Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3770

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
NL18.4558
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielrelaas ongeloofwaardig (Hezbollah, biseksualiteit), beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4558


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).


Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B.S. Nasif. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft (samengevat weergegeven) aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is benaderd door een man, [persoon 1], die aanbood zijn studie te betalen. [persoon 1] zou horen bij de organisatie [organisatie] ([organisatie]). Eiser moest als tegenprestatie naar bijeenkomsten gaan en heeft een keer dozen gedragen. Toen hem werd opgedragen om een wapencursus te volgen, werd duidelijk dat hij te maken had met Hezbollah. Nadat eiser een oproep ontving om naar Syrië te gaan is hij ondergedoken. Op 1 september heeft hij spullen gehaald bij zijn woning, waarna hij in elkaar is geslagen en in het ziekenhuis is beland. Eiser is daarnaast biseksueel en ongelovig.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: zijn nationaliteit, identiteit en herkomst, de problemen met [organisatie] en/of Hezbollah, zijn biseksualiteit en het feit dat hij ongelovig is.

3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook acht verweerder geloofwaardig dat eiser ongelovig is, maar verweerder volgt eiser niet in zijn verklaring dat de inwoners van het kamp in Libanon waar hij heeft verbleven daarvan op de hoogte zijn. Zijn problemen met de [organisatie] en/of Hezbollah en het feit dat hij biseksueel is acht verweerder ongeloofwaardig. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser is gebleken dat hij het mandaatgebied van de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA) vrijwillig heeft verlaten zodat artikel 1(D), eerste paragraaf, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

4. Eiser voert aan dat de overgelegde documenten zijn asielrelaas onderbouwen en dat er derhalve wel degelijk bewijskracht aan toekomt. Verweerder had deze documenten in het kader van de integrale geloofwaardigheidstoets moeten meewegen in de beoordeling. Ten aanzien van het arrestatiebevel dat hij van [persoon 2] heeft gekregen, heeft eiser uitgelegd waarom hij niet kan uitleggen hoe hij eraan komt. Voorts had verweerder de besluitvorming aan moeten houden in afwachting van de medische stukken, die eiser thans bij het beroepschrift heeft gevoegd.

Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte zijn verklaringen over de [organisatie] en/of Hezbollah ongeloofwaardig geacht. In de zienswijze heeft eiser toegelicht dat het vaak voorkwam dat organisaties mensen in het kamp financieel steunden, en dat hij het geld hard nodig had, zodat het niet gek was dat eiser niet wist met wie hij te maken had. Verweerder heeft voorts miskend dat eiser uitgebreide verklaringen heeft afgelegd over de bijeenkomsten die hij moest bijwonen. Anders dan verweerder hem heeft tegengeworpen heeft eiser niet tegenstrijdig verklaard over de personen die hij heeft geholpen met het verplaatsen van dozen, maar heeft hij verklaard dat hij niet wist of zij Libanees of Palestijns waren. Evenmin heeft hij tegenstrijdig verklaard over de datum waarop hij de oproep heeft ontvangen om zich op 25 augustus 2016 te melden. Verweerder heeft ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat uit de informatie van de UNWRA blijkt dat in Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon wordt gerekruteerd door politieke en gewapende fracties. Daarnaast is eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij pas anderhalve maand na de mishandeling is gevlucht. Dat eiser het land legaal heeft verlaten doet niet af aan zijn vrees, omdat hij niet vreest voor de autoriteiten.

Ten aanzien van zijn biseksualiteit voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard omdat hij enerzijds heeft gezegd dat hij voor zijn relatie met [persoon 3] gevoelens voor meisjes had, terwijl hij ook heeft verklaard dat hij die gevoelens niet had. Ook voert eiser aan dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij zijn innerlijke strijd niet inzichtelijk heeft gemaakt. Dat is volgens eiser in strijd met de werkinstructie 2015/9. Bovendien heeft hij wel degelijk verklaard over zijn bewustwordingsproces. Nu eiser tijdens het aanvullend gehoor niet in geconfronteerd met het feit dat verweerder vindt dat hij onvoldoende heeft verklaard over [persoon 4] en [persoon 5] heeft verweerder hem dat niet mogen tegenwerpen, gelet op de samenwerkingsverplichting. Voorts heeft verweerder eiser in dit verband ten onrechte tegengeworpen dat hij niet weet hoe het kamp van zijn biseksualiteit op de hoogte is geraakt. Daartoe voert eiser aan dat hij daar slechts over kan speculeren.

