van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officieren van justitie hebben zich hierbij gebaseerd op de richtlijn van het openbaar ministerie inzake mensenhandel en hebben daarbij als strafverzwarende omstandigheid rekening gehouden met de deelname aan een criminele organisatie. Als strafverminderende omstandigheid hebben de officieren van justitie rekening gehouden met de ouderdom van de feiten.

9.2

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit, in geval van een veroordeling, de duur van de op te leggen straf te beperken tot de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging heeft hiertoe onder meer gewezen op de lange duur van de voorlopige hechtenis en de bijzonder beperkende schorsing daarvan in Hongarije.

Ten slotte heeft de verdediging primair verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, subsidiair de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan het onherroepelijk worden van de uitspraak.

9.3

Het oordeel van de rechtbank.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, en in overeenstemming met de straffen die naar het oordeel van de rechtbank in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd. In het bijzonder wordt het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het - in georganiseerd verband - uitbuiten van meerdere jonge vrouwen in de prostitutie. Het merendeel van de vrouwen, allen afkomstig uit Hongarije, wilden, vaak uit economische noodzaak, in de prostitutie gaan werken. Hen werd voorgehouden dat zij op een eenvoudige manier geld konden verdienen in Den Haag, maar dat een afspraak omtrent de verdeling van hun inkomsten uit hun prostitutiewerk noodzakelijk was. Die afspraak kwam er (vrijwel) steeds op neer dat de vrouwen een vast bedrag per dag moesten afdragen, of de helft van hun verdiensten.

Daarmee maakte de verdachte misbruik van de vaak deplorabele omstandigheden van de vrouwen, die, eenmaal aangekomen in Den Haag - voor zover zij dat al niet waren - volstrekt afhankelijk van de verdachte waren, onder meer omdat zij in een voor hen vreemd land waren en de taal niet spraken.

Ook door het afdragen van hun inkomsten raakten de vrouwen in een min of meer afhankelijke positie ten opzichte van de verdachte. De verdachte valt aan te rekenen dat zij, puur uit persoonlijk winstbejag, deze jonge vrouwen heeft uitgebuit. De verdachte heeft hierdoor een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van de slachtoffers en heeft daarmee grove inbreuk gemaakt op hun fundamentele rechten. De menselijke waardigheid en persoonlijke vrijheid van de slachtoffers zijn hen door de verdachte ontnomen. De verdachte heeft door haar handelen getoond geen enkel respect te hebben gehad voor de slachtoffers. Het gestructureerde en georganiseerde verband waarbinnen de verdachte opereerde maakt dat sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het licht van de ernst van de feiten, slechts worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 mei 2016 dat (ten behoeve van de raadkamer gevangenhouding van deze rechtbank) over de verdachte is opgesteld, en op hetgeen zij ter zitting over haar persoonlijke omstandigheden heeft verklaard.

Gebleken is dat tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, de beperkingen die aan de verdachte waren opgelegd ten onrechte op andere wijze (aanmerkelijk verzwarend) zijn toegepast door de lokale, Hongaarse autoriteiten. Gelet hierop, en de lange duur van deze verzwaarde beperkingen, zal de rechtbank de duur van de op te leggen straf beperken met twee maanden.

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Op grond van dit arrest beoordeelt de rechtbank of sprake is van overschrijding, in welke mate dat heeft plaatsgevonden en wat daarvan het gevolg moeten zijn.

Uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid waarvan de redelijkheid van de duur afhankelijk is, is onder meer de ingewikkeldheid van de zaak. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, handelend naar bevind van zaken, een korting van 10% toepassen op de op te leggen straf.

Alles afwegende, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 41 maanden.

Voorlopige hechtenis

Namens de verdediging is verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen c.q. de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren. De rechtbank wijst deze verzoeken niet toe. Gelet op voormelde bewezenverklaring is sprake van ernstige bezwaren. Ook is nog steeds sprake van de twaalfjaarsgrond en van recidivegevaar. Gelet op de op te leggen straf is de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv niet aan de orde. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte wegen niet (meer) op tegen het belang van strafvordering. De voornaamste reden om de voorlopige hechtenis destijds te schorsen (kort gezegd: onzekerheid over het moment waarop vonnis zou worden gewezen) is met het vonnis van vandaag immers weggevallen. Ook overigens wegen de persoonlijke omstandigheden niet zwaar genoeg om de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen.

