Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3850

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2071
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertraging in opleiding vlieger. Het uit rendementsoverwegingen niet verkorten van de dienverplichting is niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/2071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Welter),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.E. Lamberti).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft de minister van Defensie het verzoek van eiser om de ingangsdatum van zijn dienverplichting en van de bevordering tot tweede luitenant te herzien afgewezen.

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft de Commandant Luchtstrijdkrachten het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 2 februari 2017 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een nieuw besluit op het bezwaar genomen, omdat het besluit van 2 februari 2017 een onjuiste ondertekening bevat.

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep geacht te zijn gericht tegen het besluit van 17 januari 2018.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door [persoon A] .

Overwegingen

1.1

Eiser is bij besluit van 15 juli 2008 met ingang van 3 november 2008 aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en is ingedeeld bij de Koninklijke Luchtmacht. Eiser is aangesteld in loopbaanfase 1, in de stand van soldaat der derde klasse en is bestemd voor de functie van [functie 1] . Bij dit besluit is aan eiser tevens medegedeeld dat op hem de verplichting rust om gedurende zijn initiële opleiding en daaraan aansluitend een periode van 10 jaar deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel. De totale opleidingsduur zal in beginsel 47 maanden bedragen (theoretische opleidingsduur voor [opleiding 1] met een mogelijke uitloop van 6 maanden). Het voldoen aan deze opleiding is voorwaarde voor eisers functietoewijzing en bevordering tot tweede luitenant. Afhankelijk van de door eiser behaalde resultaten, zijn voorkeur en de behoefte van de Koninklijke Luchtmacht, wordt eiser bestemd voor de vakgroep [vakgroep] .

1.2

Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel ingesteld. Dit besluit is daarom in rechte vast komen te staan.

2. Eiser is met ingang van 20 mei 2011 bevorderd tot tijdelijk tweede luitenant.

3. De opleiding van eiser tot [functie 2] heeft een vertraging opgelopen wegens bezuinigingen bij Defensie. Eiser is stilgezet in zijn vliegopleiding voor een periode van 19 maanden, te weten van augustus 2011 tot en met februari 2013. Tijdens deze periode heeft eiser niet gevlogen, maar diverse tijdelijke tewerkstellingen vervuld binnen de Koninklijke Luchtmacht.

In maart 2013 mocht eiser doorgaan met de opleiding en is begonnen met het onderdeel [onderdeel 1] . Op 7 november 2013 is de opleiding voortijdig beëindigd met als reden dat eiser de vereiste capaciteiten mist om de opleiding met goed gevolg af te ronden. De Vaste Commissie Examens (VCE) heeft de situatie van eiser besproken en geadviseerd om aan eiser een extra kans voor [onderdeel 1] te bieden, omdat er bijzondere omstandigheden zijn die deze extra kans rechtvaardigen. Eiser is immers 19 maanden uit de lopende opleiding gehaald vanwege organisatorische redenen en is hierdoor met onvoldoende basis [onderdeel 1] ingegaan. Naar aanleiding van dit advies van de VCE is door het bevoegde gezag besloten dat eiser een deel van [onderdeel 1] mocht herhalen.

Eiser heeft de aan hem aangeboden herkansingsmaatregelen als ontoereikend ervaren en heeft om overplaatsing verzocht als [functie 3]. Dit verzoek is gehonoreerd en op 3 november 2014 is eiser begonnen met [onderdeel 2] , een opleiding [opleiding 2]. Op 9 april 2015 heeft eiser de [onderdeel 2] behaald.