Door zich op het standpunt te stellen dat niet geloofwaardig is dat eiser is mishandeld en uitgescholden voor ongelovige omdat de problemen met [organisatie] en/of Hezbollah niet geloofwaardig zijn, heeft verweerder de opeenvolgende gebeurtenissen niet op hun eigen merites beoordeeld.

Voorts voert eiser aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij vrijwillig het UNRWA-gebied heeft verlaten. Daartoe wijst eiser er op dat hij in dat gebied gegronde vrees had voor vervolging. Verweerder is daarnaast niet ingegaan op het betoog in de zienswijze dat de uitleg van het arrest El Kott en artikel 12, eerste lid, van de Definitierichtlijn niet juist is en dat had moeten worden beoordeeld of de bescherming en assistentie van de UNRWA om welke reden dan ook is opgehouden. Bovendien biedt de UNRWA in Libanon geen effectieve bescherming, noch de bijstand en leefomstandigheden waarmee zij op grond van haar mandaat belast is. Eiser doet in dit kader een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Daartoe wijst hij er op dat de situatie in de Palestijnse vluchtelingenkampen slecht is en dat de UNRWA niet in staat is om de bijstand en levensomstandigheden te bieden die zij behoort te bieden, zodat hij aldaar zijn recht op privéleven niet kan uitoefenen zoals hij dat wil.

Verder voert eiser aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Daartoe wijst hij er op dat hij zijn reisdocument onder psychisch grote druk heeft weggegooid en dat hij wel een identiteitsdocument en een rijbewijs heeft overgelegd. Dat hij zich pas na vijf dagen na het verstrijken van zijn visum heeft gemeld kan hem evenmin worden tegengeworpen, nu hij in Nederland eerst rust nodig had.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Problemen [organisatie]/Hezbollah

5.1.

Door zich op het standpunt te stellen dat de door eiser overgelegde documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht, zodat moet worden bezien of eiser zijn problemen met [organisatie] en/of Hezbollah middels zijn eigen verklaringen aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder geen blijk gegeven van een onjuist toetsingskader. Verweerder heeft zich vervolgens niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser het arrestatiebevel niet zelf heeft gekregen, en dat eiser zeer summier heeft verklaard over de oproep nu hij niet weet wat de consequentie is als hij daaraan geen gevolg zou geven, terwijl de oproep mede de aanleiding heeft gevormd om Libanon te verlaten.

Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser zeer gemakkelijk opvolgt wat [persoon 1], een onbekende man, van hem verlangt door zijn persoonsgegevens en een kopie van zijn documenten aan hem te geven, naar bijeenkomsten te gaan en dozen op te halen waarvan de inhoud hem onbekend is. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser heeft verklaard dat [persoon 1] niet wilde zeggen bij welke organisatie hij hoorde, dat eiser vermoedde dat hij met Hezbollah van doen had, maar dat hij toen hij dit vroeg aan [persoon 1] en deze dat ontkende, daar zonder meer genoegen mee nam. Gelet daarop kan de omstandigheid dat er liefdadigheidsinstellingen actief zijn in Libanon die soms bijdragen aan de studiekosten van Palestijnen, eiser niet baten.

Ten aanzien van de bijeenkomsten heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiser gedurende vijf maanden bijeenkomsten ten minste zeven heeft bijgewoond, maar dat hij niet wist wat het doel was van de bijeenkomsten. Bovendien heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de aard van die bijeenkomsten, aangezien hij enerzijds heeft verklaard dat er één politieke bijeenkomst was, en anderzijds heeft verklaard dat er meerdere politieke bijeenkomsten waren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over zijn problemen met [organisatie] en/of Hezbollah. Gelet daarop heeft verweerder terecht de informatie van eiser over politieke en gewapende fracties die in Palestijnse vluchtelingenkampen zouden rekruteren niet bij de beoordeling betrokken.