10 De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel.

10.1

De vorderingen.79

De volgende aangeefsters hebben zich ten aanzien van de verschillende feiten als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  • -

    [slachtoffer 1] (feit 1), met een vordering ten bedrage van € 20.500,00, bestaande uit materiële schade (€ 13.000,00) en immateriële schade (€ 7.500,00);

  • -

    [slachtoffer 2] (feit 2), met een vordering ten bedrage van € 150.000,00, bestaande uit materiële schade (€ 140.000,00) en immateriële schade (€ 10.000,00);

  • -

    [slachtoffer 3] (feit 3), met een vordering ten bedrage van € 17.000,00, bestaande uit materiële schade (€ 12.000,00) en immateriële schade (€ 5.000,00);

  • -

    [slachtoffer 5] (feit 5), met een vordering ten bedrage van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade;

  • -

    [slachtoffer 6] (feit 6), met een vordering ten bedrage van € 3.050,00, bestaande uit materiële schade (€ 550,00) en immateriële schade (€ 2.500,00);

  • -

    [slachtoffer 7] (feit 7), met een vordering ten bedrage van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade.

Ten aanzien van alle vorderingen geldt dat gevorderd is deze hoofdelijk toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente.

10.2

De conclusie van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben, gelet op de gerekwireerde vrijspraak, geconcludeerd dat [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering. Ten aanzien van de overige vorderingen hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen zowel ten aanzien van de materiële schade als ten aanzien van de immateriële schade voldoende onderbouwd zijn. Zij hebben geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde bedragen en daarbij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.3

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair, gelet op de bepleite vrijspraken, op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de in de vorderingen gehanteerde berekeningen van de materiële en immateriële schade gebaseerd zijn op onjuistheden. De vorderingen zijn onvoldoende onderbouwd en zowel de materiële als de immateriële schade zijn niet eenvoudig zijn vast te stellen. De vorderingen leveren dan ook een onevenredige belasting op van het strafproces en dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de vorderingen aanzienlijk te matigen.

10.4

Het oordeel van de rechtbank.

De vordering van [slachtoffer 3]

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het feit waarop deze vordering betrekking heeft, te weten het onder 3 ten laste gelegde feit, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat deze benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

De vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

Materiële schade

De gevorderde bedragen zijn door de verdediging inhoudelijk betwist. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van de onder 1, 2 en 6 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] en heeft hiervoor reeds vastgesteld dat zij (een deel van) de opbrengst aan de verdachte hebben afgestaan.

De rechtbank acht de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen, die zijn gebaseerd op de verklaringen van de aangeefsters en in het licht van de overige bewijsmiddelen in het dossier niet onaannemelijk zijn, in beginsel voldoende onderbouwd.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] zal de rechtbank het gevorderde bedrag aan materiële schade geheel toewijzen.

De rechtbank heeft de door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] gevorderde bedragen enigszins gematigd.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] heeft de rechtbank onderscheid gemaakt tussen de afgestane bedragen van de 1e periode dat zij werkzaam was en de 2e periode dat zij werkzaam was. De rechtbank zal voor de 1e periode uitgaan van 24 dagen (4 weken maal 6 dagen) dat zij 50 euro heeft afgestaan en voor de 2e periode gaat de rechtbank uit van een gewerkte periode van 12 maanden (52 weken), waarin zij 6 dagen per week gemiddeld dagelijks 350 euro heeft afgestaan.

Ten aanzien van [slachtoffer 6] heeft de rechtbank de in de vordering gehanteerde berekening aangepast aan de opbrengsten van het werken in de 25-euro straat.

