Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:3762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
AWB 17/12290 en AWB 17/12537
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duurzaam verblijf gemeenschapsonderdaan, middelen van bestaan, beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/12290 en AWB 17/12537

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Sahin),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuis).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2017 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000).

Bij separaat besluit van 3 april 2017 heeft verweerder ook de aanvraag van verzoekster van 20 februari 2017, waarin zij verzoekt om de afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burger van de Unie’ afgewezen.

Tegen deze besluiten heeft eiseres op 17 april 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 13 juni 2017 heeft verweerder beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Op 23 juni 2017 heeft eiseres beroep ingesteld tegen zowel de vaststelling dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft gehad (AWB 17/12990), als tegen de afwijzing van de aanvraag om een document waaruit duurzaam verblijf blijkt (AWB 17/12537).

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van

15 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de beroepen uit van de volgende feiten. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Bulgaarse nationaliteit. Eiseres staat sinds 9 december 2011 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP). Op 16 november 2012 is eiseres in het bezit gesteld van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), met als doel het verrichten van arbeid als zelfstandige. Vanaf 8 april 2013 ontvangt eiseres een bijstandsuitkering op grond van de participatiewet. In de periode van 6 mei 2013 tot 20 mei 2015 is eiseres in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier, met als doel ‘B9, tijdelijke humanitaire gronden’.

2. Verweerder concludeert in de bestreden besluiten dat eiseres, hoewel op 16 november 2012 in het bezit gesteld van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000, achteraf gezien nooit heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb 2000. Omdat eiseres nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad is er geen sprake van verblijfsbeëindiging en hoeft er geen belangenafweging plaats te vinden, aldus verweerder. Nu eiseres nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Verblijfsrichtlijn), is evenmin grond voor de afgifte van een document waaruit duurzaam verblijf als burger van de Unie blijkt.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij sinds haar inschrijving in het BRP op 9 december 2011, dan wel sinds haar inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 1 januari 2012, rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8.12 van het Vb 2000. Zij is immers in het bezit gesteld een document waaruit dit blijkt. Eiseres beroept zich in dit kader op het vertrouwensbeginsel. Nu dit verblijf langer dan vijf jaar heeft geduurd, komt eiseres tevens in aanmerking voor de afgifte van het gevraagde document waaruit blijkt dat zij duurzaam in Nederland verblijft als burger van de Unie. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder de eerdere aanvraag om duurzaam verblijf als burger van de Unie van 10 maart 2014 ambtshalve aan had moeten merken als een aanvraag om een reguliere vergunning vanwege niet tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder was door de B9 procedure immers op de hoogte van de schrijnende situatie van eiseres. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder een belangenafweging had moeten maken en dat deze in het voordeel van eiseres had dienen uit te vallen.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond na de vrije termijn van drie maanden na binnenkomst in Nederland op nog langer rechtmatig in Nederland te hebben verbleven op grond van de Verblijfsrichtlijn. Daarbij heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres in de besluitvormingsfase geen stukken heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij op enig moment vanaf haar inschrijving in de Kamer van Koophandel in januari 2012 minimaal een jaar lang reële en daadwerkelijke arbeid als zelfstandige heeft verricht, dan wel dat zij op een andere grond van artikel 8.12 van het Vb 2000 rechtmatig verblijf heeft gehad. Weliswaar heeft eiseres een aantal stukken overgelegd, zoals een inschrijving in de Kamer van Koophandel, maar deze zijn voor die conclusie onvoldoende. Ook uit de in beroep overgelegde stukken kan deze conclusie niet worden getrokken.

6.2.

Gelet op het vorenstaande en nu niet in geschil is dat eiseres sinds 8 april 2013 een bijstandsuitkering ontvangt, heeft verweerder tevens terecht geconcludeerd dat eiseres geen duurzaam verblijfsrecht heeft in Nederland. Dat eiseres in het verleden in het bezit is gesteld van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000, leidt niet tot een ander oordeel. Het verblijfsrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn heeft immers een declaratoir karakter en is niet afhankelijk van het bezit van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000. Ook het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, slaagt om deze reden niet. Daarnaast kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijke toezegging is niet gebleken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5360).

7. De bestreden besluiten hebben geen verdere strekking dan dat verweerder heeft vastgesteld dat eiseres geen (duurzaam) verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft. Het betreft slechts het onderzoek of eiseres rechtmatig verblijf heeft (gehad) als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder hoeft daarbij niet ook aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) te toetsen. Een beoordeling van het privéleven in de zin van dit artikel kan er immers niet toe leiden dat aan eiseres verblijf moet worden toegestaan op grond van de Verblijfsrichtlijn (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BV3581 en 12 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2772). Indien eiseres haar aanspraak op verblijf met het oog op artikel 8 van het EVRM beoordeeld wenst te zien, zal zij daarvoor een afzonderlijke aanvraag moeten indienen. Ditzelfde geldt voor het betoog van eiseres dat verweerder een belangenafweging had moeten maken en had moeten toetsen of eiseres in aanmerking kwam voor een reguliere verblijfsvergunning wegens ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

8. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)