Biseksualiteit

5.2.

De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat hij, anders dan verweerder veronderstelt, nooit heeft gezegd dat hij nooit gevoelens heeft gehad voor meisjes. Eiser heeft slechts verklaard dat hij nooit een relatie heeft gehad met een meisje, zodat geen sprake is van een tegenstrijdigheid met zijn verklaring dat hij voor [persoon 3] gevoelens kreeg die hij eerder alleen voor meisjes had. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over zijn biseksualiteit. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij enerzijds blij was met de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid, maar dat hij anderzijds bang was omdat hij wist dat deze gerichtheid door de maatschappij niet wordt aanvaard. Zoals verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen, heeft eiser in het licht van voormelde discrepantie niet voldoende inzicht gegeven in hoe hij dit heeft ervaren. Ook heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat bevreemdend is dat hij, in het licht van de gevaren die hij vreesde indien zijn gerichtheid bekend zou worden, grote risico’s heeft genomen door clubs te bezoeken waar veel homoseksuelen komen, en door af te spreken met iemand die hij nauwelijks kende.

Voorts heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij slechts summier heeft kunnen verklaren over de vraag hoe zijn relatie met [persoon 3] is ontstaan, nu hij enkel heeft verklaard waarom hij [persoon 3] fysiek aantrekkelijk vond. Dat het niet gebruikelijk is in de Arabische cultuur om naar voorgaande relaties te vragen, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zeer summier over zijn voormalige vriend [persoon 5] heeft verklaard, zeker in het licht van het feit dat eiser heeft verklaard dat hij enkel met [persoon 5] over zijn gerichtheid sprak en dat hij zich in Nederland vrij voelde om daarover te praten. Bovendien heeft verweerder terecht een tegenstrijdigheid geconstateerd tussen de verklaringen van eiser dat hij verliefd was op [persoon 3], en dat [persoon 5] de eerste is op wie hij verliefd is. De veronderstelling van eiser dat men in het kamp wist dat hij biseksueel was omdat een van de beveiligers van een bar die hij heeft bezocht dat mogelijk heeft doorverteld is, zoals verweerder niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen, slechts gebaseerd op vermoedens.

Mishandeling

5.3.

Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser bij zijn mishandeling op 1 september 2016 voor flikker of ongelovige is uitgescholden. Nu de problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de zijde van [organisatie] en/of Hezbollah, zoals hiervoor is overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht, heeft verweerder eveneens niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat hij is mishandeld naar aanleiding van de problemen die zijn gerelateerd aan zijn asielrelaas.

Samenwerkingsverplichting

5.4.

De rechtbank overweegt dat de samenwerkingsverplichting inhoudt dat van eiser in de eerste plaats mag worden verwacht dat hij zijn asielrelaas aannemelijk maakt en dat hij alle relevante informatie uit zichzelf naar voren brengt. Daarnaast moet verweerder eiser ook voldoende mogelijkheden bieden om het asielrelaas aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet voldoende heeft doorgevraagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder de samenwerkingsplicht onvoldoende in acht heeft genomen.

Artikel 8 van het EVRM

5.5.

Het beroep op artikel 8 van het EVRM faalt. Dat artikel strekt niet zover dat bescherming wordt geboden indien in het land van herkomst het recht op privéleven niet op de gewenste wijze kan worden uitgeoefend.

Kennelijke ongegrondheid

5.6.

Niet in geschil is dat eiser zijn reisdocument heeft weggegooid en zich pas vijf dagen na het verstrijken van zijn visum heeft gemeld om internationale bescherming te vragen. Verweerder heeft dat dan ook niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen, zodat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vreemdelingenwet 2000 op hem van toepassing is.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.