De rechtbank zal daarom de volgende bedragen toewijzen als vergoeding van de materiële schade:

[slachtoffer 1] : € 13.000,00;

[slachtoffer 2] : € 110.400,00;

[slachtoffer 6] : € 50,00;

Immateriële schade

De gevorderde bedragen zijn door de verdediging inhoudelijk betwist. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] schade hebben geleden als rechtstreeks gevolg van de onder 1, 2, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten. Het betreft mensenhandel ten aanzien van vijf (jonge) Hongaarse vrouwen. Zij zijn vanuit Hongarije naar Nederland gekomen om in de prostitutie te werken, terwijl zij de Nederlandse taal niet spraken en zij geen financiële middelen hadden toen zij hier kwamen. De verdachte heeft misbruik gemaakt van hun kwetsbare positie en van zijn uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de inbreuk op de fysieke integriteit die samenhangt met de seksuele handelingen en het gevoel van onmacht om zichzelf uit de situatie te onttrekken bij de slachtoffers psychische schade veroorzaken.

Gelet op het voorgaande - en rekening houdend met de verschillende zaakgerelateerde omstandigheden - is de rechtbank van oordeel dat de volgende bedragen aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar zijn, aangezien de rechtbank de vorderingen - mede gelet op hetgeen in soortgelijke zaken wordt toegekend - tot deze bedragen voldoende onderbouwd acht:

[slachtoffer 1] : € 2.000,00;

[slachtoffer 2] : € 10.000,00;

[slachtoffer 5] : € 1.000,00;

[slachtoffer 6] : € 1.250,00;

[slachtoffer 7] : € 500,00.

Conclusie

De rechtbank zal daarom de volgende bedragen hoofdelijk (met uitzondering van [slachtoffer 7] ) toewijzen als vergoeding van de materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum dat de vorderingen zijn ingediend:

- [slachtoffer 1] : (€ 13.000,00 + € 2.000,00 =) € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018;

- [slachtoffer 2] (€ 110.400,00 + € 10.000,00 = ) € 120.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018;

- [slachtoffer 5] : € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018;

- [slachtoffer 6] : (€ 50,00 + € 1.250,00 =) € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018.

- [slachtoffer 7] : € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018.

De rechtbank zal de benadeelde partijen voor wat betreft de overige gevorderde bedragen (materieel en immaterieel) niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen.

Kosten

Aangezien de vorderingen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Omdat de verdachte voor de onder 1, 2, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en zij jegens [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk (met uitzondering van [slachtoffer 7] ) de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het hiervoor genoemde toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, ten behoeve van de desbetreffende slachtoffers.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 140 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 5, 6 , 7 en 8 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 5:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 6:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 7:

mensenhandel;

ten aanzien van feit 8:

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 41 (eenenveertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

  • -

    [slachtoffer 1] : een bedrag van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018;

  • -

    [slachtoffer 2] : een bedrag van € 120.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018;

  • -

    [slachtoffer 5] : een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018;

  • -

    [slachtoffer 6] : een bedrag van € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] voor het overige niet ontvankelijk zijn in de vordering;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van:

  • -

    € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

  • -

    € 120.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

  • -

    € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018, ten behoeve van [slachtoffer 5] ;

  • -

    € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018, ten behoeve van [slachtoffer 6] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 110, 365, 20 respectievelijk 23 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of een van haar mededader(s) aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte en/of haar mededader(s) aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

[slachtoffer 7]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 2018, ten behoeve van [slachtoffer 7];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] in zoverre doet vervallen;

[slachtoffer 3]

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. J. Schiffers-Hanssen, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. A. Schaap en mr. M. C. Bruins, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2018.

mr. Bruins is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

ZD Tunde

zij in of omstreeks de periode 1 juni 2010 tot en met 31 mei 2012 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 1] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 1] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling (en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

- heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 1] , (sub 6)

en/of

- [slachtoffer 1] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 1] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 1] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 1] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 1] verteld dat zij de helft van haar inkomsten uit de prostitutie zelf mocht houden en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 1] geregeld en/of

- voor die [slachtoffer 1] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen, althans geld voor (een) werkkamer(s) aan die [slachtoffer 1] gegeven en/of

- een (werk) telefoon voor die [slachtoffer 1] geregeld en/of

- die [slachtoffer 1] naar haar werkplek vervoerd en/of

- die [slachtoffer 1] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 1] als prostituee gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of