4. Op 20 juni 2015 heeft eiser het onderhavige verzoek ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat zijn overplaatsing naar [afdeling] de nadelige gevolgen van de stilstand in zijn opleiding niet heeft weggenomen. Om de vertraging in zijn carrière te compenseren en de bewezen diensten in de tussenliggende periode te erkennen en belonen, verzoekt eiser het volgende:

- de ingangsdatum van de effectieve rang tweede luitenant en dienverplichting te herzien van de te verwachten datum 9 april 2014 naar 11 januari 2012. Hiervoor dient de periode van de [onderdeel 2] te laten gelden als voortzetting op de initieel geplande startdatum

[onderdeel 1] , zijnde 10 augustus 2011. De duur van de [onderdeel 2] bedroeg in totaal 110 werkdagen. Deze 110 werkdagen, geteld vanaf 10 augustus 2011, leveren de datum

11 januari 2012 op;

- daarnaast aanstelling als eerste luitenant met ingang van 11 januari 2014, zoals beschreven in artikel 24b, derde lid, onder a, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR);

- rectificatie voor gederfde inkomsten.

5. Op 23 juli 2015 heeft eiser een besluit ontvangen tot functietoewijzing, bevordering en aanpassing loopbaanfase 1. In dit besluit is vastgesteld dat eiser wordt bevorderd tot tweede luitenant per 9 april 2015.

6. Bij het primaire besluit van 6 augustus 2015 is het verzoek van eiser afgewezen, onder verwijzing naar artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de Militaire ambtenarenwet 1932 (MAW) voor wat betreft de duur van de dienverplichting, en naar artikel 24, vierde lid, van het AMAR voor wat betreft de ingangsdatum van de bevordering.

7. Bij Koninklijk Besluit van 22 september 2015 is eiser, gelet op artikel 24, vierde lid, van het AMAR, bevorderd tot tweede luitenant met ingang van 9 april 2015.

8. Bij nota van 11 februari 2016 heeft de Commandant Luchtstrijdkrachten de “Regeling compensatie in verband met vertraging tijdens opleidingen luchtvarenden” vastgesteld.

9. Ten einde het treffen van compensatiemaatregelen door verweerder, is in overleg met eiser vastgesteld dat de duur van de door eiser opgelopen vertraging in zijn opleiding

2 jaar en 1 maand bedraagt.

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de Commandant Luchtstrijdkrachten aan eiser op grond van de voornoemde nota een vliegtoelage toegekend. Daarin is vastgesteld dat eiser met ingang van 1 april 2015 aanspraak heeft op een vliegtoelage in de categorie A met een waarderingsfactor van 25 punten. Hoewel de nota van 11 februari 2016 geen terugwerkende kracht kent, ziet de Commandant Luchtstrijdkrachten aanleiding om eiser ambtshalve en rechtens onverplicht, hem conform de nota te compenseren en hem met ingang van 1 april 2015 een vliegtoelage toe te kennen die gebaseerd is op een waarderingsfactor van 35 punten in plaats van 25 punten. Daarnaast wordt zijn “klikmaand” met terugwerkende kracht vastgesteld op maart 2015 in plaats van op april 2015.

Bij besluit van 5 december 2016 is aan eiser met ingang van 20 mei 2011 één extra salarisperiodiek toegekend als compensatie voor vertraging in de bevorderingsrang tot tweede luitenant.

10. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4203) in een soortgelijke zaak.

11. Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

De voor hem geldende dienverplichting loopt te lang door als gevolg van vertragingen die niet voor zijn rekening en risico komen. De uitspraak van de CRvB van 3 november 2016 is niet onverkort van toepassing, omdat het rendement van de opleiding in het geval van eiser, waarvoor de dienverplichting is bedoeld, al eerder is ingegaan dan verweerder stelt. Eiser heeft immers gedurende zijn tijdelijke tewerkstelling werkzaamheden uitgevoerd van volledig opgeleid vliegers, zodat zij effectiever konden werken en op hun beurt meer rendement voor Defensie konden maken. Voor het behalen van rendement is bovendien niet nodig dat de opleiding is afgerond. Eiser is het niet eens met de stelling van verweerder dat zijn dienverplichting van tien jaar pas na het behalen van de totale opleiding begint. In het aanstellingsbesluit van eiser is immers bepaald dat de dienverplichting begint na de initiële opleiding. Eiser heeft vanwege budgetproblemen van Defensie tegen zijn wil een aantal maanden volledig stil gezeten. Pas daarna kreeg eiser de opties aangeboden waarmee volgens de uitspraak van de CRvB eiser weer controle over zijn dienverplichting kreeg. Daarom kan hem niet worden tegengeworpen dat hij de vertraging vooraf heeft geaccepteerd. Daarbij komt dat in het aanstellingsbesluit van een uitloop van maximaal zes maanden wordt uitgegaan. Ook dit versterkt eiser in zijn standpunt dat zijn dienverplichting dient te worden verkort. Gezien het vorenstaande dient het verzoek van eiser om verschuiving van de tienjaarperiode voor zijn dienplicht gehonoreerd te worden. Wegens de uitgevoerde werkzaamheden is ook de gevraagde vervroeging van de bevordering aan de orde.

