Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
NL18.4705
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel, bekering en problemen niet geloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4705


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Spel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).


Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4706 inzake de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening en het beroep inzake de zoon van eiseres, geregistreerd onder nummer NL18.4718, plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ostadhasanbanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Iraanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] 1961.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vanuit de islam is bekeerd tot het christendom. Zij bezocht een huiskerk van [persoon A] , totdat zij vernomen heeft dat de leden van de huiskerk zijn verraden en haar bekering bekend is geworden bij de autoriteiten. Ook haar streng religieuze ex-echtgenoot is achter haar bekering gekomen. Eiseres is eerder naar Nederland gereisd om een asielaanvraag in te dienen, maar is vrijwillig teruggekeerd met behulp van het IOM om bij haar dochter te kunnen zijn die in het ziekenhuis was opgenomen. Bij aankomst in Iran is zij aangehouden en is haar een meldplicht opgelegd. Nadat op 26 december 2015 haar huis is binnengevallen en zij op 31 december 2015 een oproep heeft gehad om voor de rechter te verschijnen, is zij op 8 januari 2016 wederom Iran ontvlucht, ditmaal samen met haar zoon.

3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: haar bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de relevante elementen niet geloofwaardig zijn. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daartoe betoogt zij dat het onredelijk is dat zij na twee jaar in de verlengde asielprocedure alsnog wordt geconfronteerd met een versnelde afdoening met de daarbij behorende nadelen. Deze handelswijze is in strijd met de doelstelling van de Procedurerichtlijn om kansloze asielzaken snel af te doen in de versnelde procedure. Volgens eiseres heeft verweerder bovendien ten onrechte aan haar tegengeworpen dat zij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft gemeld, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Eiseres was er zeer slecht aan toe na haar illegale reis naar Nederland en zij heeft slechts één week gewacht met aanmelden. Gelet op haar leeftijd en psychische klachten had zij gegronde redenen zich niet binnen 48 uur te melden. Verweerder heeft het FMMU-advies van 2 mei 2016 en de brief van de Psychologische praktijk van 8 juli 2017 ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van de vraag of eiseres zich binnen 48 uur had moeten melden. Nu de aanvraag niet kennelijk ongegrond had kunnen worden verklaard, betoogt eiseres dat haar ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen is gegund.

Volgens eiseres heeft verweerder niet gemotiveerd dat bij het horen rekening is gehouden met het FMMU-advies. De aan haar gestelde vragen zijn niet allemaal kort en enkelvoudig, er hebben niet voldoende pauzes plaatsgevonden en er is haar niet gevraagd of zij behoefte heeft aan meer pauzes en of zij de vragen goed heeft begrepen. Daarnaast heeft verweerder de op 20 februari 2018 overgelegde medische informatie ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. In de aanvullende gronden heeft eiseres alsnog leesbare medische informatie overgelegd. Verweerder heeft haar daarnaast ten onrechte tegengeworpen dat niet valt in te zien waarom zij niet al tijdens de gehoren heeft verklaard wat zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht.

Voorts heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte geweigerd om de beslissing aan te houden totdat het toetsingskader in bekeringszaken zou worden aangepast conform de motie van J. Voordewind en heeft verweerder ten onrechte de beleidsnota van de IND van 1 november 2016 over het horen en beslissen in bekeringszaken niet bij de beoordeling betrokken.

Voor zover verweerder aan eiseres tegenwerpt dat zij geen weloverwogen keuze voor het protestantisme heeft gemaakt, voert zij aan dat informatie in Iran minder openlijk beschikbaar is dan in Nederland. Voorts heeft verweerder miskend dat het niet veilig was voor eiseres om alles te weten van [persoon B] en [persoon A] .

Ten aanzien van haar vrijwillige terugkeer voert eiseres aan dat zij haar terugkeer ging regelen zodra zij hoorde dat haar dochter problemen had. Dat zij haar veiligheidssituatie niet goed heeft ingeschat blijkt uit het feit dat zij wederom heeft moeten vluchten. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Iran blijkt dat er niet veel bekend is over de behandeling van terugkerende asielzoekers. Eiseres stelt een groter risico te lopen omdat zij geen paspoort heeft en dus met laissez passer moet reizen en al eerder is aangehouden.

Verweerder heeft haar vervolgens eveneens ten onrechte tegengeworpen dat niet geloofwaardig is dat haar streng-religieuze ex-man haar niet heeft lastiggevallen. Volgens eiseres heeft zij uitgelegd dat zij vreest dat hij zijn invloed zal gebruiken om haar proces te beïnvloeden. Bovendien heeft de broer van eiseres veel invloed en heeft hij haar kunnen beschermen. Dat eiseres weinig details wist van het verraad van de huiskerk is te verklaren door het feit dat haar zoon kort aan de telefoon met [persoon A] heeft gesproken om haar in te lichten over het verraad, waarna hij de simkaart heeft weggegooid.

