Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
NL18.4718
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel, bekering en problemen ongeloofwaardig, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.4718


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Spel),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).


Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.4720, inzake de door eiser gevraagde voorlopige voorziening en het beroep inzake moeder van eiser, geregistreerd onder nummer NL18.4705, plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Ostadhasanbanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1991.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is bekeerd tot het christendom en wordt gezocht door de politie. Eerder is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, omdat hij is ontslagen uit het leger wegens het niet houden aan de islamitische regels.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, zijn afvalligheid met als gevolg de problemen met de militaire dienstplicht, en de bekering en de problemen als gevolg daarvan.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig worden geacht. De andere twee elementen acht verweerder echter ongeloofwaardig. Hij concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daartoe betoogt hij dat het onredelijk is dat hij na twee jaar in de verlengde asielprocedure alsnog wordt geconfronteerd met een versnelde afdoening met de daarbij behorende nadelen. Volgens eiser is een dergelijke handelswijze in strijd met de doelstelling van de Procedurerichtlijn om kansloze asielzaken snel af te doen in de versnelde procedure. Volgens eiser heeft verweerder voorts ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft gemeld, als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De moeder van eiser was er zeer slecht aan toe na hun illegale reis naar Nederland, eiser had zelf een longinfectie en zij hebben zich slechts enkele dagen te laat gemeld. Gelet op de leeftijd en psychische klachten van de moeder van eiser hadden zij gegronde redenen zich niet binnen 48 uur te melden. Nu verweerder niet heeft onderbouwd waarom de aanvraag kennelijk ongegrond is, is hem ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen is opgelegd.

Volgens eiser heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat zijn relaas ongeloofwaardig is, nu verweerder niet is ingegaan op al hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat een bekering geen momentopname is, maar een langdurig proces zodat het logisch is dat hij verschillende leeftijden noemt als hij over zijn bekering spreekt. Ook was volgens eiser niet duidelijk wat de gehoorambtenaar bedoelde met ‘bekering’, en heeft verweerder ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij niet heeft geconcretiseerd waarom hij een beroep heeft gedaan op de notie Voordewind, nu hij heeft verwezen naar de zienswijze van zijn moeder, die een beroep heeft gedaan op die motie.

Voorts heeft verweerder zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat hij zijn gevangenisstraf in 2010 heeft kunnen omzetten in een boete, nu afvalligheid een ernstig vergrijp is. Eiser voert aan dat daar tegenin heeft gebracht dat hij is veroordeeld wegens het niet meedoen aan het gebed en de Ramadan, hetgeen een veel lichter vergrijp is. Ook heeft verweerder zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat de besluitvorming niet objectief is geweest, nu in het voornemen en het besluit alleen citaten worden aangehaald die ten nadele van eiser kunnen worden uitgelegd.

Voorts voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet heeft aangetoond dat hij door de autoriteiten werd afgeluisterd. Het leveren van dergelijk bewijs is volgens eiser onmogelijk, maar bekend is dat de Iraanse autoriteiten vaak afluisteren wanneer zij een strafbaar feit vermoeden. Bovendien heeft eiser hier duidelijk over verklaard.

Eiser verzoekt de rechtbank het beroep aan te houden in afwachting van het rapport dat zal worden opgesteld door de Commissie Plaisir naar aanleiding van het op 15 april 2018 met hem te voeren geloofsgesprek.

6. Over de door eiser gestelde afvalligheid en zijn bekering tot het christendom overweegt de rechtbank als volgt. Door een beroep te doen op de motie Voordewind, betoogt eiser kennelijk dat het door verweerder gehanteerde toetsingskader onjuist is. De rechtbank overweegt in dat kader dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het toetsingskader in bekeringszaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is bevestigd in de uitspraak van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, zodat dat toetsingskader terecht in deze procedure is toegepast.

Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment dat hij geen moslim meer wilde zijn, nu hij daarover heeft verklaard dat hij op dat moment 18 of 19 was, dat hij 20 jaar was toen hij besloot dat hij niet meer bij de islam wilde horen en dat hij 22 jaar was toen hij zich definitief afkeerde van de islam. Voorts is, zoals verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen, tegenstrijdig dat hij enerzijds heeft verklaard dat hij in de twee jaar dat hij zou hebben getwijfeld aan de islam, vanaf zijn 20e, onderzoek heeft gedaan naar dat geloof om te zien of het bij hem past, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij zich nooit heeft verdiept in de islam. De beroepsgrond van eiser, dat hij in twee verschillende fases van zijn leven twijfelde aan de islam – zijn kindertijd en adolescentie – neemt voormelde tegenstrijdigheid niet weg. De beroepsgrond van eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gehoorambtenaar niet diende te definiëren wat bekering is, faalt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend vanwege de problemen die voortvloeien uit zijn bekering zodat de gehoorambtenaar er vanuit mocht gaan dat eiser wist wat onder de term bekering wordt verstaan. Dat in het voornemen en het besluit alleen citaten zijn aangehaald die ten nadele van eiser kunnen worden uitgelegd betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de besluitvorming niet objectief is geweest, maar is een gevolg van het feit dat de conclusie van verweerder is de aanvraag moet worden afgewezen.

