Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3874

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5447
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Archiefwet 1995. De reactie op het verzoek om de bij besluit van 22 december 2011 aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verleende machtiging tot opschorting van de overbrenging van de archiefbescheiden naar het Nationale Archief in te trekken, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op dezelfde dag is uitspraak gedaan in de beroepen van eiser op grond van de Archiefwet 1995 tegen de SVB (SGR 17/6334) en op grond van de Wet openbaarheid van bestuur tegen de SVB (SGR 17/6976).

Wetsverwijzingen
Archiefwet 1995 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/5447

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. D.J. Oskam).

Procesverloop

Bij brief van 27 maart 2017 heeft verweerder geweigerd de bij besluit van 22 december 2011 aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verleende machtiging tot opschorting van de overbrenging van de archiefbescheiden naar het Nationale Archief in te trekken.

Bij besluit van 22 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018.

Eiser is verschenen vergezeld door zijn schoonmoeder.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd en [persoon 1].

Overwegingen

1. Bij besluit van 22 december 2011 heeft verweerder aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op grond van artikel 13, derde lid, van de Archiefwet 1995 (AW) een machtiging tot opschorting van de overbrenging van de archiefbescheiden verleend. Het betreft de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947-2009). Aan deze machtiging is de voorwaarde verbonden dat het betreffende archief voor wetenschappelijk onderzoek toegankelijk is volgens het ‘Protocol wetenschappelijk onderzoek in dossiers betreffende uitvoering wetten verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen’.

2. Ingevolge artikel 13, derde lid, van de AW – voor zover thans van belang – kan, indien archiefbescheiden ouder dan twintig jaar door het overheidsorgaan nog veelvuldig worden gebruikt of geraadpleegd, op verzoek van de zorgdrager machtiging tot opschorting van de overbrenging van die archiefbescheiden worden verleend door de minister (…).

Ingevolge het vierde lid wordt de in het derde lid bedoelde machtiging, waaraan voorwaarden kunnen worden verbonden, verleend voor een periode van ten hoogste tien jaar, na afloop waarvan verlenging kan worden verkregen.

3. De SVB heeft van deze machtiging gebruik gemaakt en bij besluit van 11 januari 2012 de overdracht van de afgesloten sociale dossiers betreffende de uitvoering van de regeling voor toekenning van een buitengewoon pensioen of periodieke uitkering voor oorlogsgetroffenen of hun nabestaanden (1947-2009) voor een periode van 10 jaar opgeschort (Staatscourant 2012, nr. 1684 van 31 januari 2012).

4. Eiser heeft verweerder verzocht de machtiging van 22 december 2011 aan de SVB in te trekken, waarbij eiser heeft aangegeven dat de machtiging naar zijn mening nietig is.

5. Bij brief van 27 maart 2017 heeft verweerder geweigerd de machtiging in te trekken.

6. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft verweerder samengevat ten grondslag dat gelegd de brief van 27 maart 2017 niet is aan te merken als een besluit en dat eiser geen belanghebbende is.

7. Over wat eiser in beroep heeft aangevoerd komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

7.1.

Het betoog van eiser dat wel sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtbank (Awb) wordt niet gevolgd.

Anders dan eiser stelt heeft de brief van 27 maart 2017 geen rechtsgevolg en is met deze brief ook geen rechtsgevolg beoogd. Verweerder wenst immers de bestaande situatie – de op 22 december 2011 verleende machtiging – niet te wijzigen.

Met deze brief is niet een nieuwe machtiging afgegeven en is ook niet beoogd een nieuwe machtiging af te gegeven.

7.2.

Zelfs indien eisers standpunt dat het besluit van 22 december 2011 nietig is juist zou zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank in de brief van 27 maart 2017 niet worden gelezen dat daarmee is beoogd opnieuw een machtiging te verlenen.