12. De rechtbank overweegt het volgende.

12.1

Niet in geschil is dat buiten de schuld van eiser een vertraging in zijn opleiding tot vlieger is ontstaan van, zoals door partijen in onderling overleg is vastgesteld tijdens de bezwaarprocedure, 2 jaar en 1 maand.

12.2

Artikel 12 van de MAW (in werking getreden op 1 januari 2008, Stb. 2007, 584) regelt de dienverplichting voor de militaire ambtenaar.

In artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de MAW is bepaald dat aan de aanstelling als militair ambtenaar met de bestemming tot het volgen van een opleiding tot vlieger, de verplichting is verbonden gedurende de opleiding en aansluitend een periode van tien jaar deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel.

In de memorie van toelichting bij artikel 12 van de MAW (TK, 2005-2006, 30 674, nr. 3) is aangegeven, voor zover hier van belang, dat de periode van de dienverplichting omvat in het algemeen de duur van de opleiding, die de militair ambtenaar na aanstelling moet volgen en daaraan aansluitend een periode van vier jaar, of in het geval van een opleiding tot vlieger een periode van 10 jaar. Dit hangt samen met het feit, dat alleen intern de defensieorganisatie een opleiding tot militair kan worden gevolgd. Deze opleidingen zijn verschillend van duur, maar hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat pas na afronding van deze opleiding een functie als militair kan worden toegewezen. Om dan ook het benodigde rendement uit deze opleidingen te kunnen verkrijgen, dient de militair ambtenaar na het afronden van de opleiding nog een zekere periode deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel. Voor de militaire die worden aangesteld om aan het Koninklijk Instituut voor de Marine of de Koninklijke Militaire Academie een meerjarige opleiding tot officier te volgen geldt een langere dienverplichting. Dit hang eveneens samen met het beoogde rendement. Ook voor degenen die worden aangesteld met de bestemming opleiding tot vlieger geldt uit rendementsoverwegingen een langere dienverplichting, mede omdat de militair die zijn vliegeropleiding heeft afgerond daarmede nog niet volledig inzetbaar is als vlieger. Daartoe dienen namelijk aanvullende opleidingen gevolgd te worden en is praktijkervaring nodig. De dienverplichting is nodig, om te waarborgen dat de krijgsmacht voor het uitvoeren van haar grondwettelijke taak te allen tijde kan beschikken over voldoende aantallen beschikbaar en direct inzetbaar personeel. Het is dan ook noodzakelijk de militair voor een zekere periode aan de krijgsmacht te kunnen binden.

12.3

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat rendement in de zin van artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de MAW eerst aan de orde is na voltooiing van de opleiding tot vlieger. Pas dan aanvangt de in dit artikel vastgestelde periode van tien jaar waarin rendement uit de opleiding kan worden behaald. Het feit dat dit artikel niet is vermeld in het aanstellingsbesluit van 15 juli 2008, doet hier niet aan af. Ten tijde van de aanstelling van eiser in 2008 was artikel 12k van de MAW al geldend recht. Gelet op het bepaalde in dit artikel en de memorie van toelichting, dient in het geval van eiser ervan te worden uitgegaan dat met “initiële opleiding” in zijn aanstellingsbesluit de volledige opleiding is bedoeld. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor eiser na voltooiing van de opleiding nog een dienverplichting van 10 jaar geldt.