- die [slachtoffer 1] verteld dat zij tenminste een minimum geldbedrag per dag moest verdienen en/of

- die [slachtoffer 1] gecontroleerd en/of laten controleren en/of

- die [slachtoffer 1] gedwongen, althans bewogen om (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- die [slachtoffer 1] bedreigd door tegen haar te zeggen dat zij geslagen zou worden en/of dat als haar leven haar wat waard was zij naar hen moest luisteren en/of dat het beter was dat ook haar moeder zich ergens verstopte en/of dat haar moeder en/of kind in de problemen zouden komen als zij zou vluchten en/of

- die [slachtoffer 1] geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] (emotioneel) in een afhankelijkheidspositie gebracht door bij die [slachtoffer 1] de indruk te wekken dat hij/zij verdachte en/of zijn haar mededader(s) familie van die [slachtoffer 1] waren en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij een schuld (van 5000 euro of daaromtrent) bij hem/haar verdachte had;

2.

ZD [slachtoffer 2]

zij in of omstreeks de periode 1 november 2010 tot en met 23 december 2010 en de periode 01 maart 2011 tot en met 01 oktober 2012 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling (en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

- heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 2] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 2] (sub 6)

en/of

- [slachtoffer 2] heeft /hebben mede genomen en/of heeft hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 2] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 2] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije en/of Duitsland naar Nederland en/of die [slachtoffer 2] vanuit Hongarije en/of Duitsland naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 2] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 2] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Nederland naar Duitsland teneinde die [slachtoffer 2] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 2] geregeld en/of

- voor die [slachtoffer 2] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [slachtoffer 2] naar haar werkplek vervoerd en/of

- die [slachtoffer 2] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 2] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of

- die [slachtoffer 2] gecontroleerd en/of laten controleren en/of

- die [slachtoffer 2] gedwongen althans bewogen om een (groot) gedeelte van haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] geschreeuwd en/of

- die [slachtoffer 2] bedreigd door tegen haar te zeggen dat zij in één stad woonden en dat die [slachtoffer 2] haar vrienden en familie daar ook had en/of dat haar gezicht zal worden verminkt en/of

- die [slachtoffer 2] (emotioneel) in een afhankelijkheidspositie gebracht door bij die [slachtoffer 2] de indruk te wekken dat hij/zij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s) familie van die [slachtoffer 2] waren en/of

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat zij 4000 euro, althans een geldbedrag moest betalen als zij bij hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) weg wilde gaan;

3.

ZD [slachtoffer 3]

zij in of omstreeks de periode 1 november 2011 tot en met 26 februari 2012 te Den Haag en/of Utrecht en/of Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 3] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 3] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 3] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling (en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

- heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 3] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en/of

B)(telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 3] (sub 6)

en/of

- [slachtoffer 3] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 3] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 3] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 3] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 3] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 3] verteld dat zij in Nederland in de bloemenbranche en/of groenteteelt zou gaan werken en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 3] geregeld en/of

- het identiteitsbewijs door die [slachtoffer 3] laten afgeven en/of

- voor die [slachtoffer 3] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [slachtoffer 3] naar haar werkplek vervoerd en/of

- een (werk)telefoon voor die [slachtoffer 3] geregeld en/of

- die [slachtoffer 3] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 3] gecontroleerd en/of laten controleren en/of

- die [slachtoffer 3] gedwongen, althans bewogen om (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- die [slachtoffer 3] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of bepaald hoeveel die [slachtoffer 3] minimaal per dag moest verdienen in de prostitutie en/of

- die [slachtoffer 3] in een woning opgesloten en/of haar bewegingsvrijheid beperkt en/of

- die [slachtoffer 3] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of aan haar haren getrokken en/of

- aan die [slachtoffer 3] gezegd dat zij een schuld bij hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) had die zij moest terugbetalen en/of

- tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat zij moest bedenken dat zij moest werken in de prostitutie als zij ooit nog naar huis wilde en haar zoon nog wilde zien;

4.