Eiser heeft het standpunt van verweerder, dat hij slechts in algemeenheden heeft verklaard over zijn afkeer voor de islam, in beroep niet bestreden. Ook heeft eiser in beroep niet bestreden dat er geen innerlijk proces van bewustwording bij hem heeft plaatsgevonden, en dat hij niet weet wanneer hij gedoopt is. Verweerder heeft het voorgaande reeds daarom niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen.

De verklaring van eiser, dat hij zijn moeder heeft omhelsd en gefeliciteerd toen zij hem de eerste keer vertelde over het christendom en dat hij het leuk en interessant vond is, zoals verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen, in strijd met de door haar afgelegde verklaring dat haar kinderen haar nieuwe geloof in eerste instantie niets vonden.

Voorts heeft verweerder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het bevreemdend is dat hij niet precies weet wanneer hij is bekeerd tot het christendom, nu dat volgens hem op zijn 24e of 25e was, en hij op het moment dat het nader gehoor werd afgenomen 25 jaar oud was. Gelet op de impact van de gestelde bekering mocht verweerder van eiser verwachten dat hij concreet weet hoe oud hij was op het moment van bekeren. Dat bekering een proces is en geen momentopname betekent niet dat eiser niet zou moeten kunnen aangeven vanaf wanneer hij zich christen voelt. Te meer nu dit een zeer recente gebeurtenis moet zijn geweest met grote impact. Verweerder heeft eveneens niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat het bevreemdend is dat hij niet weet wanneer hij is gedoopt, en dat hij niet weet wanneer pasen in 2016 was, terwijl hij naar eigen zeggen de paasdienst heeft bijgewoond. Reeds gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser afvallige is en dat hij is bekeerd tot het christendom.

6.1.

Over de door eiser gestelde problemen in Iran als gevolg van zijn afvalligheid overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser, toen hij werd ontslagen uit het leger vanwege het niet volgen van de islamitische regels, zijn daaropvolgende gevangenisstraf heeft kunnen afkopen, gelet het feit dat onder de sharia op afvalligheid de doodstraf staat. Eiser heeft niet nader toegelicht dat onder de sharia een onderscheid wordt gemaakt tussen afvalligheid en het niet meedoen met islamitische rituelen.

6.2.

Over de door eiser gestelde problemen in Iran als gevolg van zijn bekering tot het christendom overweegt de rechtbank dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de gestelde inval, nu hij heeft verklaard dat hij bij een vriend woonde op het moment van de inval, terwijl uit het rapport van nader gehoor van zijn moeder is gebleken dat hij bij zijn moeder woonde. Voorts heeft eiser niet kunnen vertellen of er na de inval agenten thuis naar hem zijn komen zoeken, terwijl hij zijn achtergebleven zus nog een paar keer heeft gesproken zodat hij de gelegenheid heeft gehad daarnaar te informeren. De enkele stelling van eiser dat bekend is dat de Iraanse autoriteiten vaak afluisteren kan eiser, in het licht van al het voorgaande, niet baten.

6.3.

Over de kennelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat een aanvraag van een vreemdeling die naar de verlengde asielprocedure is verwezen, niet als kennelijk ongegrond mag worden afgedaan. Dat een dergelijke handelswijze in strijd is met de doelstellingen van de Procedurerichtlijn volgt de rechtbank evenmin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op het moment dat een zaak naar de verlengde procedure wordt verwezen nog niet duidelijk is hoe de beoordeling uitvalt en of artikel 30b van de Vw 2000 van toepassing is.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 op eiser van toepassing geacht, nu hij zich niet onverwijld na binnenkomst in Nederland heeft gemeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser uiterlijk op 9 februari 2016 Nederland is ingereisd, waarna hij zich pas op 16 februari 2016 heeft gemeld. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat niet gebleken dat eiser zich niet eerder kon dan wel hoefde te melden. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij leed aan een longinfectie die zo ernstig was dat van hem niet kon worden verlangd dat hij zich zou melden.

6.4.

Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4174) kan een verklaring van een kerkelijke persoon of een instantie weliswaar dienen ter staving van een bekering, maar laat een zodanige verklaring de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid. Gelet daarop en op het grote aantal tegenstrijdige en bevreemdende verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn bekering, ziet de rechtbank geen aanleiding deze zaak aan te houden in afwachting van het door de Commissie Plaisir op te stellen rapport naar aanleiding van het geloofsgesprek dat op 15 april 2018 met eiser gevoerd zal worden.

6.5.

De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten onrechte een vertrektermijn van nul dagen is opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.