Tevens betoogt zij dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is, dan wel of haar een geslaagd beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien twee zussen van eiseres in Nederland wonen.

Eiseres verzoekt de rechtbank het beroep aan te houden in afwachting van het rapport dat zal worden opgesteld door de Commissie Plaisir naar aanleiding van het op 15 april 2018 met haar te voeren geloofsgesprek.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

In het FMMU-advies van 4 mei 2016 is vermeld dat rekening moet worden gehouden met een mogelijk onvermogen om gebeurtenissen en data terug te kunnen halen, dat geadviseerd wordt een korte, duidelijke en enkelvoudige vraagstelling te hanteren, zonodig de vraagstelling toe te lichten, en zonodig een extra pauze in te lassen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat niet conform dit advies is gehoord. Weliswaar zijn niet alle gestelde vragen enkelvoudig van aard, maar de gehoorambtenaren hebben de vragen die niet duidelijk waren toegelicht, er is geregeld pauze ingelast en aan eiseres is meermaals gevraagd of zij zich in staat voelde (verder) gehoord te worden.

De door eiseres in de bestuurlijke procedure overgelegde stukken zijn voor het grootste deel onleesbaar. Nu eiseres ruimschoots de tijd heeft gehad om leesbare medische stukken over te leggen, heeft verweerder terecht de zaak niet aangehouden in afwachting van die stukken. De door eiseres in beroep alsnog overgelegde stukken geven er naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van dat eiseres niet kon worden gehoord.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toetsingskader in bekeringszaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is bevestigd in de uitspraak van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, zodat dat toetsingskader terecht in deze procedure is toegepast. In de beleidsnota van de IND (bij verweerder bekend als de nota ‘Handvatten horen en beslissen’) staat dat bekering geen vastomlijnd begrip is, maar ook via een droom of visioen tot stand kan komen. Nu verweerder niet aan eiseres heeft tegengeworpen dat passieve bekering via een droom niet mogelijk is, kan de beroepsgrond over de SUA-nota eiseres niet baten.

6.1.

Over de bekering van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat uit haar verklaringen niet blijkt dat zij een weloverwogen keuze voor het protestantisme heeft gemaakt. Verweerder heeft er in dat verband niet ten onrechte op gewezen dat eiseres beschikte over een Ipad en dat zij thuis regelmatig op internet informatie over het christendom opzocht, zodat zij de mogelijkheid heeft gehad om onderzoek te doen naar de verschillende stromingen en een bewuste keuze te maken. Eiseres voert terecht aan dat zij al tijdens het gehoor op 24 juli 2017 een verschil tussen het katholicisme en protestantisme heeft genoemd, in de zin dat katholieken een ‘strengere’ leer hebben. Verweerder heeft echter niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat dat verschil subjectief van aard is. Verweerder heeft bovendien terecht aan haar tegengeworpen dat tegenstrijdig is dat zij enerzijds in de zienswijze zegt dat protestanten zich meer richten tot de bijbel, terwijl zij wanneer haar tijdens het gehoor van 24 juli 2017 wordt gevraagd naar verschillen tussen de stromingen heeft verklaard dat katholieken erdoor worden gekenmerkt dat zij handelen naar het woord van het boek.

Over de bekering heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop zij is bekeerd, nu zij tijdens het nader gehoor van 24 maart 2015 heeft verklaard dat zij is bekeerd nadat zij op 25 december 2013 een droom heeft gehad, terwijl zij tijdens het gehoor van 24 juli 2017 heeft verklaard dat zij is bekeerd nadat zij is gedoopt op 5 april 2015. Dat het begrip ‘bekering’ voor meerdere uitleg vatbaar is, kan eiseres niet baten. Daartoe wijst de rechtbank erop dat eiseres tijdens het gehoor van 24 juli 2017 heeft verklaard dat ze zich pas echt christen voelde toen ze gedoopt was, terwijl ze tijdens het gehoor op 24 maart 2015 expliciet heeft verklaard dat ze zich na haar droom christen voelde. Voorts heeft eiseres, zoals verweerder niet ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen, slechts in algemene bewoordingen verklaard over waarom de islam niet meer voor haar volstond. Daaruit blijkt volgens verweerder niet waarom zij zich tot het christendom heeft gewend. Gelet daarop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar proces van bekering niet aannemelijk heeft gemaakt.

6.2.