ZD [slachtoffer 4]

zij in of omstreeks de periode 1 december 2011 tot en met 9 januari 2012 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten [slachtoffer 4] , terwijl die [slachtoffer 4] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, telkens

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 4] (sub 2°)

en/of

- [slachtoffer 4] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 4] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer 4] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°)

en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die/een ander of anderen, te weten [slachtoffer 4] , met en/of voor een derde tegen betaling (sub 8°), terwijl die [slachtoffer 4] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)

- die [slachtoffer 4] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 4] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 4] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 4] geregeld en/of

- die [slachtoffer 4] heeft vervoerd en/of

- die [slachtoffer 4] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 4] (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) heeft laten afstaan en/of afdragen;

5.

ZD [slachtoffer 5]

zij in of omstreeks de periode 31 december 2011 tot en met 09 januari 2012 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A) een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 5] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 5] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 5] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

- heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 5] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 5] , (sub 6)

en/of

- [slachtoffer 5] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 5] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 5] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 5] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 5] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 5] verteld dat zij in Nederland (veel) geld kan verdienen en/of (daarmee) een woning zou kunnen kopen en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 5] geregeld en/of

- voor die [slachtoffer 5] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen alwaar zij zich kon prostitueren en/of

- die [slachtoffer 5] naar haar werkplek vervoerd en/of

- een (werk)telefoon voor die [slachtoffer 5] geregeld en/of

- die [slachtoffer 5] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 5] gecontroleerd en/of laten controleren en/of

- die [slachtoffer 5] aangespoord om meer geld te verdienen en/of

- die [slachtoffer 5] in een woning opgesloten en/of haar bewegingsvrijheid beperkt en/of

- die [slachtoffer 5] gedwongen, althans bewogen om (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn haar mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat het werken in de prostitutie de enige manier was om naar huis te kunnen gaan en/of dat er problemen zouden zijn als die [slachtoffer 5] niet genoeg geld zou verdienen;

6.

ZD [slachtoffer 6]

zij in of omstreeks de periode 1 december 2011 tot en met 30 januari 2012 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 6] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 6] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 6] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling (en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 6] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

- heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van zijn/haar/hun, [slachtoffer 6] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9)

en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 6] , (sub 6)

en/of

- [slachtoffer 6] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 6] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 6] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 6] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 6] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 6] verteld dat ze in de keuken zou werken en/of

- die [slachtoffer 6] verteld dat zij de helft van haar inkomsten uit de prostitutie zelf mocht houden en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 6] geregeld en/of

- voor die [slachtoffer 6] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen, althans geld voor (een) werkkamer(s) aan die [slachtoffer 6] gegeven en/of

- een (werk) telefoon voor die [slachtoffer 6] geregeld en/of

- de eigen telefoon van die [slachtoffer 6] afgepakt en/of

- die [slachtoffer 6] naar haar werkplek vervoerd en/of

- die [slachtoffer 6] als prostituee laten werken en/of

- die [slachtoffer 6] als prostituee gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of

- tegen die [slachtoffer 6] geschreeuwd en/of

- die [slachtoffer 6] gecontroleerd en/of laten controleren en/of

- die [slachtoffer 6] gedwongen, althans bewogen om (een groot gedeelte van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) af te staan en/of af te dragen en/of

- die [slachtoffer 6] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te werken in de prostitutie en/of bepaald hoeveel die [slachtoffer 6] minimaal per dag moest verdienen in de prostitutie en/of

- aan die [slachtoffer 6] gezegd dat zij een schuld bij hem/haar verdachte en/of zijn/haar mededader(s) had die zij moest terugbetalen;

7.