12.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het feit dat eiser door organisatorische redenen (bezuinigen) een vertraging in zijn opleiding heeft opgelopen, niet tot verschuiving van de begindatum van de dienverplichting, ofwel verkorting van de dienverplichting dient te leiden. Verweerder heeft onbestreden gesteld dat eiser tijdens de opleiding erop is gewezen dat de opleiding langdurige vertraging zou oplopen en dat aan eiser toen verschillende opties zijn aangeboden. Eiser kon ook kiezen de dienst te verlaten of een opleiding te doen op de kosten van Defensie, maar heeft gekozen voor een tijdelijke tewerkstelling voor het verrichten van administratieve taken. De omstandigheid dat eiser, zoals hij ter zitting heeft gesteld, deze keuze niet direct bij de stilzetting uit de opleiding heeft gehad, maar pas op een later moment, neemt niet weg dat hij op enig moment wel een keuzemogelijkheid heeft gehad en voor (het voortduren van de) tijdelijke tewerkstelling heeft gekozen. Niet is gebleken dat eiser bij het maken van deze keuze van onjuiste informatie door Defensie is voorzien.

Voorts is van belang dat verweerder ten aanzien van eiser de hierboven onder rechtsoverweging 9 genoemde maatregelen heeft genomen om aan eiser een compensatie voor de opgelopen vertraging te bieden, waardoor de gevolgen van de vertraging niet voor rekening van eiser zijn gelaten.

Het betoog dat verweerder van eisers tijdelijke tewerkstelling rendement heeft behaald, omdat eiser vliegers van bijvoorbeeld media- en voorlichtingstaken vrijgespeeld heeft en hen in staat heeft gesteld te vliegen, leidt – daargelaten dat zijdens verweerder deze stelling ter zitting is betwist – ook niet tot een ander oordeel. Eiser had ten tijde van de tijdelijke tewerkstelling de opleiding tot vlieger nog niet voltooid, zodat al hierom geen sprake was van het behalen van rendement in de zin van artikel 12k, tweede lid, aanhef en onder b, van de MAW.

In het licht van het vorenstaande is het besluit van verweerder om uit rendementsoverwegingen de op eiser rustende dienverplichting niet te bekorten, dan ook niet onredelijk. Verweerder heeft voor de nadere motivering van dit besluit niet ten onrechte verwezen naar de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB, in welke uitspraak de CRvB het handhaven van de dienverplichting uit rendementsoverwegingen niet onredelijk heeft geacht in een situatie waarin de vertraging in de opleiding door organisatorische redeneren was geschied.

Ut het hiervoor overwogene volgt dat verweerder ten aanzien van eiser in redelijkheid tot de afwijzing van zijn verzoek ter zake van de ingangsdatum van de dienverplichting heeft kunnen komen.

12.5

Verweerder heeft voorts afdoende gemotiveerd dat er geen grond bestaat voor bevordering van eiser tot tweede luitenant per een eerdere datum dan 9 april 2015, zijnde de datum dat eiser de opleiding [onderdeel 2] heeft voltooid. Het voldoen aan de opleiding tot vlieger was immers een van de voorwaarden voor functietoewijzing en bevordering tot tweede luitenant. Het beroep van eiser op zijn werkzaamheden tijdens de tijdelijke tewerkstelling slaagt niet, reeds omdat eiser gedurende deze tewerkstelling niet operationeel werkzaam was als gecertificeerd vlieger. Eiser verrichte toen geen werkzaamheden waarvoor de opleiding die hij volgde, nodig was.

De enkele, niet nader onderbouwde betwisting van de ingangsdatum van de bevordering kan gezien het voorgaande niet slagen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.