Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1924
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning Opiumwet, voorlopige voorziening afgewezen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 18/1924

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekers], te [plaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. E.A. Blok),

tegen

de burgemeester van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. M.G.T. van Leyenhorst).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft verweerder, in het kader van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet, verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat het gedurende een periode van 3 maanden verboden is de woning en de daarbij behorende opstallen gelegen aan [adres] te [plaats] te betreden.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft toegezegd de werking van het bestreden besluit op te schorten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Verzoekers zijn hierbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Tevens zijn twee dochters van verzoekers verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn namens verweerder verschenen [persoon 1] en [persoon 2].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over beleidsvrijheid beschikt. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder met enige terughoudendheid moet toetsen.

3 Ter invulling van zijn bevoegdheid heeft verweerder de beleidsregels ‘Beleidsregels artikel 13b gemeente Krimpenerwaard 2017’ vastgesteld.

4.1

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365) brengt de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, waarbij een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2616), is voor het ontstaan van de bevoegdheid, om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen, niet vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld. Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbenden op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken.

5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5.1

Op basis van de bestuurlijke rapportage van de politie van 24 januari 2018 is voldoende komen vast te staan dat op 4 december 2017 onder het afdak naast de schuur behorend bij de woning en in de auto van verzoeker een (aanzienlijke) handelshoeveelheid hennep is aangetroffen. Verweerder heeft geen grond hoeven zien voor twijfel aan de juistheid van de bestuurlijke rapportage en heeft zich op grond hiervan op het standpunt mogen stellen dat, nu de hoeveelheid (veel) groter was dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, aannemelijk is dat die bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. In het kader van deze bestuursrechtelijke procedure kan worden uitgegaan van het feitencomplex zoals dat uit de rapportage naar voren is gekomen. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP0351) en 30 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:371). Eerder is in 2016 een handelshoeveelheid drugs aangetroffen in de woning.

Verweerder was dan ook bevoegd was tot sluiting van de woning.

5.2

Dat de drugs aan de inwonende – thans gedetineerde – zoon van verzoekers zouden toebehoren, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot sluiting. Uit vaste rechtspraak volgt dat de persoonlijke verwijtbaarheid van betrokkenen geen rol speelt. Dat verzoekers geen strafrechtelijke antecedenten hebben doet daarbij evenmin ter zake.

Het is eveneens vaste rechtspraak dat hoofdbewoners/huurders verantwoordelijk zijn voor wat zich afspeelt in de woning. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3167). Voorts heeft verzoeker zelf verklaard op

4 december 2017 drugs in een sporttas van het erf en/of de woning mee te hebben genomen en in zijn auto gelegd te hebben, alwaar deze vervolgens door de politie is aangetroffen en doorzocht. Verzoeker heeft hierover in eerste instantie verklaard dat deze hennep voor eigen gebruik was, maar later verklaard dit te hebben gedaan om zijn zoon niet verder in de problemen te brengen. Hieruit volgt dat verzoeker wel degelijk enige kennis had over de activiteiten van zijn zoon en de aanwezigheid van drugs op het erf. Dat verzoekers hebben aangegeven hun gedetineerde zoon te doen uitschrijven uit de woning en niet meer in de woning welkom is, doet evenzeer niet af aan de verantwoordelijkheid van verzoekers.

5.3

Hoewel het voor verzoekers beslist een ingrijpende maatregel is, omdat verzoekers – zoals zij hebben betoogd - op leeftijd zijn en (chronische) medische klachten hebben, en niet beschikken over financiële middelen om andere woonruimte te bekostigen, kan niet worden gezegd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De sluiting betreft een periode van 3 maanden – de minimale sluitingsperiode volgens verweerders Beleidsregels artikel 13b Opiumwet - en gesteld noch gebleken is dat verzoekers in deze periode geen onderdak zouden kunnen krijgen bij hun andere - uitwonende en in Nederland woonachtige - kinderen. Er is geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat het (tijdelijk) verlaten van de woning voor verzoekster medisch te bezwaarlijk zou zijn.

Tenslotte weegt de voorzieningenrechter bij de belangenoverweging in het nadeel van verzoeker mee dat hij zelf heeft verklaard op 4 december 2017 een aanzienlijke hoeveelheid drugs – volgens hem toebehorend aan zijn zoon - in een sporttas van het erf en/of de woning mee te hebben genomen en in zijn auto gelegd te hebben.

6 De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.