ZD [slachtoffer 7]

Zij in of omstreeks de periode 1 januari 2013 tot en met 30 januari 2013 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)een ander of anderen, te weten naam [slachtoffer 7] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 7] had,

- heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 7] (sub 1)

en/of

- heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling (en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes (mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 7] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4)

en/of

B)- [slachtoffer 7] heeft/hebben mede genomen en/of heeft/hebben aangeworven met het oogmerk om die [slachtoffer 7] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

Immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) onder andere

- die [slachtoffer 7] opgesloten in een woning in Mohacs en/of

- de telefoon van die [slachtoffer 7] afgepakt en/of

- bepaald dat die [slachtoffer 7] in de prostitutie moest gaan werken en/of

- die [slachtoffer 7] meegenomen en/of mee laten nemen vanuit Hongarije naar Nederland en/of die [slachtoffer 7] vanuit Hongarije naar Nederland laten komen teneinde die [slachtoffer 7] in Nederland als prostituee te laten werken en/of

- die [slachtoffer 7] verteld dat zij de verdiensten van haar inkomsten uit de prostitutie af moest geven en/of

- het paspoort en/of de ID-kaart van die [slachtoffer 7] onder zich gehouden en/of

- woonruimte voor die [slachtoffer 7] geregeld en/of

- voor die [slachtoffer 7] (een) werkkamer(s) geregeld en/of laten regelen, althans geld voor (een) werkkamer(s) aan die [slachtoffer 7] gegeven en/of

- die [slachtoffer 7] naar haar werkplek vervoerd en/of

- tegen die [slachtoffer 7] gezegd wat zij bij een controle moest zeggen en/of

- die [slachtoffer 7] bedreigd door tegen haar te zeggen dat ze wisten waar ze woonde en/of dat ze haar kinderen niet meer te zien zou krijgen;

8.

ZD Criminele Organisatie

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 13 maart 2014 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of Oostenrijk en/of Duitsland en/of België en/of Hongarije, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het (telkens) plegen van

- mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, en/of

- ( zware) mishandeling, als bedoeld in artikel 300 en/of 302 Wetboek van Strafrecht, en/of

-bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/bedreiging met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht en/of

- witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.

1 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3537.

2 HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3537.

3 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

4 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

5 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.

6 HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2771.

7 HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1100.

8 Hof Arnhem 16 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:7664.

9 HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909; HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:884.

10 HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554.

11 HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235; Hof Arnhem 16 november 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK7664.

12 HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1174.

13 HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van de zaaksdossiers die onderdeel uitmaken van het proces-verbaal met het nummer 2013015642 (Onderzoek APUS (15BRR13060)), van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen.

15 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 2] , d.d. 12 juli 2014, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Nyíregyháza (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 2] /A) p. 4 t/m 15, met bijlage ‘letterlijk uitgewerkt verhoor’ (p. 44 t/m 63); een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 2] , d.d. 16 mei 2014, opgemaakt door de Mobiele Eenheid, Nationaal Opsporingsbureau, Hoofdafdeling Verkenning, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Mohács (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 2] /G) p. 12 t/m 14; proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 2] , d.d. 25 mei 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 6 t/m 77, 98, 109, 110, 112 en 114, 121.

16 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 6] , d.d. 5 april 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 56, 72, 74, 76 en 77.

17 Proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 1 december 2016, nr. 42, 45

18 Een geschrift, te weten een mutatie rapport, (ZD/ [slachtoffer 2] /03/AH) p. 204 en 205.

19 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 2] /AH) p. 5.

20 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 2] /01/AH) p. 11 en 12, met bijlage (p. 13 t/m 203).

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , (ZD/ [slachtoffer 2] /V) p. 96 t/m 102; proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] , d.d. 16 december 2015, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 18 t/m 30, 74, 105 en 106; verklaring van de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 1 en 2 februari 2018.

22 Verklaring van de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 1 februari 2018

23 Proces-verbaal bevindingen verhoor [slachtoffer 1] , (ZD/ [slachtoffer 1] /A), p. 1, met als bijlagen het letterlijk uitgewerkte verhoor van [slachtoffer 1] , op 3 september 2014 in Bolton (Engeland) uitgevoerd door de National Crime Agency in het bijzijn van twee verbalisanten van de Dienst Regionale Recherche van de politie eenheid Den Haag, p. 3 t/m 13 en p. 17 t/m 19 en 23; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , (ZD/ [slachtoffer 1] /A), p. 27 t/m 33; proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 1] , d.d. 23 januari 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 23 t/m 59, 70, 74 en 75.

