Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3838

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
NL18 4121 en NL18 4122
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

opvolgende aanvraag, Dublin Italië, geen nova, 4:6 Awb, geen nieuw claimakkoord nodig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL18.4121 en NL18.4122


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een asielvergunning niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens is een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Italië.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank in zaak NL18.4121: verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in zaak NL18.4122: wijst het verzoek af.

Overwegingen

1. De asielaanvraag van eiser is niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 11 april 2017, waarbij de eerdere asielaanvraag van eiser niet in behandeling werd genomen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling daarvan1.

2. Ter beoordeling staat nu of er sprake is van relevante nova.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 20 oktober 2017 in Duitsland asiel heeft aangevraagd en dat hij in afwachting is van een beslissing van de Duitse autoriteiten. Ter zitting heeft verweerder zijn recent verworven informatie over de asielprocedure van eiser in Duitsland gedeeld. Hoe dan ook: anders dan eiser heeft betoogd, maakt eisers verblijf in Duitsland niet dat er een nieuw claimakkoord van Italië nodig is. Weliswaar is sinds het oude claimakkoord2 een periode van zes maanden verstreken3, maar deze termijn is verlengd met achttien maanden wegens het onderduiken van eiser4. Verweerder heeft daarvan tijdig, binnen de zesmaandentermijn, melding gemaakt bij Italië5. De asielaanvraag in Duitsland levert dus geen novum op.

4. De stelling dat eiser na zijn vertrek uit Nederland naar Italië is gegaan, daar na korte tijd uit de opvang is gezet en in de strafrechtketen is beland, is in het geheel niet onderbouwd. Deze stelling levert alleen daarom al geen novum op.

5. Eiser heeft betoogd dat verweerder de humanitaire aspecten onvoldoende heeft beoordeeld. In het eerdere besluit van 11 april 2017 is dat al gebeurd. Deze beoordeling is in stand gelaten door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 25 april 20176. In beroep is een deel van het medisch dossier overgelegd en betoogd en dat er een intake zal plaatsvinden van de verslavingszorg. Uit het medische dossier blijkt dat eiser al sinds begin 2017 een medicijnafhankelijkheid heeft. In zoverre is geen sprake van een novum. Uit de overige klachten (waaronder astma) kan niet worden afgeleid dat overdracht niet verantwoord is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat eiser in de loop van 2017 wel kans heeft gezien om op eigen gelegenheid door Europa te reizen. Bovendien heeft verweerder hierin geen bijzondere individuele feiten of omstandigheden hoeven zien die ertoe leiden dat overdracht bijzondere hardheid oplevert. De medische toestand van eiser levert derhalve evenmin een relevant novum op.

6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

griffier

rechter en voorzieningenrechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 18 van de Verordening EU 604/2013 (Dublinverordening)

2 15 maart 2017

3 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening

4 Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening

5 op 17 mei 2017

6 NL17.1666