Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3813

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
NL18.2915
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:4104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, opvolgende aanvraag, 4:6 van de Awb, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.2915


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. T.L. Schuitemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.2916, plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Jobe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Senegalese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft op 7 februari 2017 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 28 maart 2017 heeft verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit Eurodac bleek dat eiser eerder een asielaanvraag in Duitsland had ingediend die was afgewezen1. Dit besluit staat in rechte vast.

3. Daarna is eiser naar Duitsland gereisd. Eiser heeft daar opnieuw asiel aangevraagd. Duitsland heeft ook deze aanvraag afgewezen.

4. Op 28 oktober 2017 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 10 november 2017 heeft verweerder een terugnameverzoek aan Duitsland gedaan2. Duitsland heeft dit verzoek op 16 november 2017 aanvaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 28 maart 2017.

5. Eiser kan zich niet verenigen met dit besluit van verweerder. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd wordt in het onderstaande bij de beoordeling betrokken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In geschil is of herhaalde asielaanvragen in het kader van de Dublinverordening onder het bereik van artikel 4:6 van de Awb vallen. Eiser heeft onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 november 20173 betoogd dat voor toepassing van artikel 4:6 van de Awb sprake moet zijn van een eerder inhoudelijk beoordeelde aanvraag. Eiser beschouwt de beslissing om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vw niet als een inhoudelijke beoordeling.

7. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet: ook de beoordeling welke lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, is aan te merken als een ‘inhoudelijke beoordeling’. In zoverre is ook een besluit om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, aan te merken als een afwijzing. Ook uit de Memorie van Toelichting bij deze bepaling4 blijkt dat toepassing van artikel 4:6 van de Awb voor de hand ligt bij een herhaalde aanvraag na een besluit waarin is bepaald dat een ander land verantwoordelijk voor de asielaanvraag is. De stelling ter zitting, dat deze afdoening benadelend is voor eiser, hij nu een zwaardere bewijslast krijgt (hij moet met nova komen; hij kan alleen authentieke stukken overleggen), kan niet leiden tot een ander oordeel. De beoordeling van de verantwoordelijkheid in het kader van de Dublinverordening heeft immers al eerder plaatsgevonden. Dat de gemachtigde van eiser minder betaald krijgt voor haar toevoeging op grond van deze afdoening, acht de rechtbank betreurenswaardig. Maar voor deze klacht moet zij bij een ander loket zijn.

8. Dat er in de rechtspraak divergentie bestaat over deze kwestie5 leidt niet tot een ander oordeel. Nu de rechtbank geen voorschot kan nemen op de uitkomst van de door verweerder ingestelde hoger beroepen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (in ieder geval tegen de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam) houdt de rechtbank vooralsnog vast aan de Middelburgse jurisprudentielijn.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) 604/2013 (Dublinverordening).

2 Wederom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

3 ECLI:NL:RBDHA:2017:14024

4 Kamerstukken II, vergaderjaar 2014/15, 34088, nr. 3

5 zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:8116, van 19 december 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:8316, van 25 januari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:483, van zittingsplaats Rotterdam van 24 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5714, en de reeds genoemde uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 16 november 2017.