Over de gebeurtenissen in Iran en de gevaren die eiseres daar stelt te lopen, overweegt de rechtbank als volgt. Nu eiseres naar eigen zeggen via [persoon B] / [persoon B] in aanraking is gekomen met het christendom, en zij uitgebreid over dat geloof hebben gesproken, heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat het bevreemdend is dat zij niet weet welke kerk [persoon B] bezocht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat het bevreemdend is dat zij de achternaam van [persoon A] niet weet, terwijl zij jarenlang haar huiskerk heeft bezocht, stelt vele gesprekken met haar te hebben gevoerd en door haar stelt te zijn bekeerd.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiseres na haar asielaanvraag in februari 2015 vrijwillig zou terugkeren naar Iran, als zij daadwerkelijk zou vrezen voor onder meer de autoriteiten en haar ex-echtgenoot. Dat eiseres haar dochter wilde bezoeken die in het ziekenhuis was opgenomen kan daar niet aan afdoen, nu haar dochter op het moment dat eiseres terugkeerde naar Iran al ruim een maand uit het ziekenhuis was ontslagen, en zij bovendien maar drie dagen in het ziekenhuis heeft gelegen, zodat niet valt in te zien dat eiseres zichzelf in een levensgevaarlijke situatie zou moeten brengen om bij haar dochter te zijn. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat eiseres na haar terugkeer naar Iran op haar oude adres is gaan wonen, terwijl zowel de autoriteiten als haar ex-echtgenoot haar daar konden vinden, en zij voor beiden vreesde omdat ze op de hoogte waren van haar bekering. Voorts heeft verweerder het niet ten onrechte ongerijmd geacht dat zij na terugkeer geen last heeft gehad van haar ex-echtgenoot. Dat eiseres vreesde dat hij zijn invloed bij de autoriteiten zou gebruiken om haar eventuele proces negatief te beïnvloeden, en dat haar broer [broer van eiseres 1] haar zou kunnen beschermen, doet er niet aan af dat het ongerijmd is dat zij na terugkeer naar Iran in het geheel geen last van hem heeft ondervonden en dat zij ook geen problemen van de autoriteiten heeft ondervonden, zeker gelet op het feit dat zij stelt dat zij een meldplicht had. Verweerder heeft bovendien niet ten onrechte aan haar tegengeworpen dat uit het feit dat eiseres heeft verklaard dat zij thuis kerkdiensten hield met haar familieleden niet blijkt van vrees voor de autoriteiten, ondanks dat zij stelt dat zij een meldplicht had en dat haar huis al twee keer is doorzocht.

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat [broer van eiseres 2] , de andere broer van eiseres, die erg religieus islamitisch zou zijn en op de hoogte was van de bekering van eiseres, haar van de luchthaven heeft opgehaald, verder geen actie heeft ondernomen om haar geloofsovertuiging te veranderen en haar pas heeft bedreigd na haar vertrek uit Iran.

Verweerder heeft zich daarnaast niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres vaag heeft verklaard over het verraad van leden van de huiskerk, nu zij niet weet door wie of hoe de leden zijn verraden, en dat zij niet weet of er een inval heeft plaatsgevonden in de huiskerk van [persoon A] . De rechtbank acht in dit kader van belang dat het verraad van de huiskerk de reden zou zijn dat de autoriteiten achter de bekering van eiseres zouden zijn gekomen, hetgeen haar aanleiding is geweest om Iran te ontvluchten.

6.3.

Over de kennelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een aanvraag van een vreemdeling die naar de verlengde asielprocedure is verwezen, niet als kennelijk ongegrond mag worden afgedaan. Dat een dergelijke handelswijze in strijd is met de doelstellingen van de Procedurerichtlijn volgt de rechtbank evenmin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op het moment dat een zaak naar de verlengde procedure wordt verwezen nog niet duidelijk is hoe de beoordeling uitvalt en of artikel 30b van de Vw 2000 van toepassing is.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 op eiseres van toepassing geacht, nu zij zich niet onverwijld na binnenkomst in Nederland heeft gemeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres uiterlijk op 9 februari 2016 Nederland is ingereisd, waarna zij zich pas op 16 februari 2016 heeft gemeld. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres zich niet eerder kon dan wel hoefde te melden. Dat zij eerst op krachten moest komen na de lange reis is in dat kader onvoldoende. Bovendien was eiseres eerder naar Nederland gereisd, zodat zij wist dan wel behoorde te weten dat zij zich binnen 48 uur bij een ambtenaar belast met de grensbewaking behoorde te melden.

6.4.

Over artikel 64 van de Vw 2000 overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiseres daarover iets heeft aangevoerd, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat aan eiseres geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van voormeld artikel. Ook ten aanzien van het betoog dat ziet op artikel 8 van het EVRM geldt dat het de rechtbank niet is gebleken dat eiseres op enig moment in de procedure heeft aangevoerd dat haar op grond van dat artikel verblijf in Nederland moet worden toegestaan.

6.5.

Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4174) kan een verklaring van een kerkelijke persoon of een instantie weliswaar dienen ter staving van een bekering, maar laat een zodanige verklaring de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid. Gelet daarop en op het grote aantal tegenstrijdige en bevreemdende verklaringen die eiseres heeft afgelegd over haar bekering, ziet de rechtbank geen aanleiding deze zaak aan te houden in afwachting van het door de Commissie Plaisir op te stellen rapport naar aanleiding van het geloofsgesprek dat met eiseres gevoerd zal worden.

7. Gelet op het voorgaande is de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.