Overigens merkt de rechtbank op dat uit haar tussen partijen gewezen uitspraak van 2 januari 2017 (SGR 16/752, 16/753, 16/4051) niet is af te leiden dat het besluit van 22 december 2011 nietig zou zijn. Deze uitspraak heeft betrekking op een verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Over de geldigheid van het besluit van 22 december 2011 wordt in deze uitspraak niets gezegd.

7.3.

Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 27 maart 2017, ook al is deze niet op rechtsgevolg gericht, wel zou zijn aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, indien deze brief zou moeten worden aangemerkt als een afwijzing van een aanvraag.

Immers, ingevolge artikel 1:3, tweede lid, wordt onder een besluit ook verstaan de afwijzing van een aanvraag. Van een aanvraag is evenwel slechts sprake indien het verzoek afkomstig is van een belanghebbende (zie artikel 1:3, derde lid, van de Awb).

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet is aan te merken als belanghebbende bij een besluit tot machtiging als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de AW of de intrekking daarvan. Onder belanghebbende wordt immers verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb). Anders dan eiser in zijn beroepschrift aanvoert, geldt ook voor een derde-belanghebbende dat zijn belang rechtstreeks bij het besluit betrokken moet zijn. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel eigen persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het gevraagde besluit.

7.4.

Een besluit tot verlening of intrekking van een machtiging als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de AW raakt op gelijke wijze alle personen die de archieven van de SVB dan wel het Nationaal Archief willen raadplegen. Ook eiser heeft gelet op zijn onderzoek naar [persoon 2] en de andere verzetslieden belang bij een besluit tot verlening of intrekking van een machtiging aan de SVB om de archiefbescheiden nog niet over te hoeven brengen naar het Nationaal Archief. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij deze besluiten te kunnen worden aangemerkt dient zijn belang zich echter in voldoende mate te onderscheiden van dat van andere gebruikers en potentiële gebruikers van deze archieven. De omstandigheid dat eiser de sociale dossiers na overbrenging daarvan wil raadplegen in het Nationaal Archief onderscheidt zich onvoldoende van het belang van ieder andere gebruiker van de archieven van de SVB of het Nationaal Archief. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) 3 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1177).

7.5.

Eiser betoogt verder dat sprake is van schending van artikel 10 (recht op informatie) en 13 (effective remedy) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan aan artikel 10 van het EVRM in beginsel een recht op het ontvangen van inlichtingen worden ontleend. Zoals verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6945) vereist artikel 10 van het EVRM echter niet dat alle informatie wordt verstrekt of openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten.

De omstandigheid dat eisers bezwaar tegen de brief van 22 maart 2017 niet-ontvankelijk is verklaard laat onverlet dat eiser een verzoek kan doen (hetgeen hij ook daadwerkelijk heeft gedaan) om openbaarmaking van de sociale dossiers in de archieven van de SVB op grond van de Wob. Tegen besluiten die zijn genomen op grond van de Wob staat bezwaar en beroep op de rechter open. Daarmee is voorzien in een daadwerkelijke en effectieve rechtsbescherming.

Ook het standpunt van verweerder dat eiser geen belanghebbende is bij het besluit tot machtiging heeft eiser – thans in deze procedure – voor kunnen leggen aan een onafhankelijke rechtelijke instantie, zodat artikel 13 van het EVRM niet is geschonden.

7.6.

Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder, gelet op de zogenoemde Zwarte Piet-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2014:4117), het bezwaar toch ontvankelijk had moeten achten, omdat het hier gaat om een (zeer) bijzonder geval.

Hoewel de rechtbank inziet dat inzage in de sociale dossiers voor eiser en zijn schoonmoeder van groot belang is, is de Zwarte Piet discussie in de media veelvuldig aan de orde geweest en heeft deze geleid tot spanningen in de samenleving. Het belang in eisers zaak is daarmee niet vergelijkbaar.

7.7.

Het beroep is ongegrond.

7.8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. G. van Zeben-de Vries en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.