24 Proces-verbaal verhoor van getuige [betrokkene 4] , d.d. 23 november 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 13 t/m 18, 27, 30, 39, 50, 57, 60, 62, 73, 74, 76, 77, 80 en 100.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , (ZD/ [slachtoffer 1] /G) p. 4.

26 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 2] , d.d. 12 juli 2014, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Nyíregyháza (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 2] /A/Aangifte) p. 15, met bijlage ‘letterlijk uitgewerkt verhoor’ (p. 61 en 62); een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 2] , d.d. 16 mei 2014, opgemaakt door de Mobiele Eenheid, Nationaal Opsporingsbureau, Hoofdafdeling Verkenning, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Mohács (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 2] /G/Getuigen) p. 14; proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 2] , d.d. 25 mei 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 49 en 52 t/m 54.

27 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 1] /AH) p. 1 en 2.

28 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 1] /AH) p. 9, met bijlagen (p. 11 t/m 32).

29 Verklaring van de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 1 februari 2018.

30 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 5] /AH) p. 3 en 4.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige/aangeefster [slachtoffer 5] , (ZD/ [slachtoffer 5] /01/G), p. 334 t/m 341; proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 5] , d.d. 16 mei 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 18, 20 t/m 47, 59 t/m 65, 68 t/m 73, 82 t/m 90 en 93.

32 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 6] , d.d. 6 maart 2015, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Mohács (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 6] /A) p. 5 t/m 8, met bijlage ‘letterlijk uitgewerkt verhoor’ (p. 27 t/m 40); proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 6] , d.d. 5 april 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 7 t/m 31, 34, 40 t/m 47, 56 en 67 t/m 73.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , (ZD/ [slachtoffer 5] /01/G) p. 328 t/m 330.

34 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van J. [betrokkene 1] , d.d. 3 december 2015, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Bestrijding Internationale Criminaliteit, Afdeling Bestrijding Georganiseerde Misdaad - Politie Mohács (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 6] /02/G) p. 82 t/m 87; proces-verbaal verhoor van getuige J. [betrokkene 1] , d.d. 28 september 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 14, 16 t/m 25 en 30 t/m 45.

35 Proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 2] , d.d. 25 mei 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punt 121 en 123.

36 Proces-verbaal verhoor van getuige P. [medeverdachte 6] , d.d. 21 april 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punt 27.

37 Een geschrift, te weten een mutatie rapport, (ZD/ [slachtoffer 5] /AH) p. 1 en 2; proces-verbaal bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 6] /AH) p. 5 en 6, met bijlagen (p. 7 en 8).

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , (ZD/ [slachtoffer 5] /V) p. 123 t/m 127; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , (ZD/ [slachtoffer 6] /V) p. 88 t/m 93; proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] , d.d. 16 december 2015, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 31 t/m 44 en 46 t/m 56; proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] , d.d. 13 juni 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 45 en 48 t/m 51; verklaring van de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 2 februari 2018.

39 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 februari 2018.

40 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van [slachtoffer 7] , d.d. 6 maart 2015, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Barcs (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 7] /A) p. 5 t/m 16, met als bijlage ‘letterlijk uitgewerkt verhoor’ (p. 37 t/m 65); proces-verbaal verhoor van getuige [slachtoffer 7] , d.d. 27 juni 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 41, 53 t/m 58, 62, 70 t/m 72.

41 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van E. [slachtoffer 9] , d.d. 8 juni 2015, opgemaakt door de Dienst Nationale Recherche, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Georganiseerde Misdaad, Onderafdeling Mensenhandel - Politie Baja (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 7] /G) p. 4 t/m 14; proces-verbaal verhoor van getuige E. [slachtoffer 9] , d.d. 31 augustus 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 12, 17, 21, 25, 48, 75.

42 Een geschrift, te weten een proces-verbaal getuigenverhoor van M. [slachtoffer 10] , d.d. 9 juni 2015, opgemaakt door de Nationale Recherche Dienst, Hoofdafdeling Inlichtingen, Afdeling Bestrijding Criminele Organisaties, Onderafdeling Bestrijding Mensenhandel - Politie Kalocsa (Hongarije), (ZD/ [slachtoffer 7] /G) p. 31 t/m 40; proces-verbaal verhoor van getuige M. [slachtoffer 10] , d.d. 26 september 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris, punten 10, 11, 20, 22, 24, 26 t/m 30.

43 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 7] /AH) p. 1 t/m 5.

44 Proces-verbaal van bevindingen, (ZD/ [slachtoffer 7] /AH) p. 6 t/m 10, met bijlage (p. 11 t/m 18).

45 Hetgeen in deze en de volgende paragrafen is neergelegd, is ontleend aan de zaaksdossiers, zoals die deel uitmaken van het proces-verbaal in het onderzoek Apus. Waar in de hoofdtekst of in de voetnoten geen (meer) specifieke verwijzingen voorkomen, wordt in het algemeen naar deze zaaksdossiers verwezen.

46 Met uitzondering van [medeverdachte 6] . Waar in deze paragraaf wordt gesproken over de verdachten of medeverdachten wordt zij daaronder niet begrepen.

47 ZD [slachtoffer 5] AH p. 43-49.

48 ZD [slachtoffer 12] AG p. 2; ZD [slachtoffer 2] AG p. 19.

49 ZD [slachtoffer 8] AH 1-5 en proces-verbaal van de terechtzitting (tonen documentaire ‘De Sekspolitie’, waarin [medeverdachte 4] in de woning te zien is.) ZD [slachtoffer 12] AG p. 3.

50 ZD [slachtoffer 5] G p. 337.

51 ZD [slachtoffer 5] AH p. 1-2.

52 ZD CO AH p. 2.

53 AD AH p. 2490-2498.

54 ZD/CO/AH/59

55 ZD Crim. org. T p. 105-106.

56 ZD Crim. org T p. 171-172.

57 ZD [slachtoffer 9] AH p. 1-10.

58 ZD Crim. org. T p. 203.

59 zie onder meer ZD/ [slachtoffer 12] /AG/1-23; ZD [slachtoffer 8] /AG/1-19; ZD/ [slachtoffer 14] /AG ZD/ [slachtoffer 15] /AG/1-13.

60 zie onder meer ZD/ [slachtoffer 8] /AG/1-19; ZD/ [slachtoffer 5] /G/334-342; ZD/ [slachtoffer 14] /AG/ZD Kalas/AG/1-9 AG/ZD/ [slachtoffer 15] / AG/1-13.

61 Proces-verbaal verhoor getuige bij rechter-commissaris 11 mei 2016, nr. 150.

62 ZD [slachtoffer 15] /AG/3.

63 AD/01 OVC (track 0710)/84-87 .

64 ZD/ [slachtoffer 5] /G/334-342; ZD/ [slachtoffer 6] /AG/1-20; ZD/ [slachtoffer 5] /AH/1-2.

65 ZD/ [slachtoffer 8] /AG/1-19.

66 ZD/ [slachtoffer 15] /AG/8

67 Proces-verbaal verhoor getuige bij rechter-commissaris 11 mei 2016, nr. 103.

68 ZD/ [slachtoffer 2] /AG/53.

69 ZD/ [slachtoffer 2] /AG/8 en 9.

70 ZD/ [slachtoffer 2] /AG/16.

71 ZD/ [slachtoffer 15] /AG/10.

72 (onder meer) AD/AH/1185

73 ZD/ [slachtoffer 1] /AG/30

74 ZD/ [slachtoffer 13] /AG/1-18.

75 ZD/ [slachtoffer 13] /AG/1-18; ZD/ [slachtoffer 13] /AH/38-43 .

76 ZD/ [slachtoffer 11] /AG/46.

77 ZD/ [slachtoffer 11] /AG/13.

78 Proces-verbaal van verhoor getuige Orsos bij rechter-commissaris 10 oktober 2016, nr. 46; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij rechter-commissaris 16 juni 2016, nr. 91; ZD/ [getuige 4] /AG/11 en 17; ZD/ [slachtoffer 13] /AH/1.

79 De benadeelde partij is ontvankelijk omdat haar raadsvrouw is gemachtigd.